Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/5.4.2
5.4.2 Gebruiksplicht en exploitatierisico
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264503:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Als partijen deze gebruiksplicht uitsluiten, komt vermoedelijk een recht van pandgebruik met rentefunctie tot stand: §5.2.2 en §5.4.3.
Wille/Scott & Scott 1987, p. 140-141; Van der Merwe 1989, p. 635 en 664-665; De Wet & Van Wyk 1992, p. 410; Lubbe & Scott 2008, nr. 360 en 426; Silberberg & Schoeman/Badenhorst, Pienaar & Mostert 2015, p. 393; Titus 2012, p. 243-244; Brits 2016, p. 147-149; Supreme Court of Transvaal 19 april 1907, Freeman Cohen’s Consolidated Ltd v General Mining and Finance Corporation Ltd, 1907 TS 224, p. 226; Transvaal Provincial Division 15 november 1910, Israel v Solomon, 1910 TPD 1183, p. 1187; Transvaal Provincial Division 14 september 1914, Nyabele v Pieterse, 1914 TPD 516, p. 518-519; Witwatersrand Local Division 10 oktober 1921, Judes v SA Breweries Ltd, 1922 WLD 1, p. 8; Griqualand West Local Division 27 juni 1934, SA Breweries v Levin, 1934 GWL 33, p. 35-36; Appellate Division 31 oktober 1935, South African Breweries v Levin, 1935 AD 77, p. 84; Witwatersrand Local Division 15 april 1996, Simon NO and Others v Mitsui and Co Ltd and Others, 1997 (2) SA 475 (W), p. 500-501.
Van der Merwe 1989, p. 635 en 664-665; Wille/Scott & Scott 1987, p. 140-141; De Wet & Van Wyk 1992, p. 410; Lubbe & Scott 2008, nr. 360 en 426; Van der Merwe & Pienaar 2010, p. 1032-1033; Titus 2012, p. 243-244; Brits 2016, p. 148-149; Witwatersrand Local Division 10 oktober 1921, Judes v SA Breweries Ltd, 1922 WLD 1, p. 8; Griqualand West Local Division 27 juni 1934, SA Breweries v Levin, 1934 GWL 33, p. 34-36 en 50; Witwatersrand Local Division 15 april 1996, Simon NO and Others v Mitsui and Co Ltd and Others, 1997 (2) SA 475 (W), p. 500-501; Supreme Court of Appeal 27 maart 2008, ABSA v Bisnath, [2008] ZASCA 23, p. 9-11.
Wille/Scott & Scott 1987, p. 140-141; Van der Merwe 1989, p. 635 en 664-665; Wille/Du Bois e.a. 2007, p. 649; Lubbe & Scott 2008, nr. 360 en 426; Van der Merwe & Pienaar 2010, p. 1032-1033; Brits 2016, p. 148-149; Transvaal Provincial Division 15 november 1910, Israel v Solomon, 1910 TPD 1183, p. 1187; Transvaal Provincial Division 14 september 1914, Nyabele v Pieterse, 1914 TPD 516, p. 518-519; Witwatersrand Local Division 10 oktober 1921, Judes v SA Breweries Ltd, 1922 WLD 1, p. 8; Griqualand West Local Division 27 juni 1934, SA Breweries v Levin, 1934 GWL 33, p. 35-36; Appellate Division 31 oktober 1935, South African Breweries v Levin, 1935 AD 77, p. 84; Witwatersrand Local Division 15 april 1996, Simon NO and Others v Mitsui and Co Ltd and Others, 1997 (2) SA 475 (W), p. 500-501; Supreme Court of Appeal 27 maart 2008, ABSA v Bisnath, [2008] ZASCA 23, p. 9-11.
Wille/Scott & Scott 1987, p. 141; Van der Merwe 1989, p. 635 en 664-665; Wille/Du Bois e.a. 2007, p. 649; Lubbe & Scott 2008, nr. 360 en 426; Brits 2016, p. 147-149; Transvaal Provincial Division 15 november 1910, Israel v Solomon, 1910 TPD 1183, p. 1187; Transvaal Provincial Division 14 september 1914, Nyabele v Pieterse, 1914 TPD 516, p. 518-519; Witwatersrand Local Division 10 oktober 1921, Judes v SA Breweries Ltd, 1922 WLD 1, p. 8-11; Griqualand West Local Division 27 juni 1934, SA Breweries v Levin, 1934 GWL 33, p. 35-36.
Appellate Division 31 oktober 1935, South African Breweries v Levin, 1935 AD 77, p. 84.
Witwatersrand Local Division 10 oktober 1921, Judes v SA Breweries Ltd, 1922 WLD 1, p. 4-6.
Witwatersrand Local Division 10 oktober 1921, Judes v SA Breweries Ltd, 1922 WLD 1, p. 8.
Witwatersrand Local Division 10 oktober 1921, Judes v SA Breweries Ltd, 1922 WLD 1, p. 11.
Witwatersrand Local Division 10 oktober 1921, Judes v SA Breweries Ltd, 1922 WLD 1, p. 12-13.
De aflossingspandgebruiker heeft naar Zuid-Afrikaans recht niet alleen de bevoegdheid, maar ook de verplichting om het onderpand te gebruiken en de vruchten ervan te trekken.1 De pandgebruiker is verplicht zijn bevoegdheid uit te oefenen, opdat de waarde die hij hiermee heeft gegenereerd ten goede komt aan de pandgever. Over de wijze waarop hij zijn recht van pandgebruik heeft uitgeoefend, dient de pandgebruiker rekening en verantwoording af te leggen (account for the fruits). Deze verplichting vloeit voort uit de zorgplicht (duty of care) van de vuistpandhouder. De zorgplicht van de vuistpandhouder brengt mee dat hij zijn vuistpandrecht dient uit te oefenen met eerbiediging (due regard) van de belangen van de pandgever.2 Dat de pandhouder het onderpand gebruikt en de vruchten ervan trekt, is in de eerste plaats in het belang van de pandgever. De pandgebruiker dient de waarde van de vruchten immers ten goede te laten komen aan de pandgever, hetzij door ze in mindering te brengen op de gesecureerde vordering, hetzij door ze aan de pandgever af te staan.
Als de gebruikswaarde die de pandgebruiker heeft gegenereerd lager is dan de waarde die hij in redelijkheid had moeten genereren, is de pandgebruiker voor het verschil aansprakelijk. Deze aansprakelijkheid zal er veelal toe leiden dat de gesecureerde vordering vermindert met het bedrag waarvoor de pandgebruiker aansprakelijk is.3 Voor het vaststellen van aansprakelijkheid van de pandgebruiker voor het realiseren van een te lage gebruiksopbrengst geldt de volgende bewijslastverdeling. In de eerste plaats dient de pandgever te stellen en te bewijzen dat hij een verlies (loss) heeft geleden. Dit verlies uit zich in het feit dat de pandgebruiker een lagere gebruiksopbrengst heeft gerealiseerd dan hij had behoren te doen. Doordat de pandgebruiker een suboptimale gebruiksopbrengst heeft gegenereerd, is de gesecureerde vordering met een lager bedrag aan gebruiksopbrengst verminderd dan bij een optimale opbrengst. Het verschil tussen de optimale opbrengst en de werkelijke suboptimale opbrengst is een verlies voor de pandgever. Als de pandgever in het bewijs van een loss slaagt, is de pandgebruiker in beginsel voor dit verlies aansprakelijk.4
De pandgebruiker kan slechts aan aansprakelijkheid ontkomen als hij aantoont dat hij aan zijn zorgplicht (duty of care) heeft voldaan. Hiervan is sprake als het geleden verlies niet aan de schuld (negligence) van de pandgebruiker te wijten is. De pandgebruiker is aansprakelijk voor opzet, zware schuld en normale schuld. Hij zal dus moeten bewijzen dat geen sprake is van opzet, zware schuld of normale schuld, maar van lichte schuld of vis maior. De pandgebruiker kan in dit bewijs slagen als hij aantoont dat hij zijn recht van pandgebruik heeft uitgeoefend als een reasonable man. Het gaat er dan om dat een reasonable business man zich op dezelfde wijze als de pandgebruiker zou hebben gedragen om een optimale gebruiksopbrengst te realiseren.5
Dit criterium is neergelegd in het hoger beroep van de zaak S.A. Breweries v Levin. Tegen de wil van schuldenaar Levin had S.A. Breweries een schikking getroffen met de schuldenaar van de verpande vordering. S.A. Breweries vermoedde er niets aan te hebben om de schuldenaar van de verpande vordering, Greenberg, onder druk te zetten de verpande vordering integraal te voldoen. Deze druk zou uiteindelijk leiden tot het faillissement van Greenberg. In dit faillissement zou S.A. Breweries minder terugzien van de verpande vordering dan wanneer zij met Greenberg een schikking trof. De rechter, Justice Brebner, stelde vast dat de pandhouder zich dient te gedragen als een reasonable business man. S.A. Breweries had aan dit criterium voldaan:
“To say the least of it suing Greenberg and making him insolvent with a threatened forced sale in a depressed market did not on the face of it appear to be a sound policy. The Breweries were also entitled to have an opinion as to which policy was the better and could not be forced to sue merely because Levin desired it. The pledgee must act as a reasonable business man, and if as such he is right in thinking that nursing the debtor is the better course he cannot he compelled to sue. It all depends on the circumstances of the particular case. If afterwards a loss occurs it is for the Court upon a dispute arising to determine whether the pledgee did or did not adopt a reasonable course.
In considering all the circumstances I think that up to June, 1931, the Breweries acted wisely in the very depressed state of the market […] not to have gone to extremes, but tact and pressure to have reduced the second bond in the way they did.”6
Slechts indien de pandgebruiker zich heeft gedragen als een reasonable business man heeft hij aan zijn zorgplicht voldaan en is hij niet voor het verlies van de pandgever aansprakelijk. Heeft de pandgebruiker zich niet als een reasonable business man gedragen, dan blijft het vermoeden van aansprakelijkheid van de pandgebruiker staan. De pandgebruiker is dan dus aansprakelijk voor het verschil tussen de opbrengst die hij in werkelijkheid heeft gerealiseerd, en de opbrengst die hij had behoren te realiseren.
Een zaak die de gebruiksplicht van de pandhouder illustreert, is Judes v S.A. Breweries. Het feitencomplex van deze zaak heb ik uiteengezet in §5.3.3. In zijn hoedanigheid van pandgebruiker van een verhuurde woning trof S.A. Breweries een schikking met huurder Langridge. Judes, de opvolger onder bijzondere titel van S.A. Breweries’ schuldenaar Joffe, verzette zich tegen deze gang van zaken. Volgens Judes had S.A. Breweries geen schikking mogen treffen met Langridge. In plaats daarvan had S.A. Breweries Langridge onder druk moeten zetten om het volledig verschuldigde bedrag aan huur te betalen. Had S.A. Breweries dit gedaan, dan had zij volgens Judes meer huur verkregen dan zij in werkelijkheid had geïnd. Judes stelde S.A. Breweries aansprakelijk voor dit verschil en vorderde dat het verschil in mindering kwam op de gesecureerde vordering.7
Doordat vaststond dat S.A. Breweries de verschuldigde huur gedeeltelijk had kwijtgescholden en de voor de toekomst de huur had verlaagd, had Levin bewezen dat sprake was van een loss. S.A. Breweries moest nu dus stellen en bewijzen dat zij geen schuld had aan het niet innen van een gedeelte van de huur:
“In the present case the plaintiff [Judes] has shown that a proportion of the rents have not been collected and it is for the defendants [S.A. Breweries] to show that the non-collection of rents was not due to negligence on his part.”8
S.A. Breweries slaagde in dit bewijs. Haar bestuurder mr. Goodrich, die de zaak met schuldenaar Joffe en huurder Langridge had afgehandeld, had een zo hoog mogelijke huuropbrengst gerealiseerd door met Langridge een schikking te treffen. Aannemelijk was dat Langridge niet meer kon betalen dan hij had gedaan. Bovendien was Langridge als huurder onvervangbaar. De rechter, Justice Ward, overwoog:
“I am satisfied that the defendant acted in what he considered the best interests of Joffe and themselves in not pressing for the rent; that they thought at the time that pressure put on the tenant would end in disaster. The case is not one of an ordinary creditor where legal proceedings can be taken and the last penny squeezed from the debtor; but the defendant had to consider the result of pressing and as to whether it would not end in the loss of a tenant who could not be replaced […]. I am satisfied that Goodrich genuinely thought he was adopting the best course in Joffe’s interest; he was a man of experience who knew all the details, and there is no evidence to contradict him. I think I must hold that there has been no negligence on his part. And I must hold that defendant was right in all the circumstances in not pressing for the rent.”9
Judes had weliswaar een verlies geleden doordat S.A. Breweries niet alle huur had geïnd, S.A. Breweries was voor deze loss niet aansprakelijk omdat zij aantoonde dat zij aan dit verlies geen schuld had. Er was geen sprake van negligence. De rechter verwierp dus de vordering van Judes tot vermindering van de gesecureerde vordering met de huur die S.A. Breweries niet had geïnd.10