Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/6.3.3.b.i
6.3.3.b.i Uitgangspunt: tweeledige wetgevingsvrijheid (<geenverwijzing>art. 2 lid 7</geenverwijzing>, eerste volzin)
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS462837:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De mogelijkheid van cumulatieve bescherming wordt ongemoeid gelaten door (art. 17 van) Richtlijn 98/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 inzake de rechtsbescherming van modellen (PbEG 1998, L 289/28), en door (art. 96 lid 2 van) Verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen (PbEG 2002, L 3/1; nadien gewijzigd).
Voor het modelrechtelijke beschermingsregime spreekt dit voor zich: de Berner Conventie treedt niet op model-rechtelijk terrein. Zie ook art. 1 lid 2 Verdrag van Parijs.
Actes BC 1948, p. 158 (Discussions et résultats): 'Malgré l'opinion énoncée dans le programme (...), scription des oeuvres des arts appliqués dans l'énumération des oeuvres protégées n'a pas eu pour effet de supprimer la disposition de l'ancien alinéa 4 de l'article 2. Cette disposition, qui réservait l'application de la législation intérieure, a été maantenue en son principe.' Vgl. ook Actes BC 1967, p. 88 (Doc. S/1, p. 18; voorstel Zweden en Bureau); Actes BC 1967, p. 1154 (Report Main Committee I); Troller 1952, p. 155.
Aangenomen moet worden dat het voorbehoud ten gunste van de nationale wetgeving niet is beperkt tot de voorwaarden voor de bescherming, maar zich uitstrekt tot de gehele bescherming. Dit blijkt uit de uitdrukkelijke handhaving van het Berlijnse voorbehoud alsook uit Actes BC 1967, p. 1154 (Report Main Committee I) en het opnemen van een uitzondering op deze vrijheid: 'According to the first sentence of paragraph (5) of the Brussels text, domestic legislation is free to determine the protection of works of applied art and industrial designs and models. (...) Countries should not be completely free to determine protection: they should observe the minimum term of protection — twenty-five years from the making of the work — which had been inserted in Article 7(4) for works of applied art protected as artistic works.' (cursivering toegevoegd).
De enige uitzondering hierop is de minimale beschermingsduur ex art. 7 lid 4, zie hierover alinea's 879 e.v. hierna.
859. Huidige bepaling: wetgevingsvrijheid. Uitgangspunt van de huidige regeling is dat werken van toegepaste kunst moeten worden beschermd. Daartoe zijn zij opgenomen in de opsomming van iure conventionis beschermde werken in artikel 2 lid 1. De invulling van deze bescherming laat de conventie echter in tweeërlei opzicht aan de Unielanden over (artikel 2 lid 7, eerste volzin).
860. Vrijheid in regimekeuze. In de eerste plaats hebben de Unielanden de vrijheid om een werk van toegepaste kunst niet als werk van kunst, maar als model te beschermen. Zij zijn dus vrij in de keuze van het beschermingsregime: zij kunnen kiezen voor auteursrechtelijke, modelrechtelijke of cumulatieve bescherming.1De eerste volzin brengt dit tot uitdrukking waar zij het aan de Unielanden overlaat "om het toepassingsgebied te bepalen van hun wetten betreffende werken van toegepaste kunst en tekeningen en modellen."
861. Vrijheid in vormgeving. In de tweede plaats zijn de Unielanden vrij in de vormgeving van de bescherming. Dat geldt niet alleen voor de modelbescherming, maar ook voor de auteursrechtelijke bescherming van werken van toegepaste kunst.2 De verdragsopstellers wilden het Berlijnse beginsel — inhoudende dat de auteursrechtelijke bescherming van werken van toegepaste kunst geheel is overgelaten aan de nationale wetgever — expliciet handhaven. De hegemonie van de nationale wet bleef onaangetast.3 Dienovereenkomstig bepaalt de eerste volzin van lid 7 dat de nationale wet niet alleen de voorwaarden voor de bescherming van modellen, maar ook de voorwaarden voor de auteursrechtelijke bescherming van werken van toegepaste kunst bepaalt.4 De nationale wetgever mag voor werken van toegepaste kunst dus een afwijkend auteursrecht hanteren. Hier geldt onder de vigeur van de conventie alleen het beginsel van nationale behandeling (traitement national), en niet het ius conventionis (traitement unioniste).5