Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/11.3.3
11.3.3 De achterdeur van het preliminaire oordeel
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS370903:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hof Amsterdam (OK) 31 december 2009, JOR 2010/60, m.nt. Doorman (Inter Access), r.o. 3.9, 3.12 en 3.14.
Willems 2016, par. 3.
Zie bijvoorbeeld de beschikkingen van Hof Amsterdam (OK) van 21 maart 2008 (JOR 2008/177, Yukos), 31 december 2009 (JOR, 2010/60, m.nt. Doorman, Inter Access, r.o. 3.9 en 3.14) en 4 december 2014 (ARO 2015/30, VTS, r.o. 3.2 t/m 3.4). Zie ook Willems 2016, par. 3 en Eikelboom 2014B, p. 269.
Zie bijvoorbeeld Rechtbank Noord-Holland 29 september 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:11661 (Affordable Living Solutions Africa), r.o. 4.2.
Tot zo ver de theorie. In de praktijk kan de ondernemingskamer via de achterdeur van een preliminair oordeel toch een poging wagen om de afdwingbaarheid van overeenkomsten feitelijk te frustreren. Een voorbeeld van zo’n preliminair oordeel is besproken in par. 11.2.2. Het betrof de Inter Access-beschikking1 van de ondernemingskamer. In het kader van de beoordeling van de proportionaliteit van de verzochte onmiddellijke voorzieningen was het van belang of deze strijdig waren met een afdwingbare overeenkomst. Indien de bevoegde rechter de desbetreffende rechtsvraag reeds eerder dan de ondernemingskamer heeft beantwoord, dan kan de ondernemingskamer daarvan niet afwijken.2 Ten tijde van het wijzen van de Inter Access-beschikking was zo’n oordeel echter nog niet beschikbaar. De ondernemingskamer was daardoor genoodzaakt om zichzelf de vraag te stellen hoe de bevoegde rechter zou oordelen omtrent een bepaalde rechtsvraag.3 De ondernemingskamer kwam vervolgens tot het preliminaire oordeel dat de verzochte onmiddellijke voorzieningen niet strijdig waren met een afdwingbare overeenkomst.
Het desbetreffende oordeel van de ondernemingskamer is niet bindend in een latere procedure voor de wel bevoegde rechter (in dit geval de rechtbank). Evenwel is de kans groot dat de rechtbank het betreffende oordeel van de ondernemingskamer overneemt,4 mede gezien het feit dat de ondernemingskamer voldongen feiten creëert.