Biases in de boardroom en de raadkamer
Einde inhoudsopgave
Biases in de boardroom en de raadkamer (VDHI nr. 160) 2020/3.3.3:3.3.3 Het sociale rechtvaardigheidsargument
Biases in de boardroom en de raadkamer (VDHI nr. 160) 2020/3.3.3
3.3.3 Het sociale rechtvaardigheidsargument
Documentgegevens:
mr. drs. C.F. Perquin-Deelen, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. drs. C.F. Perquin-Deelen
- JCDI
JCDI:ADS111336:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In zijn social justice theory beschrijft Rawls hoe een rechtvaardige samenleving eruit zou moeten zien.1 Het uitdiepen van deze theorie gaat op deze plaats gelet op het doel van deze dissertatie te ver, maar ik licht enkele elementen eruit die van belang zijn in het kader van genderdiversiteit in de top.
Binnen een rechtvaardige samenleving behoort iedereen onschendbare rechten te hebben. Is sprake van bijvoorbeeld regelgeving ter regulering van rechten en plichten, dan moet deze regelgeving overeenkomen met de principes van sociale rechtvaardigheid. De principes moeten verschillen vereffenen die onder andere ontstaan door sociale en economische omstandigheden. Rawls gaat uit van twee hoofdprincipes: (1) er is een democratisch ideaal van de vrije burger; en (2) sociale en economische ongelijkheden zijn slechts dan gerechtvaardigd indien zij compenserende voordelen opleveren met name voor de groep van de minst bevoordeelden.2 Deze principes zou iedereen hanteren als zij zouden beslissen vanachter de sluier van onwetendheid: een veil of ignorance. Deze sluier maakt het individu blind voor zijn eigen positie binnen de maatschappij. Dit maakt het formuleren van objectieve principes mogelijk, in plaats van principes die zijn ingegeven vanuit de wens van het individu het zo goed mogelijk voor zichzelf te regelen.
Rawls gaat in zijn theorie niet in op zaken als gendergelijkheid. Sommigen zeggen zelfs dat zijn theorie en die van andere sociaal-contractdenkers zoals John Locke, Jean-Jacques Rousseau en Immanuel Kant, slechts één kant van de maatschappij belichten: de mannelijke kant.3 Vrouwen zijn geen onderdeel van het sociale contract. Toch kan de theorie van Rawls ook gebruikt worden ter ondersteuning van gendergelijkheid, omdat Rawls gelijkheidswaarden proclameert. Volgens zijn theorie zou onder andere rijkdom, klasse en ras ‘afgeschaft’ moeten worden. Dat zou op gelijke wijze kunnen gelden voor genderongelijkheid.4 Dit zou achter de sluier van onwetendheid voor iedereen evident moeten zijn. Het kweken van ‘evidentheid van gendergelijkheid’ zou volgens Okin beginnen bij de familie. Simpelweg: het geven van het goede voorbeeld aan een kind waardoor het kind opgroeit met gelijkwaardigheid en wederkerigheid hoog in het vaandel en niet met afhankelijkheid en mannelijke dominantie als uitgangspunten.5
Het sociale rechtvaardigheidsargument houdt voorts in dat genderdiversiteit eigenlijk geen verklaring behoeft, omdat genderdiversiteit evident zou moeten zijn, gelet op het recht van gelijke behandeling en non-discriminatie. Een benoeming van een vrouw in de top zou eigenlijk net zo min noemenswaardig moeten zijn, als een benoeming van een man in de top.6 Sommigen menen zelfs dat het gebruik van economische en functionele argumenten zoals in par. 3.3.1 en par. 3.3.2 afbreuk doet aan de kwaliteit van vrouwen. De selectie van deze vrouwen zou alleen al moeten voortvloeien uit het feit dat zij het recht hebben op gelijke behandeling. Enerzijds ben ik het hiermee eens, omdat ik meen dat sociale rechtvaardigheid boven het ‘economische resultaat’ zou moeten staan. Anderzijds, als ik dit als uitgangspunt neem, ontkracht dit het streven naar genderdiversiteit volledig voor de mensen die menen dat het economische resultaat in belangrijkheid boven sociale rechtvaardigheid staat, of anderszins menen dat genderdiversiteit in de top niet een logisch uitvloeisel is van sociale rechtvaardigheid.
Het sociale rechtvaardigheidsargument behelst tot slot het argument dat vrouwen het recht hebben op gelijke economische participatie in de maatschappij. Net zoals dat zij recht hebben op een gelijke beloning voor gelijk werk, hebben zij bovendien recht op een evenwichtige verdeling van de zetels in de top en zowel expliciet als impliciet gelijke toegang tot deze zetels.7