Einde inhoudsopgave
Recht, plicht, remedie (R&P nr. CA25) 2022/5.3.1.2
5.3.1.2 Relativiteit en rechtszekerheid
W.Th. Nuninga, datum 23-06-2022
- Datum
23-06-2022
- Auteur
W.Th. Nuninga
- JCDI
JCDI:ADS657535:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 25 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1907, NJ 1993/686, m.nt. P.A. Stein (Cijsouw/De Schelde).
HR 25 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1907, NJ 1993/686, m.nt. P.A. Stein (Cijsouw/De Schelde), r.o. 3.6.
Den Hollander 2016, p. 118-121; Lankhorst 1992, p. 117 e.v.; Jac. Hijma, annotatie bij HR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6012, NJ 2006/281 (Duwbak Linda), onder 4.
Zie bijv. Pels Rijcken 1978; Drion 1981; Bertea 2008, p. 34 e.v.; Aarnio, Alexy & Peczenik 1981, p. 133-158, 259-273 en 423-448. Zie hiervoor § 1.2.2.
Aangenomen werd dat voor de Tweede Wereldoorlog bekend was dat blootstelling aan absest kon leiden tot asbestose en dat in de jaren ’50 bekend was dat zulke blootstelling kon leiden tot longkanker. Het mesothelioom zelf was nieuw, maar was voor wat betreft de ernst en aard te vergelijken met de andere schadeposten. Zie HR 25 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1907, NJ 1993/686, m.nt. P.A. Stein (Cijsouw/De Schelde), r.o. 3.4.
Vgl. ook Van der Kooij 2019, p. 267.
Het argument dat deze manier van werking onzekerheid zou creëren is bovendien wat cynisch, aangezien de rechtszekerheid dan gebruikt wordt om te zeggen dat een werknemer in zou moeten kunnen calculeren of ook deze specifieke ziekte zich voor zou doen. Dat gaat voorbij aan het feit dat ook voor deze werkgever duidelijk was dat hij maatregelen had moeten nemen om zijn werknemers te beschermen tegen ernstige aandoeningen. De precieze medische duiding doet er dan niet zoveel toe.
HR 20 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1409, NJ 2020/233, m.nt. S.D. Lindenbergh (Alphen aan den Rijn), r.o. 3.1.6.
Ibid. r.o. 4.2.1-4.2.3.
HR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6012, NJ 2006/281, m.nt. Jac. Hijma (Duwbak Linda), r.o. 3.4.2.
Ibid. r.o. 3.4.3.
Annotator Hijma schrijft treffend: “Naar mijn gevoelen heeft hetgeen de Hoge Raad hier ‘algemene norm’ noemt nauwelijks het karakter van een norm, maar veeleer dat van een algemeen, op macroniveau geformuleerd, doel: bevordering van de veiligheid te water. Dit algemene doel geeft het speelveld aan, maar verschaft daarbinnen weinig houvast. Echt houvast kan pas ontstaan op microniveau, d.w.z. op dat van de wettelijke regeling waarin de litigieuze gedragsnorm is neergelegd (in casu het certificaat‑ en inspectiestelsel). Op dat lagere niveau immers zal het algemene doel normaliter niet over de volle breedte worden gediend of nagestreefd; veelal zal een toespitsing aan de orde zijn, aan de hand waarvan de strekking van de uiteindelijk geformuleerde norm (mede) gestalte krijgt. De Raad kan dan ook gevoeglijk worden gevolgd, waar hij het algemene niveau passeert en doorstoot naar dat der specifieke wetgeving.” Zie Jac. Hijma, annotatie bij HR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6012, NJ 2006/281 (Duwbak Linda), onder 6.
Maar het relativiteitsvereiste heeft ook iets abstracts en dat maakt haar kwetsbaar voor de kritiek dat zij vaag is en dat rechters haar als een toverspreuk kunnen inzetten en dat ook naar hartelust doen. Een voorbeeld daarvan zou het arrest Cijsouw/De Schelde kunnenzijn.1 In dat arrest oordeelde de Hoge Raad dat een door een werkgever in de jaren ’60 geschonden veiligheidsnorm strekte tot bescherming tegen de gevaren van asbest, ook als de specifieke vorm daarvan – een mesothelioom in dit geval – in de jaren ’60 nog niet bekend was.2 Dat is een lastig in te passen oordeel: zelfs als we accepteren dat relativiteit altijd een contextgebonden interpretatie is,3 dan nog blijft de vraag bestaan hoe een norm kan beschermen tegen een onbekende schadepost. Dat lijkt op het eerste gezicht niet bepaald gunstig voor de rechtszekerheid en zet het argument dat het relativiteitsvereiste uiteindelijk een juridische toverspreuk is kracht bij. Toch denk ik dat het bij nader inzien wel meevalt.
Rechtszekerheid wordt niet alleen bereikt als uitkomsten steeds perfect kunnen worden voorspeld, maar ook door duidelijk te maken waarover de discussie zal moeten gaan.4 In dit geval ging het om een zorgplicht van een werkgever tot bescherming tegen de tot dan toe bekende, ernstige gevolgen van blootstelling aan asbest.5 Dat daar achteraf een ander, minstens zo ernstig gevolg aan kon worden toegevoegd verandert aan de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de partijen niet zoveel.6 De aandoeningen zijn zeer vergelijkbaar, dus de hoogte en de reden van de schadevergoeding wijzigen niet veel.7 Met andere woorden, ondanks het feit dat deze schade niet kon worden voorzien, kan moeilijk gezegd worden dat de werkgever geconfronteerd werd met een nieuw soort verantwoordelijkheid. Dit punt kan beter worden geïllustreerd door de arresten Alphen aan den Rijn en Duwbak Linda te contrasteren.
De relativiteitsvraag in Alphen aan den Rijn kwam erop neer of de zorgvuldigheidsnormen die in acht moeten worden genomen bij de verlening van een wapenverlof behalve tot bescherming van de algemene veiligheid ook strekken tot bescherming van individuele belangen. De Hoge Raad overwoog dat:
“3.1.6 Uit [het systeem en totstandkoming van de Wet Wapens en Munitie] volgt dat verlof uitsluitend kan worden verleend, verlengd en van kracht kan blijven als, kort gezegd, duidelijk is dat dit gelet op de veiligheid verantwoord is. De bestaansgrond van dit stringente stelsel is gelegen in de risico’s die zijn verbonden aan het voorhanden hebben van vuurwapens. Gelet op deze bestaansgrond moet worden aangenomen dat de hiervoor in 3.1.4 genoemde regels niet alleen beogen de veiligheid van de samenleving in algemene zin te bevorderen – zoals het geval was met betrekking tot de regels die aan de orde waren in het hiervoor in voetnoot 3 genoemde arrest Duwbak Linda –, maar ook om te voorkomen dat individuele burgers het slachtoffer worden van vuurwapenbezit dat niet verantwoord is in de hier bedoelde zin. Verlofverlening in een geval waarin duidelijk was of had moeten zijn dat het verlof niet verantwoord was, is daarom onrechtmatig jegens slachtoffers van het daardoor mogelijk gemaakte vuurwapengebruik.”8
Uit het systeem van de Wet Wapens en Munitie leidt hij hier het doel van bescherming van individuele belangen af. Later overweegt hij zelfs dat denkbaar is dat individuele vermogensschade van winkeliers die omzet zijn misgelopen voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen.9 Dat doet hij in het kader van de leer van de redelijke toerekening, maar daar gaat de implicatie vanuit dat in ieder geval denkbaar is dat ook die schade de relativiteitstoets kan doorstaan.
In Duwbak Linda draaide het om de vraag of de in acht te nemen zorgvuldigheid bij het verlenen van certificaten voor de binnenvaart strekte tot bescherming van vermogensbelangen van derden. Het draaide in dat geval om ene Van Hasselt, wiens schip en zandinstallaties beschadigd waren geraakt als gevolg van het kapseizen en zinken van de slecht onderhouden duwbak “Linda”. Hij vorderde onder meer vergoeding van de Staat (die het certificaat verleend had) en het onderzoeksbureau (op wiens onderzoek de Staat zijn beslissing baseerde). De Hoge Raad oordeelde dat de in acht te nemen zorgvuldigheid er niet toe strekte de vermogensbelangen van derden te beschermen. In navolging van het hof oordeelde hij dat deze norm weliswaar strekte tot bescherming van het algemeen belang, maar niet tot bescherming van individuele vermogensbelangen.10 Uit het systeem van de relevante regelgeving kon niet worden afgeleid dat de Staat en het onderzoeksbureau verantwoordelijk waren geworden voor de veiligheid van het schip zelf; die verantwoordelijkheid lag nog altijd bij de eigenaar van de duwbak.11
De cynicus zal zeggen dat niet viel te voorspellen dat de norm in Alphen zich wel uitstrekt tot individuele vermogensbelangen, maar de norm in Duwbak Linda niet. Draait het immers niet in beide gevallen om ‘certificeringen ten behoeve van de algemene veiligheid’ waarvoor de Staat verantwoordelijk was? Op zichzelf is dat juist, maar daarmee wordt de materie wel erg ‘platgeslagen’. De op de politie rustende norm strekt ertoe gevaarlijke individuen geen toegang tot wapens te verschaffen en zo te voorkomen dat zij ernstige schade aanrichten. Daar hoort een hoge mate van verantwoordelijkheid bij: de gevaren zijn groot en van de politie mag worden verwacht dat zij zorg draagt voor de algemene veiligheid. De certificaatverlening in Duwbak Linda is er daarentegen veel meer op gericht om scheepseigenaren te stimuleren onderhoud te verrichten teneinde de scheepvaart veilig te houden. De verantwoordelijkheid voor degelijk onderhoud blijft hier liggen bij de scheepseigenaren. Zelfs als in algemene zin bedoeld is om met de certificeringsplicht de veiligheid van de scheepvaart te bevorderen, dan nog is niet gezegd dat de Staat ook verantwoordelijk wordt voor de belangen van iedere scheepvaartsdeelnemer.12 Anders dan in Alphen is de certificeringsplicht er niet om te garanderen dat alleen uitermate zorgvuldige scheepseigenaren mogen deelnemen aan de scheepvaart.
Op deze manier creëert de meer algemene relativiteitsgedachte dus wel degelijk een vorm van zekerheid bij toepassing van het relativiteitsvereiste. Natuurlijk vereist het een uitgebreide analyse en zullen uiteindelijk keuzes moeten worden gemaakt waarvan de uitkomst niet helemaal te voorspellen is, maar doordat duidelijk is dat moet worden gezocht naar de strekking van de norm wordt duidelijk dat partijen hun pijlen moeten richten op de mate van verantwoordelijkheid die de geschonden norm impliceert. Dat is lastig in een mechaniek te duwen waarbij steeds vooraf volledig duidelijk is welke schadesoort wel en welke schadesoort niet voor vergoeding in aanmerking komt, maar dat maakt het systeem niet onzeker. Het is voor partijen namelijk wel duidelijk waarover zij debat zullen moeten voeren. Dat tussenkomst van de rechter voor beslechting nodig is en dat de uitkomst van die beslechting vooraf niet valt te voorspellen hoeft niet problematisch te zijn. De norm biedt namelijk al heel veel informatie over langs welke lijnen dat debat zal moeten verlopen. Ook dat is een vorm van zekerheid.