Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/4.3.3.2
4.3.3.2 De wetenschap van de overheid
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS446276:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Dat verwondert overigens niet, omdat klagers met hun klacht over een bestaande aantasting doorgaans pas bij het EHRM komen nadat zij eerst bij de nationale overheid over die bestaande aantasting hebben geklaagd. Vanaf dat moment weet de nationale overheid (althans behoort zij te weten) van de bestaande aantasting en kan een gebrek aan kennis van de bestaande aantasting voor het EHRM dus geen reden meer zijn om een beroep van een burger op een vermeende schending van de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten af te wijzen.
Bij dit vereiste van kennis gaat het zowel om de daadwerkelijke subjectieve kennis van de overheid als om de geobjectiveerde kennis van de overheid. Zie in dit verband paragraaf 4.2.4.4. Hetgeen daar is opgemerkt in het kader van de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten ter voorkoming van toekomstige aantastingen geldt ook voor de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten ter beëindiging van bestaande aantastingen.
Ten aanzien van de positieve verplichting om ter voorkoming van toekomstige aantastingen van de door artikel 2evrm, artikel 8evrm en/of artikel 1ep beschermde belangen concrete handelingen te verrichten heeft het ehrm geoordeeld dat de overheid slechts gehouden is concrete handelingen te verrichten, indien zij weet of behoort te weten van een reëel en onmiddellijk gevaar voor een aantasting van een of meer van die belangen. Bij de positieve verplichting om ter beëindiging van bestaande aantastingen van die belangen concrete handelingen te verrichten heeft het ehrm bij mijn weten niet expliciet geoordeeld dat de overheid slechts concrete handelingen hoeft te verrichten, indien zij weet of behoort te weten van een bestaande aantasting.1 Ook voor de positieve verplichting om ter beëindiging van bestaande aantastingen van de door artikel 2 evrm, artikel 8 evrm en/of artikel 1 ep beschermde belangen concrete handelingen te verrichten moet echter aangenomen worden dat zij pas bestaat, indien de overheid weet of behoort te weten van zo’n bestaande aantasting. De overheid kan immers niet verweten worden dat zij geen concrete handelingen ter beëindiging van een bestaande aantasting heeft verricht, indien zij niet wist en ook niet behoefde te weten dat er zo’n aantasting was. Dit vereiste van kennis van de bestaande aantasting is derhalve een belangrijke begrenzing van de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten ter beëindiging van bestaande aantastingen.2