Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.4.2
9.4.2 De 403-vordering is geen afhankelijk recht
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648919:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Nass & Nass 2014, par. 3.1.
HR 28 juni 2002, JOR 2002/136; NJ 2002, 447, r.o. 3.4.3 en r.o. 3.4.5.
Maeijer in zijn noot bij HR 28 juni 2002 in NJ 2002/447; Beckman in Ondernemingsrecht 2002, p. 485; De Kluiver 2002 en De Neve 2002, p. 240.
Verwezen wordt naar Spierings 2012, p. 86, onder 2.1. Zie ook Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III* 2010, nr. 98 e.v. en Beckman 1995, p. 477-478. Ook in rechtspraak van lagere rechters wordt deze kwalificatie aanvaard; zie bijv. Hof Amsterdam 30 september 2010, JOR 2010/306, r.o. 3.12 en Hof ’s-Hertogenbosch 13 oktober 2009, JOR 2010/147, r.o. 4.10.1.
Ten aanzien van de discussie of een 403-vordering zou moeten worden aangemerkt als een afhankelijk recht, heeft Nass een duidelijke visie. Nass constateert dat het een uitgemaakte zaak is dat de 403-vordering niet als een afhankelijk recht kan worden gekwalificeerd:1
“Er geldt een zekere afhankelijkheid tussen de hoofdvordering en de 403-vordering, maar gezien het bovenstaande niet in de zin van accessoriteit. Zoals we hiervoor al opmerkten is deze benadering dan ook afgewezen door de Hoge Raad.”
De Hoge Raad heeft in 2002 immers ondubbelzinnig aangegeven dat een 403-vordering gekwalificeerd dient te worden als:
“een eenzijdige, niet tot een bepaalde rechtspersoon gerichte rechtshandeling op grond waarvan rechtstreekse aansprakelijkheid van de moedermaatschappij ontstaat, die geen afhankelijk recht in het leven roept.”2
Hoewel dit standpunt kritisch is ontvangen in de literatuur3 wordt de zelfstandigheid van de 403-vordering als een gegeven beschouwd.4 Dit is in lijn met de regels inzake hoofdelijkheid.