Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/2.5.3.1
2.5.3.1 Het voorlopige karakter van het rechterlijk oordeel in kort geding
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955491:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 15 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1919, NJ 1996/509, m.nt. D.W.F. Verkade, BIE 1996/118 (Procter & Gamble/Kimberly-Clark), rov. 3.4.
HR 23 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1769, NJ 1996/463, m.nt. D.W.F. Verkade, BIE 1997/41, m.nt. J. de Hullu (ARS/Organon II), rov. 3.3.3; HR 21 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1705, NJ 1996/462, m.nt. D.W.F. Verkade, BIE 1995/103 (Boehringer Mannheim/Kirin Amgen), rov. 3.4; HR 26 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2774, NJ 2002/13, BIE 2002/67, IER 2002/13 (Tetra Laval/Meyn), rov. 3.4.2.
Rb. Den Haag (vzr.) 12 mei 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:5035, BIE 2017/30 (Biogen/Celltrion), rov. 4.5; Rb. Den Haag (vzr.) 24 oktober 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:12045, JRG 2018/8 (Eli Lilly/Teva), rov. 4.3. Zie voor toepassing van het criterium in het merkenrecht: Rb. Den Haag 2 februari 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BS8759, IER 2011/35, m.nt. H.M.H. Speyart (Kamal), rov. 2.7.
Hof Den Haag 7 november 2017, ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ6268, BIE 2018/8, m.nt. H.J. Pot (Leo Pharma/Sandoz), rov. 4.37.
Visser & Dack, NJB 2023, afl. 15, p. 1228.
Rb. Den Haag 11 november 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:13017 (Searle/Sandoz), rov. 3.5.
Zie ook Bremer, BIE 2018, afl. 4, p. 174-177.
Serieuze, niet te verwaarlozen kans. Hoewel het kort geding een voorlopig karakter heeft, vindt in de praktijk een uitgebreide behandeling plaats van de merites van de zaak. Als de rechter op basis van deze behandeling concludeert dat de inbreuk zeker lijkt en hij over de geldigheid van het recht geen twijfels heeft, dan zal hij het verbod in de regel toewijzen.1 Bestaat er daarentegen een gerede kans dat het recht ongeldig zal worden bevonden in een bodemprocedure of dat het inbreukoordeel daar geen stand zal houden, dan wordt het verbod in de regel afgewezen.2 Met betrekking tot de gerede kans op ongeldigheid wordt in de lagere rechtspraak ook wel gesproken van een ‘serieuze, niet te verwaarlozen kans’.3 Een loutere mogelijkheid van ongeldigheid is onvoldoende om te kunnen spreken van een zodanige waarschijnlijkheid, maar een kennelijke misslag of een novum is evenmin vereist.4 Met dit criterium lijkt Nederland enigszins uit de pas te lopen met andere landen, waar over het algemeen een vermoeden van geldigheid gehuldigd wordt.5 Bij het voorlopige geldigheidsoordeel vindt echter wel enige afstemming plaats met uitspraken van buitenlandse rechters.6 Als een gezaghebbende octrooirechter een octrooi geldig of juist nietig heeft verklaard, is de kans klein dat de voorzieningenrechter op basis van dezelfde feiten en argumenten anders zal oordelen.7