Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/6.4.1
6.4.1 De invloed van Europees resp. nationaal recht op de wijze van inpassing (C en E)
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS498468:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Inbreukprocedures betroffen andere richtlijnbepalingen dan art. 3 lid 1, te weten art. 5, 6 lid 2 en de lijst.
Mak 2008, p. 7-8, met verwijzing naar Rott 2005, p. 8.
Onduidelijk in dit opzicht is of de Commissie het risico heeft ingezien dat in lidstaten waar de goede trouw niet als een inhoudelijk `critère objectif d'équilibre (balance) du contrat' wordt beschouwd de vaststelling van de verstoring een vrij abstract en sterk inhoudelijk karakter kan dragen. Het niet-optreden tegen de zeven lidstaten die het goede trouw-criterium niet hebben omgezet bevestigt m.i. dat de Commissie de goede trouw een ondergeschikte ml toekent.
Het criterium van economisch machtsmisbruik werd al t.t.v. de 'oude' toets geobjectiveerd door de Cour de cassation. De heersende opinie in Frankrijk luidt dat de strijd met de goede trouw inherent is aan de aanzienlijke verstoring en niet apart hoeft te worden bewezen. Calais-Auloy 2006, p. 192. Vgl. Tenreiro en Ferioli 1999, p. 7.
HvJ EG 7 mei 2002, nr. C-478/99, Jur. 2002, p. 1-4147(Commissie/Zweden).
Cass. Civ. 1' 6 januari 1994, nr. 91-19424, Bull. civ. 1994 I, nr. 8, p. 6.
Mede gelet op het open, subjectieve karakter van het economisch machtsmisbruik-criterium uit art. 35 loi Scrivener. Terré, Simler en Lequette 2005, nr. 324.
Nebbia 2004, p. 181. 'A duty to negotiate in good jaith is (...) inherently inconsistent with the position of a negotiating party': Walford/Miles [1992] 2 AC 128.
Hodgkinson 1999.
Wissink 2001, nr. 376.
Jongeneel 1993, p. 120-121; Wessels en Jongeneel 1997, nr. 19-20 en 150-151; Wissink 2001, nr. 376 onder b. De overeenstemming van de Europese en de Nederlandse norm werd ondanks de in hoofdstuk 2 uiteengezette onduidelijkheden opvallend snel aangenomen. Men zou niet te snel mogen aannemen dat het nationale recht en de richtlijn steeds zullen samenvallen, zolang het HvJ de norm nog niet heeft uitgelegd. Wanneer de gelijkenis te snel wordt aangenomen verdwijnt bovendien iedere prikkel tot het stellen van prejudiciële vragen.
Vgl. Wissink 2001, nr. 376 en 480.
Europese invloed
385. De Commissie en het HvJ hebben de nationale keuzes bij de omzetting van de hoofdnorm nauwelijks gestuurd.1 Zij hebben zich opvallend weinig bemoeid met de omzetting van de open norm, ervan uitgaand dat een letterlijke omzetting de richtlijnconforme uitleg hiervan vergemakkelijkt.2
Door geen inbreukprocedure in te stellen tegen die lidstaten die de goede trouw niet als een apart criterium hebben omgezet, heeft de Commissie een duidelijke stempel op de Franse toets gedrukt. Het weglaten van de goede trouw uit art. 3 lid 1 richtlijn door de Franse wetgever was kennelijk toegestaan.3 De strijd met de (subjectieve) goede trouw wordt door de Franse wetgever als inherent beschouwd aan de aanzienlijke verstoring en deze zienswijze vindt steun in die van de Commissie.4
De omzetting van de centrale open norm is in geen enkele inbreukprocedure aan de orde geweest. De implementatie in de verschillende landen was kennelijk correct. Daarnaast bleek de omzetting van de lijst in de nationale wet niet noodzakelijk.5Art. 8 richtlijn heeft ertoe geleid dat nationale grijze en zwarte lijsten en andere verbodsbepalingen in stand mochten blijven.
Nationale invloed
386. Bij de inpassing van de richtlijn in het nationale recht is, gelet op de geringe Europese sturing, een sterke invloed uitgegaan van de bestaande regelgeving en jurisprudentie met betrekking tot oneerlijke contractsbedingen.
In Nederland heeft de wetgever de richtlijn omgezet aan de hand van de bestaande regeling (inclusief gezichtspunten en lijst). In Frankrijk is gebruikgemaakt van het bestaande art. L.132-1 C.conso. Het bestaande 'economische machtsmisbruik'-criterium werd in de rechtspraak van de Cour de cassation volledig geabstraheerd.6 De keuze voor het weglaten van de goede trouw heeft deze situatie 'gecodificeerd'. In Engeland kan het feit dat de gezichtspunten uit ov. 16 considerans in de UTCCR 1994 zijn omgezet, worden verklaard doordat deze overeenkomen met de gezichtspunten uit de UCTA 1977 en de common law.
387. Ook van invloed op de wijze van omzetting is de vertrouwdheid met open normen naar nationaal recht. Zo heeft de nationale 'afkeer' van open normen en normatieve gezichtspunten duidelijk impact gehad op de omzetting in Frankrijk, waar het goede trouw-criterium buiten de toets is gelaten.
De Franse wetgever wilde een 'cumulatieve' toets voorkomen bestaande uit enerzijds een inhoudelijk en anderzijds een open subjectief criterium betreffende het gedrag van de gebruiker, dat veel rechtsonzekerheid zou scheppen.7
Hoewel de Engelse onbekendheid met, en zelfs afkeer van een algemeen goede trouw-beginsel 8 het omzetten van het criterium in de UTCCR 1999 niet heeft tegengehouden, worstelde de wetgever met de manier waarop die omzetting plaats zou moeten vinden.
De omzetting van het goede trouw-criterium ging aanvankelijk gepaard met die van ov. 16 considerans, waarin de bekende, uit de UCTA 1977 en common law afkomstige, gezichtspunten zijn opgenomen. Deze gezichtspunten zouden de rechter vertrouwd maken met het criterium, Echter, deze gezichtspunten zijn in 1999 weer geschrapt, omdat zij te zeer de nadruk op de goede trouw zouden leggen.9
De vertrouwdheid met open normen is evenzeer een reden voor de wetgever om de open norm uit de richtlijn niet over te nemen. In Nederland leefde de opvatting dat de bestaande nationale norm, hoewel anders geformuleerd, en de richtlijnnorm `inwisselbaar' zijn.10 De bestaande norm zou de rechter de mogelijkheid bieden om de nationale norm naar de Europese te modelleren.
Nederland beschikte al over een inhoudstoets in het pas vernieuwde BW en zag geen aanleiding om de criteria uit de richtlijn hierin op te nemen. De wetgever was van meet af aan overtuigd van de inhoudelijke gelijkenis tussen de normen. De literatuur onderschreef deze zienswijze.11 De concreetheid van de toets werd later inderdaad aangemoedigd door het HvJ. Het gladstrijken van verschillen tussen richtlijn en nationaal recht in het kader van de open norm betreft slechts de verschillen tussen de Europese en Nederlandse lijsten.
Een open norm leent zich goed voor een richtlijnconforme interpretatie, mits de rechter hiertoe bereid is, en er voldoende Europese sturing voorhanden is. Omdat dit laatste, zo bleek (par. 6.3.1), niet het geval is, ontstaat er een risico op 'ruis' .12