De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/11.3.2:11.3.2 Algemeen: geen beslechting van vermogensrechtelijke geschillen
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/11.3.2
11.3.2 Algemeen: geen beslechting van vermogensrechtelijke geschillen
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS372122:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 2.2.4 en 8.4.4.
Zie par. 16.4.2.
Zie par. 14.2.2.3 en 14.5 over de vraag in welke gevallen dat zo is.
Zie Compendium 2013, p. 304. Vgl. HR 19 oktober 2001, JOR 2002/1 m.nt. Blanco Fernandez (Utrechts Monumentenfonds). Vgl. ook Vgl. art. 2:135/245 lid 4 BW jo. art. 2:130/140 lid 1 BW in combinatie met Hof Amsterdam (OK) 22 maart 2002, JOR 2002/82 m.nt. Van den Ingh (RNA) en 6 juli 2006, ARO 2006/137 (TCA).
Zie par. 8.5.2.2 en 8.5.5.
Zie par. 10.4.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De enquêteprocedure is niet de procedure om een veroordeling tot een geven, doen of nalaten op grond van een overeenkomst uit te lokken.1 Om dezelfde reden behoort het niet tot de competentie van de ondernemingskamer om declaratoire uitspraken te doen over het al dan niet bestaan van een dergelijke verplichting. Datzelfde geldt voor declaratoire uitspraken over de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen. Daarnaast kan de ondernemingskamer niet vaststellen dat de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (van art. 6:248 BW) in de weg staat aan een beroep op een overeenkomst. Tevens behoort het niet tot de competentie van de ondernemingskamer om een overeenkomst te vernietigen, ontbinden, de rechtsgevolgen daarvan te wijzigen, of vast te stellen of een overeenkomst op rechtsgeldige wijze buitengerechtelijk is vernietigd, ontbonden, of bevoegd is opgeschort. Los van het feit, dat dit alles behoort tot de competentie van de gewone civiele rechter, zijn hiervoor de volgende redenen.
De hierboven genoemde dicta komen niet voor in de limitatieve opsomming van eindvoorzieningen in art. 2:356 BW. De in art. 2:356 BW genoemde eindvoorzieningen hebben ook geen primaire of secundaire gevolgen voor de rechtsgeldigheid of afdwingbaarheid van overeenkomsten. Een tertiair gevolg van eindvoorzieningen kan echter wel zijn dat een overeenkomst niet meer rechtsgeldig of afdwingbaar is. Ten eerste kan dat in de desbetreffende overeenkomst zelf zijn vastgelegd. In een managementovereenkomst kan bijvoorbeeld zijn vastgelegd dat deze eindigt, indien de desbetreffende bestuurder is ontslagen, of geen recht heeft op managementvergoeding als de bestuurder is geschorst. Indien iets dergelijks niet (expliciet) in de managementovereenkomst is vastgelegd, kunnen dergelijke tertiaire rechtsgevolgen mogelijk van rechtswege optreden.2 Ten derde zij gewezen op de vernietiging van een besluit met externe werking. De vernietiging van dat besluit kan dan het aangaan van de overeenkomst aantasten.3 Gedacht kan worden aan het geval dat een overeenkomst is aangegaan door middel van een besluit met direct externe werking,4 of indien de vraag of de rechtspersoon rechtsgeldig werd vertegenwoordigd bij het aangaan van de desbetreffende overeenkomst afhankelijk is van het bestaan van een besluit met indirect externe werking.5
Indien de (rechts)gevolgen van eindvoorzieningen zich niet uitstrekken tot de rechtsgeldigheid en afdwingbaarheid van overeenkomsten, lijkt het ook niet mogelijk om in te grijpen in contractuele verhoudingen door middel van het regelen van de gevolgen van eindvoorzieningen.6
De in de eerste alinea van deze paragraaf genoemde dicta zijn ook niet mogelijk bij onmiddellijke voorziening. Het gaat steeds om maatregelen die niet van tijdelijke aard zijn, maar om declaratoire of constitutieve dicta.
Er is geen grondslag om af te wijken van de hierboven beschreven bevoegdheidsregels.7 Ook art. 2:8 lid 2 BW biedt geen basis om af te wijken van de in het civiele recht geldende absolute bevoegdheidsregels.