Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/3.3.1.4
3.3.1.4 De zaak H3g
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS500253:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Al kunnen ook goederen terstond worden verbruikt. Te denken valt aan de situatie waarin een ondernemer goederen afneemt die worden verwerkt in een ander product (denk aan grondstoffen), worden ‘geconsumeerd’ (denk aan etenswaren) of worden gestolen en niet meer voor retournering vatbaar zijn. En wat te denken van goederen die in gebruikte staat door de leverancier worden teruggenomen? Ook in dat geval zal sprake zijn geweest van enige mate van verbruik. Op de gedachte dat diensten vaak terstond worden verbruikt zijn overigens uitzonderingen denkbaar, bijvoorbeeld indien een dienst bestaat in de overdracht van een immaterieel actief (zoals intellectuele eigendom), in het nalaten of niet-doen.
De reikwijdte van de categorie van annulering, verbreking en ontbinding stond ook centraal in de bij het HvJ aanhangig gemaakte zaak H3g. H3g is een Italiaanse ondernemer die zich toelegt op het verrichten van telecommunicatiediensten. H3g confronteerde niet-betalende klanten na verloop van tijd met ontbinding van de abonnementsovereenkomst. H3g stuurde haar klanten daarop creditfacturen, waarin de door H3g voldane maar niet door de wanbetalende klanten betaalde btw was opgenomen. De btw had betrekking op telecommunicatiediensten die reeds door H3g aan de klanten waren verricht. H3g vroeg daarop om teruggaaf van de betreffende btw met als motivering dat de overeenkomst was ontbonden. Onder de Italiaanse wetgeving gaf ontbinding van de overeenkomst namelijk aanleiding tot vermindering van de maatstaf van heffing. De Italiaanse belastingdienst kon zich evenwel niet met het standpunt van H3g verenigen en stelde dat de ‘ontbinding’ niet had plaatsgevonden en deze derhalve geen rechtsgevolgen had. Volgens de belastingdienst kon van een ontbinding geen sprake zijn, omdat zij geen terugwerkende kracht kon hebben: de door H3g verrichte prestaties waren eenmaal verricht en door de klanten genoten. De belastingdienst stelt zich daarmee in feite op het standpunt dat partijen zich simpelweg niet meer in de situatie zouden kunnen gaan bevinden, waarin zij zich vóór sluiting van de overeenkomst bevonden. Zoals volgt uit de hiervoor aangehaalde jurisprudentie is dit namelijk voorwaarde om de maatstaf van heffing te kunnen verlagen op de grond van annulering, verbreking en ontbinding. Om voor teruggaaf van btw in aanmerking te komen had H3g volgens de Italiaanse fiscus derhalve moeten aantonen dat de door haar klanten verschuldigde bedragen definitief als oninbaar moesten worden beschouwd, zodat teruggaaf van btw kon worden gestoeld op de grond van niet-betaling. Hierin was H3g volgens de belastingdienst niet geslaagd. H3g stelde daarentegen dat de ontbinding wel degelijk terugwerkende kracht kende en dat de definitieve oninbaarheid van de vorderingen wél was aangetoond. Het geschil belandde uiteindelijk op het bureau van de Italiaanse rechter, die besloot het HvJ prejudiciële vragen te stellen over de reikwijdte van art. 90 lid 1 Btw-richtlijn. De centrale vraag was of sprake kan zijn van annulering, verbreking of ontbinding, daar waar het gaat om diensten die reeds volledig genoten zijn.
Voordat het HvJ zich over de zaak heeft kunnen buigen, heeft de verwijzende recht het verzoek om een prejudiciële beslissing ingetrokken en is de zaak bij beschikking van 18 mei 2017 doorgehaald in de registers van het HvJ. Mij is niet duidelijk geworden wat aan bedoeld verzoek ten grondslag heeft gelegen. Het zou kunnen dat de Italiaanse rechter heeft willen ‘meeliften’ op een andere bij het HvJ aanhangige zaak, zoals die hierboven besproken zaak Lombard, waarin het HvJ terugwerkende kracht van de categorie ‘annulering, verbreking en ontbinding’ accepteerde. Toch doet zich in de zaak H3g een wezenlijk verschil met de andere hierboven besproken zaken voor, en dat is dat in de zaak H3g de verrichting van een dienst centraal stond, in plaats van de levering van een goed. Naar mijn idee is het veelal de aard van de dienst, die zich (meer dan bij goederenleveringen het geval) tegen het terugplaatsen in de oorspronkelijke toestand verzet. Diensten lenen zich immers niet vaak om te worden geretourneerd, nu zij – indien eenmaal verricht – veelal terstond door de afnemer worden verbruikt.1 Ik kan mij zo voorstellen dat de in het geding zijnde telecommunicatiediensten reeds door de niet-betalende klant zijn genoten, bijvoorbeeld omdat zij onder het abonnement hebben gebeld of gebruik hebben gemaakt van (internet)dataverkeer. Ik zou derhalve menen dat het gelijk op het eerste gezicht aan de Italiaanse belastingdienst was. Een (bevestigende) uitspraak van het HvJ was evenwel bijzonder welkom geweest.