Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.10.3:7.3.10.3 Beoordeling van enkele rechtstheoretische aspecten
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/7.3.10.3
7.3.10.3 Beoordeling van enkele rechtstheoretische aspecten
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS604179:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Deelnemingsvrijstelling
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals ik in paragraaf 7.3.1 heb beschreven, is het begrip ‘groep’ in de zin van art. 2:24b BW naar mijn mening voldoende rechtsvormneutraal, omdat het hierbij gaat om rechtspersonen en vennootschappen die in een economische eenheid organisatorisch met elkaar zijn verbonden.
Naar mijn mening is er echter geen noodzaak om voor de thin-capmaatregel uit te gaan van het groepsbegrip. Zoals door Kavelaars en Smittenberg is opgemerkt, meen ik dat beter het begrip ‘verbonden lichaam’ van art. 10a lid 4 Wet VPB 1969 kan worden gehanteerd. Dit begrip is juist ontworpen om te dienen in een antimisbruikbepaling zoals bedoeld in art. 10d Wet VPB 1969.
De keuze voor het begrip ‘groep’ in art. 10d lid 5 Wet VPB 1969 is blijkbaar als een gunst van de wetgever bedoeld, namelijk voor het gebruik van de commerciële cijfers bij de concernratiotoets. In zoverre begrijp ik het gebruik van het groepsbegrip. Echter, zoals ik hiervoor heb aangetoond, voorkomt het groepsbegrip hierbij niet alle uitvoeringsproblemen. Aangezien het bovendien een onduidelijk begrip is, past het niet goed bij de bedoelde facilitaire functie. Naar mijn mening zou daarom voor de concernratiotoets beter kunnen worden aangesloten bij het concernbegrip dat ik in paragraaf 7.3.3 heb geschetst ten aanzien van de afschrijvingsfaciliteit van art. 8 lid 6a onderdeel a Wet VPB 1969.