Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/6.6.a
6.6.a Recht op beroep
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS608336:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Paragraaf 3.10c.
CRM 27 juli 2010, nr. 1797/2008, NJ 2012/305, m.nt. Schalken (Mennen/Nederland), zie ook paragraaf 3.10d.
Paragraaf 3.9a en 3.9b.
CRM 27 juli 2010, nr. 1797/2008, NJ 2012/305, m.nt. Schalken (Mennen/Nederland); zie ook Paragraaf 3.10d.
Het CRM acht kennelijk niet van belang dat de verdediging om de uitwerking van het mondeling vonnis kan verzoeken op grond van art. 378 lid 2 onderdeel b Sv, vgl. Rb. Den Haag 15 april 2015, ECLI:4854.
CRM 24 juli 2014, nr. 2097/2011 (Timmer/Nederland).
Aldus ook Van Kempen & Pesselse 2014, p. 93.
Paragraaf 3.10c.
Zie Paragraaf 3.10c.
Een verlofstelsel in hoger beroep hoeft als zodanig niet in strijd te zijn met het recht op beroep uit artikel 14 lid 5 IVBPR. Ook een verlofstelsel geldt in beginsel als vorm van review door een hogere rechter. De Nederlandse wetgever is daarvan ook uitgegaan.1 Volgens de jurisprudentie van het Comité voor de Rechten van de Mens zijn daarbij evenwel enkele voorwaarden cruciaal. De wetgever geeft er geen blijk van zich ook dat te hebben gerealiseerd.
Een verlofstelsel blijft namelijk ten eerste enkel binnen de grenzen van artikel 14 lid 5 IVBPR zolang “the examination of an application for leave to appeal entails a full review, that is, both on the basis of the evidence and of the law, of the conviction and sentence and as long as the procedure allows for due consideration of the nature of the case”.2 Of het Nederlandse verlofstelsel deze toets doorstaat is in twee zaken aan het toezichthoudende CRM voorgelegd. In de zaak Mennen/Nederland staat het afgewezen verlofverzoek van een voor artikel 184 Sr veroordeelde Betuwelijndemonstrant centraal. In zijn opvatting over deze zaak onderstreept het CRM dat een strafzaak bij herbeoordeling in beroep, ook in het kader van een verlofstelsel, “must be examined on its merits, taking into consideration on the one hand the evidence presented before the first instance judge, and on the other hand the conduct of the trial on the basis of the legal provisions applicable to the case in question”.3 De motivering van de voorliggende verlofbeslissing, die bestaat uit de standaardformulering dat het belang van een goede rechtsbedeling niet vereist dat verlof wordt verleend, doet het Comité te sterk vermoeden dat het vereiste full review niet heeft plaatsgevonden. Dit wijst erop dat de verlofrechter in elk geval de beschikking moet hebben over stukken die noodzakelijk zijn om inhoud te kunnen geven aan het full review-vereiste. Die controle behoort blijkens het oordeel van het Comité in Mennen/Nederland in elk geval te steunen op de inhoud van de zaak, waarbij er aandacht dient te zijn voor zowel het in eerste aanleg overgelegde (ontlastende) bewijsmateriaal als het procesverloop op basis van de in de desbetreffende zaak toepasselijke wetsbepalingen.
Ten tweede kraakt het CRM de toepassing van artikel 410a Sv in Mennen/ Nederland nog op een ander – samenhangend – punt. Het Comité eist op basis van artikel 14 lid 5 IVBPR dat de veroordeelde ten behoeve van adequate voorbereiding op het beroep “within a reasonable time” in beginsel moet kunnen beschikken over “access to written judgments, duly reasoned, for all instances of appeal”.4 Volgens het Comité ontbrak het Mennen aan die mogelijkheid.5 Naast de verlofrechter moet dus ook de verdediging kunnen beschikken over de voor de verlofbeoordeling relevante stukken.6 In de latere zaak Timmer/ Nederland is een vergelijkbaar oordeel uitgesproken.7
Uit beide zaken volgen samengevat twee eisen aan een verlofstelsel in hoger beroep: fatsoenlijke beoordeling van (in elk geval de aangedragen bezwaren over) de strafzaak in eerste aanleg, zowel de inhoudelijke als de procedurele kant ervan, en beschikbaarheid van stukken teneinde een adequate voorbereiding op het appel en beoordeling van het verlof te faciliteren. Aan beide eisen kan het Nederlandse verlofstelsel niet voldoen zolang het mede gevoed wordt met zaken die slechts een stempelvonnis hebben opgeleverd.8
Uit andere jurisprudentie van het CRM blijkt dat de beschikbaarheid van stukken uit eerste aanleg, degelijk inhoudelijke toegangsbeoordeling in hoger beroep en duidelijke motivering van de verlofbeslissing mogelijk niet voldoende zijn om de toets van artikel 14 lid 5 IVBPR te doorstaan. Anders geformuleerd: zelfs als het verlofstelsel in hoger beroep in de praktijk in overeenstemming met de rechtspraak uit Mennen/Nederland en Timmer/Nederland zou worden toegepast, rijst de vraag of aan de eisen van het recht op beroep wordt voldaan. In enkele zaken tegen Noorwegen heeft het CRM namelijk belang eraan gehecht dat de inhoudelijke toegangsbeoordeling in hoger beroep door meerdere raadsheren op basis van unanieme besluitvorming plaatsvond én tegen de verlofbeslissing beroep openstond.9 Beide omstandigheden kunnen zich in Nederland niet voordoen omdat tegen het oordeel van de alleensprekende verlofvoorzitter geen cassatie openstaat. Kortom, ook als met het verlofstelsel in hoger beroep zeer terughoudend en voorzichtig wordt omgesprongen en slechts in uitzonderingsgevallen deugdelijk gemotiveerd verlof wordt geweigerd, loopt Nederland het risico op overtreding van artikel 14 lid 5 IVBPR zoals uitgelegd door het CRM.
De kans dat ook het EHRM het Nederlandse verlofstelsel in hoger beroep in strijd acht met het recht op beroep uit artikel 2P7 EVRM is onder de huidige stand van de rechtspraak van het Hof nihil, daargelaten Nederland het Zevende Protocol nog niet heeft geratificeerd. Het EHRM benadrukt namelijk dat een verlofstelsel op zichzelf niet in strijd met artikel 2 P7 EVRM is en als zodanig (zonder meer) een vorm van review is in de zin van het verdrag. Het laat daarbij aan de staten zeer veel ruimte, eisen aan de aard en omvang van toetsing stelt het niet.10 Bovendien vereist artikel 2 P7 EVRM niet de beschikbaarheid van stukken uit eerdere aanleg.