Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/4.2.6
4.2.6 Bewijsgaring
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940305:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de achtergrond hiervan Nijboer 2011, p. 68 en Knigge 1998, p. 126. Zie over het opsporingsonderzoek zelf nader Corstens/Borgers 2014, hoofdstuk X. De bewijsgaring kan uiteraard ook plaatsvinden tijdens het onderzoek ter terechtzitting (denk met name aan verklaringen van de verdachte of van getuigen), waarover nader in paragraaf 4.2.7 hierna.
Op het strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs en de voorwaarden die daarbij gelden, ga ik in de paragrafen 7.3.6.2.2 en 7.3.6.2.3 inhoudelijk in.
Een beschouwing over de rechtstheoretische achtergrond en rechtvaardiging van deze sanctie is te vinden in Knigge 1998, p. 160-163.
Zie hierover nader Corstens/Borgers 2014, p. 816 e.v..
HR 26 juni 1962 (strafkamer), NJ 1962, 470.
Verreweg het meeste bewijs wordt verzameld tijdens het opsporingsonderzoek.1 Die vergaring kan echter onrechtmatig zijn, bijvoorbeeld omdat de wijze van vergaring in strijd is met de wet of met een door het EVRM beschermde waarborg.2 De wet bepaalt – in oplopende volgorde van zwaarte – de mogelijke gevolgen van dergelijk onrechtmatig verkregen bewijs:3
Compensatie door middel van strafvermindering;
Uitsluiting van het onrechtmatig verkregen bewijs;4
Niet-ontvankelijkverklaring van het OM, ingeval van strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde.
Hieruit volgt dus bijvoorbeeld dat minder ernstige onrechtmatigheden niet per se tot bewijsuitsluiting hoeven te leiden. De rechter is vrij om te bepalen of, en zo ja, welke sanctie hij in een concreet geval passend acht.5 De wet geeft hem daarbij slechts enkele aanknopingspunten ter afweging, zoals het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van de schending en het daardoor berokkende nadeel.6 De onrechtmatige verkrijging is op zichzelf niet doorslaggevend. Waar het om gaat, is of het vervolgens gebruiken van het onrechtmatig verkregen materiaal zou betekenen dat (bijvoorbeeld) de goede procesorde wordt geschonden.7