Staatsblad 2012/275, Wet van 18 juni 2012 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met een hervorming van de regeling betreffende herziening ten voordele van de gewezen verdachte (‘Wet hervorming herziening ten voordele’).
HR, 25-06-2013, nr. 13/00067 H
ECLI:NL:HR:2013:73
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-06-2013
- Zaaknummer
13/00067 H
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:73, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 25‑06‑2013; (Herziening)
Beroepschrift, Hoge Raad, 14‑12‑2012
- Vindplaatsen
NJ 2013/548 met annotatie van T.M. Schalken
Uitspraak 25‑06‑2013
Inhoudsindicatie
Herziening. Dienstweigering. Nederlands-Indië. Nu de Wet van 23 juli 1923, Stb. 357 een uitputtende regeling geeft voor de erkenning van gewetensbezwaren, is geen plaats voor andere gewetensbezwaren als strafuitsluitingsgrond, zoals de Hoge Raad nadien, aangaande de Wet Gewetensbezwaren Militaire Dienst (Stb. 1962, 370) en in overeenstemming met eerdere rechtspraak aangaande wettelijke ontheffingsmogelijkheden i.v.m. gewetensbezwaren, heeft beslist, HR NJ 1989/109. De mede aan de aanvraag ten grondslag gelegde omstandigheid dat de maatschappelijke opvattingen omtrent de strafwaardigheid van de bewezenverklaarde gedraging na het onherroepelijk worden van de veroordeling zijn gewijzigd, kan niet worden aangemerkt als een voor herziening vereist (nieuw) “gegeven”. Indien en voor zover een dergelijke wijziging van de opvatting leidt tot een maatschappelijk breed gedragen wens dat de gevolgen van een dergelijke veroordeling worden geredresseerd, is het niet aan de herzieningsrechter, maar aan de politieke en wetgevende organen te beoordelen of, en zo ja op welke wijze aan die wens kan worden tegemoetgekomen.
Partij(en)
25 juni 2013
Strafkamer
nr. 13/00067 H
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegane sententie van het Hoog Militair Gerechtshof te 's-Gravenhage van 9 januari 1951, nummer 212/50, ingediend door mr. L. Zegveld en mr. B. Vossenberg, beiden advocaat te Amsterdam,namens:
[aanvrager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1925.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hoog Militair Gerechtshof heeft in hoger beroep bevestigd een vonnis van de Krijgsraad te Velde-West van 11 oktober 1950, waarbij de aanvrager ter zake van "desertie in tijd van oorlog gepleegd" is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren en zes maanden, met ontslag uit de militaire dienst zonder ontzetting van de bevoegdheid om bij de gewapende macht te dienen.
2. De aanvraag tot herziening
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De aanvraag is mondeling toegelicht. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van de nadien binnengekomen correspondentie met betrekking tot deze aanvraag.
3. Beoordeling van de aanvraag
3.1.
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
3.2.
De aanvraag berust op de stelling dat het ernstige vermoeden bestaat dat, indien de rechter die de veroordelende uitspraak heeft gewezen in volle omvang bekend was geweest met nieuwe historische gegevens over de aard van het Nederlandse militaire ingrijpen in het voormalige Nederlands-Indië die in de loop der jaren zijn bekend geworden en met de thans daaraan ontleende wetenschappelijke en maatschappelijke inzichten, hij wegens het bestaan van ernstige (politieke) gewetensbezwaren, een strafuitsluitingsgrond zou hebben aangenomen en de aanvrager zou hebben ontslagen van alle rechtsvervolging.
De aanvraag steunt tevens op de stelling dat het ernstige vermoeden bestaat dat het Openbaar Ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk zou zijn verklaard. Tijdens de mondelinge toelichting hebben de raadslieden van de aanvrager de aanvraag in zoverre ingetrokken.
3.3.
Uit de ten tijde van de berechting van de aanvrager van kracht zijnde Wet van 23 juli 1923, Stb. 357, betreffende dienstweigering, die een uitputtende regeling geeft voor de erkenning van gewetensbezwaren, moet worden afgeleid dat de wetgever destijds slechts heeft willen weten van gewetensbezwaren van de militair die voortvloeien uit "zijn overtuiging dat hij den evenmensch niet mag dooden". Dat brengt mee dat dan geen plaats meer is voor andere gewetensbezwaren als strafuitsluitingsgrond, zoals de Hoge Raad nadien, aangaande de Wet Gewetensbezwaren Militaire Dienst (Stb. 1962, 370) en in overeenstemming met eerdere rechtspraak aangaande wettelijke ontheffingsmogelijkheden in verband met gewetensbezwaren, heeft beslist bij arrest van 9 februari 1988, LJN AC0740, NJ 1989/109.
3.4.
Opmerking verdient nog dat de mede aan de aanvraag ten grondslag gelegde omstandigheid dat de maatschappelijke opvattingen omtrent de strafwaardigheid van de bewezenverklaarde gedraging na het onherroepelijk worden van de veroordeling zijn gewijzigd, niet kan worden aangemerkt als een voor herziening vereist (nieuw) "gegeven" als hiervoor onder 3.1 bedoeld.
Indien en voor zover een dergelijke wijziging van opvatting leidt tot een maatschappelijk voldoende breed gedragen wens dat de gevolgen van een dergelijke veroordeling worden geredresseerd, is het niet aan de herzieningsrechter, maar aan de politieke en wetgevende organen te beoordelen of, en zo ja op welke wijze aan die wens kan worden tegemoetgekomen.
3.5.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de aanvraag kennelijk ongegrond is, zodat als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, J.W. Ilsink, N. Jörg en V. van den Brink in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juni 2013.
Mr. Balkema en mr. Ilsink zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.
Beroepschrift 14‑12‑2012
Hoge Raad der Nederlanden
Strafgriffie
's‑Gravenhage
Verzoekschrift Herziening Ex Art. 457 Sv1.
Namens mijn cliënten de heer [cliënt 1], geboren [geboortedatum] 1929 te [geboorteplaats] (hierna: [cliënt 1]) en de heer [cliënt 2], geboren [geboortedatum] 1925 te [geboorteplaats] (hierna: [cliënt 2]). voor deze aangelegenheid woonplaats kiezende aan de Keizersgracht 560–562, 1017 EM te Amsterdam, op het kantoor van hun raadsvrouwen mr Liesbeth Zegveld en mr Brechtje Vossenberg (ondergetekenden) door hen bepaaldelijk gevolmachtigd tot het opstellen, ondertekenen en indienen van dit verzoekschrift, verzoeken wij u tot herziening van de hierna genoemde strafrechtelijke uitspraken te bevelen wegens het bestaan van een novum in de zin van art. 457 lid 1 sub c Sv:
- I.
De uitspraak (sententie) van 3 mei 1950. door het Hoog Militair Gerechtshof gewezen in de strafzaak met rolnummer 41/50 waarbij [cliënt 1] werd veroordeeld tot 3 jaar en 6 maanden gevangenisstraf wegens overtreding van artikel 114 van het Wetboek van Militair Strafrecht (oud) (bijlage 1):2. als bijkomende straf werd hij op last van de Minister van Justitie tot 5 september 1955 uitgesloten van de uitoefening van het kiesrecht (bijlage 2)
- II.
De uitspraak (sententie) van 9 januari 1951, door het Hoog Militair Gerechtshof gewezen in de strafzaak met rolnummer 212/50 waarbij [cliënt 2] werd veroordeeld tot 2 jaar gevangenisstraf voor overtreding van artikel 98 aanhef en onder (e) joartikel 98 lid 3 van het Wetboek van Militair Strafrecht (oud) (bijlage 3)3.
Nu zowel de gronden voor herziening als de relevante omstandigheden in beide strafzaken nauw samenhangen, is gekozen voor een gezamenlijk verzoek tot herziening.
Ter toelichting dient het navolgende.
Inhoudsopgave
1. | INLEIDING | 3 | |
[cliënt 1] | 4 | ||
[cliënt 2] | 6 | ||
Toepassingsbereik novumbegrip | 10 | ||
Enige bekendheid met feiten geen obstakel voor novum | 11 | ||
III. | NOVUM: NIEUWE FEITEN | 11 | |
Structureel geweld tijdens ‘politionele acties’ | 12 | ||
Gegeven 1: Van Rij/Stam rapport (de Celebes-affaire) | 12 | ||
Gegeven 2: de Excessennota (1969) | 13 | ||
Gegeven 3: onderzoek door Van Doorn en Hendrix | 14 | ||
Gegeven 4: uitspraak rechtbank 's‑Gravenhage Rawagedeh | 14 | ||
Gegeven 5: spijl en excuses | 15 | ||
Gegeven 6: dagvaarding inzake Celebes-affaire | 16 | ||
Kennis rechters ex tunc | 16 | ||
Ontkennende regering | 16 | ||
De Celebes-affaire | 18 | ||
De Pakisadji-affaire | 19 | ||
Achtergrond: vervolging van de Indië-deserteurs | 20 | ||
Schoonhoven en Indië(on)bereidheid | 22 | ||
Geen eerlijk proces | 23 | ||
Geen ruimte voor politieke bezwaren | 24 | ||
Indië-deserteurs en oorlogsmisdadigers | 25 | ||
Tussenconclusie | 26 | ||
IV. | ONBESTAANBAARHEID NOVUM MET GEWEZEN VONNIS | 27 | |
Strafbaarheid: de omstandigheden waaronder de daad werd gepleegd | 27 | ||
Nederlands beleid ten aanzien van gewetensbezwaren | 28 | ||
Kamervragen (voortschrijdend inzicht) | 29 | ||
Tussenconclusie: onbestaanbaarheid veroordelingen | 30 | ||
V. | EINDCONCLUSIE | 31 |
I. Inleiding
1.
Cliënten werden in 1950 respectievelijk 1951 in hoger beroep veroordeeld voor, kortgezegd, dienstweigering, omdat zij om principiële redenen weigerden in het toenmalig Nederlands-Indië te vechten in het kader van de zogenoemde politionele acties die Nederland daar tussen 1947 en 1949 uitvoerde.
2.
Cliënten weigerden om deel te nemen aan het doodschieten van onschuldige burgers:
‘Ik zou alleen naar Indonesië willen om te voorkomen dat mijn kameraden op weerloze Indonesiërs schieten.’
3.
Voor de beoordeling van de strafbaarheid van dienstweigering zijn de omstandigheden waaronder de daad werd gepleegd van belang.4. De gewetensbezwaren van cliënten vallen onder deze toets.
4.
De bezwaren van cliënten kwamen voort uit het structurele geweld dat door Nederlandse militairen in Nederlands-Indië is toegepast tegen burgers. Ten tijde van de berechting van cliënten was de militaire rechter evenwel vrijwel niets bekend over het ernstige geweld dat door Nederlandse militairen op burgere in Nederlands-Indië was uitgeoefend.
5.
Dat Nederlandse militairen oorlogsmisdrijven begingen in Nederlands-Indië, werd pas met de publicatie van de Excessennota in 1969 duidelijk. Later onderzoek heeft uitgewezen dat het daarbij ook niet ging om incidentele wandaden, maar grootschalig, systematisch optreden waaraan Nederlandse militairen niet konden ontkomen. De kans dat een militair die naar Nederlands-Indië werd uitgezonden betrokken zou raken bij dergelijk handelen was reëel.
6.
Kennis van de misdrijven begaan in 1945–1949 in Nederlands-Indië had naar alle waarschijnlijkheid geleid tot een andere rechterlijke uitspraak in de zaken van cliënten.
Immers, het kan niet van een soldaat worden verwacht dat hij zich willens en wetens in een situatie brengt waarbij er een grote kans is dat hij deel zal moeten nemen aan (oorlogs)misdaden.
7.
Derhalve is voldaan aan de vereisten van art. 457 lid 1 sub c Sv waardoor dit herzieningsverzoek voor toewijzing gereed ligt.
[cliënt 1]
8.
De heer [cliënt 1] werd door het Hoog Militair Gerechtshof op 3 mei 1950 in hoger beroep veroordeeld tot 3 jaar gevangenisstraf met aftrek voor het op 28 oktober 1949 gepleegde feit van:
Opzettelijke ongehoorzaamheid, gepleegd in tijd van oorlog, waarbij de schuldige opzettelijk in zijn ongehoorzaamheid volhardt, nadat een meerdere hem uitdrukkelijk op zijn strafbaarheid heeft gewezen.
Dit feit is strafbaar gesteld in artikel 114 van het Wetboek van Militair Strafrecht (oud — huidige artikelen 126 en 127). Hij heeft van 28 oktober 1949 tot 5 september 1952 (1043 dagen) vastgezeten in verschillende gevangenissen.
9.
[cliënt 1] was vóór zijn ‘opzettelijke ongehoorzaamheid’ reeds van 12 september tot 5 oktober 1949 om principiële redenen ongeoorloofd afwezig geweest waardoor hij zijn dienstuitzending naar Indonesië had gemist.
‘Wat moest een 20-jarige in de rimboe, in ieder geval met een legerleiding die over lijken ging en in een volkomen onbekend land. Bovendien een fervente tegenstander van de oorlog en voorstander van de onafhankelijkheidsstrijd van het volk van Indonesië.’5.
10.
Op 5 oktober 1949 meldde hij zich vrijwillig bij de Koninklijke Marechaussee. Op 7 oktober 1949 werd hij overgebracht naar Schoonhoven. Juist in deze periode veranderde kolonel [kolonel], destijds de hoogste baas in die kazerne, zijn tactiek ten aanzien van de dienstweigeraars. De mannen in Schoonhoven kregen te horen dat zij binnenkort en zonder uitzondering, op de boot naar Indië zouden worden gezet om aldaar voor de Krijgsraad te verschijnen. Dit leidde tot een korte opstand in de kazerne waaraan ook [cliënt 1] deelnam.6.
11.
Op 28 oktober 1949 weigerde hij vervolgens het nadrukkelijke bevel van eerste luitenant [eerste luitenant] om de boot [boot] op te gaan waarmee hij en andere soldaten naar Indonesië zouden worden vervoerd. De dienstweigeraars werden die avond naar Rotterdam gebracht alwaar de [boot] klaar lag voor boarding. [cliënt 1] hield zijn poot echter stijf en weigerde tot drie keer toe de boot op te gaan. Hij werd afgevoerd samen met de andere tientallen mannen die voet bij stuk hielden.7.
12.
[cliënt 1] verklaarde begin oktober 1949 dat hij niet naar Indonesië durfde en dat hij zijn moeder niet achter kon laten.8. Het ging hier evenwel om een veel voorkomende eerste reactie bij arrestatie wegens dienstweigering waar [cliënt 1] snel op terugkwam.9. In de latere fasen van zijn proces heeft [cliënt 1] zich steeds beroepen op zijn principiële bezwaren tegen uitzending naar het voormalig Nederlands-Indië gezien het geweld tegen burgers.
13.
De Krijgsraad en het Hoog Militair Gerechtshof besteedden geen aandacht aan de principiële bezwaren van cliënten en konden daar ook geen aandacht aan besteden bij gebrek aan bronnen. Zij baseerden hun oordeel onder meer op de psychiatrische rapporten.10. In het dossier van [cliënt 1] is voorts een half A4tje te vinden waarin psychiater dr. [psychiater] schrijft dat het hier ging om ‘een normaal intelligente man die om principiële redenen zijn weigering om naar de tropen te vertrekken handhaaft’.11. Tijdens zijn pro justitia verhoor op 17 januari 1950 liet [cliënt 1] inderdaad weten dat:
‘Ik heb geweigerd om aan boord te gaan omdat ik in vrede en vriendschap met de Indonesiërs wil leven. Ik ben communist. Ik zou alleen naar Indonesië willen om te voorkomen dat mijn kameraden op weerloze Indonesiërs schieten.’12.
14.
[cliënt 1] besprak zijn motivatie voor dienstweigering met zijn raadsvrouw: ‘namelijk dat Indonesië recht had op zijn onafhankelijkheid, vrij van koloniale uitbuiting, vrij van onderdrukking en dat ik mij nooit zou laten gebruiken tegen een volk dat voor zijn vrijheid vecht’.13.
15.
Ter zitting in Rotterdam hield de raadsvrouw van [cliënt 1] een betoog waarin ondermeer zijn ervaringen tijdens de Duitse bezetting de revue passeerden en het optreden van [cliënt 1] tegen het licht van de twee mislukte politionele acties werd gehouden. [cliënt 1] zelf heeft van de krijgsraad geen kans gekregen om zijn standpunt toe te lichten.
‘Na een nietszeggend prevelementje van de raadsman van de Krijgsraad werd mij bekend gemaakt dat de uitspraak over enkele uren zou plaatsvinden. Een klap met de hamer van de Auditeur en mijn zaak was beëindigd, naar mijn idee had de hele komedie niet langer dan 20 minuten in beslag genomen. Ik had mij de vorige avond voor niets ingespannen om voor de raad blijk te geven van mijn opvatting ten aanzien van de regeringspolitiek, die met geen woord repte over de praktijken van een Nederlandse commandant op Zuid-Celebes waarbij duizenden Indonesiërs werden vermoord (…) Ik werd weer afgevoerd en gelijk een lopende band werd de laatste alweer naar binnen geleid. Om even voor twaalf uur was het vonnis geveld over 13 jongens en kregen we te horen dat om 14:00 uur de uitspraak volgde (…) Om klokslag 14:00 uur werden we gezamenlijk naar de zittingszaal gebracht en staande voor de raad werden in sneltreinvaart de vonnissen uitgesproken door [voorzitter Krijgsraad]. Als 6de in de rij werd ik schuldig verklaard en veroordeeld lot een gevangenisstraf voor de tijd van 3 jaar en 6 maanden.’14.
16.
[cliënt 1] stelde hoger beroep in.15. De zitting voor het Hoog Militair Gerechtshof vond plaats op 3 mei 1950. [cliënt 1] zelf verklaarde ter zitting nogmaals dat hij geen bezwaren had tegen de militaire dienst als zodanig, doch wel tegen uitzending naar Indonesië.16. Zijn raadsvrouw verzocht het Hoog Militair Gerechtshof nogmaals om [cliënt 1] alsnog te laten horen door de Commissie Dienstweigering,17. of om in ieder geval de straf te verlagen.
17.
Veertien dagen later veroordeelde het Hoog Militair Gerechtshof [cliënt 1] tot een gevangenisstraf van 3 jaren met aftrek van voorarrest.18. Daarbij overwoog zij dat de behandeling van de zaak in hoger beroep het Hof ‘tot geen andere beschouwingen dan die des eersten rechters heeft geleid’ behoudens ten aanzien van de gevangenisstraf welke het Hof met 6 maanden omlaag schroefde.19.
18.
[cliënt 1] ontving op 24 oktober 1952 het bericht van de Gemeente Amsterdam dat hij op last van de Minister van Justitie was uitgesloten van het kiesrecht tot 5 september 1955.
[cliënt 2]
19.
De heer [cliënt 2] werd op 9 januari 1951 in hoger beroep door het Hoog Militair Gerechtshof veroordeeld tot 2 jaar gevangenisstraf met aftrek voor het op 1 oktober 1946 gepleegde feit van:
Desertie, in tijd van oorlog gepleegd, door in tijd van oorlog opzettelijk ongeoorloofd afwezig te zijn en te blijven en daardoor een bevolen reis naar een plaats buiten het Rijk in Europa niet meemaken.
Dit feit was strafbaar gesteld in artikel 100 lid 1 aanhef onder 3ojunctolid 3junctoartikel 96 onder 3o van het Wetboek van Militair Strafrecht (nieuw). [cliënt 2] heeft van 7 juni 1950 tot 21 oktober 1952 (867 dagen) vastgezeten in verschillende gevangenissen.
20.
[cliënt 2] diende in 1946 bij het Garde Regiment Jagers te Ede.20. Zijn ploeg werd ingedeeld in een divisie die naar Indonesië werd uitgezonden. Daarmee behoorde [cliënt 2] overigens tot een van de eerste golven Nederlandse soldaten die daarheen zouden worden gezonden.21. Hij had toen al zonder succes geprobeerd om ervoor te zorgen dat hij zijn diensttijd in Nederland uit kon zitten.22. Tot dat moment had [cliënt 2] geen strafblad en een goede staat van dienst.23.
21.
Omdat hij ervan overtuigd was dat de oorlog in het voormalig Nederlands-Indië fout was en hij daar niet aan mee wilde doen. keerde hij op of omstreeks 1 oktober 1946 niet terug van zijn inschepingsverlof.24. Zijn overtuiging werd gesterkt door zijn ervaringen tijdens de Duitse bezetting van Nederland: ‘Ik zei dat ik best wilde gaan, maar dan om die mensen daar de hand te drukken, en niet met een geweer in m'n hand’25.
22.
Tot aan zijn arrestatie door de Koninklijke Marechaussee op 7 juni 1950 was hij ondergedoken in Amsterdam. Op 12 juni 1950 werd hij naar Schoonhoven gebracht en onder ‘streng arrest’ geplaatst.26.
23.
Op 11 oktober 1950 verscheen [cliënt 2] voor de Krijgsraad te Velde West onder voorzitterschap van mr. [voorzitter Krijgsraad]. De raad veroordeelde hem wegens ‘desertie in tijd van oorlog gepleegd’ (art. 98 aanhef en sub (e) jo art. 98 lid 3 WvMSr). Daarbij werd overwogen dat er van ‘geen feiten of omstandigheden [was] gebleken die de strafbaarheid van beklaagde zouden opheffen of uitsluiten.’27. [cliënt 2] werd een gevangenisstraf van 2 jaar en zes maanden opgelegd met aftrek van voorarrest en hij werd ontslagen uit militaire dienst.28.
24.
Uit het strafdossier blijkt dat de rechters geen aandacht besteedden aan de beweegredenen van [cliënt 2] om dienst te weigeren. Deze redenen klinken enkel door in zijn eigen verklaringen ter zitting; verklaringen die tijdens het proces überhaupt geen gewicht in de schaal legden.
‘ik heb dit gedaan omdat ik de wapens niet tegen het Indonesische volk kon opnemen, daar wij zelf ook vijf jaar onderdrukt zijn en ik hen als broeders beschouwde (…) Ik doe aan geen politiek en ben alleen om bovenstaande reden gedeserteerd. Ik weet dat ik door deze handeling mij heb schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.’29.
(…)
‘De reden van mijn desertie is: Ik kan niet doden, ‘wij zijn allen broeders’ ook van het Indonesische volk.’30.
25.
Ter zitting op 11 oktober 1950 werd door advocaat mr. Schuurmans Stekhoven (die in deze periode bijna alle Indië-deserteurs bijstond) twee stukken overgelegd ten aanzien van de gezondheid van de moeder van [cliënt 2] en een stuk waarin [cliënt 2] zelf zijn leven omschreef. Zoals ik in het kader van het vervolgingsbeleid nader zal toelichten, was het in het politieke klimaat van toen echter niet ongewoon dat dienstweigeraars zich ten overstaan van de rechter op dergelijke (alternatieve) motieven beriepen. Het gehele justitiële apparaat stond op dat moment immers in het teken van uitzending naar Indië en voor principiële bezwaren was dan ook geen plaats.31.
26.
[cliënt 2] stelde op aanraden van zijn raadsman hoger beroep in en bleef in tweede instantie bij zijn eerder afgelegde verklaringen.32. Het Hoog Militair Gerechtshof bevestigde op 9 januari 1951 het vonnis in eerst aanleg met overname van de gronden.
Het Hof overwoog daarbij dat de behandeling dezer zaak in hoger beroep ‘niet tot andere beschouwingen dan die des eersten rechters heeft geleid.’33. Uit de dossierstukken blijkt ook niet dat de rechters rekenschap gaven van mogelijke feiten of omstandigheden die de weigering van [cliënt 2] in perspectief konden plaatsen.34.
27.
Na het uitzitten van zijn straf heeft [cliënt 2] aanzienlijke problemen ondervonden met werk en huisvesting. Hij stond immers voorgoed te boek als ‘ex-gevangene’ waardoor het niet alleen moeilijk was om een baan te vinden, maar waardoor hij bij de geboorte van zijn tweede kind naar eigen zeggen ‘hemel en aarde [moest] bewegen’ om een grotere woning toegewezen te krijgen. Verder heeft [cliënt 2] wegens zijn vele dienstverbanden pensioenbreuk geleden: hij is thans 87 jaar oud en ontvangt geen pensioen.35.
‘[H]et is allemaal te herleiden tot dat ene. Dat ik in 1946 geweigerd heb met een geweer naar Indonesië te gaan. De instanties hebben ervoor gezorgd dat ik me dat m'n hele leven zou herinneren.’36.
II. Wettelijk Kader
28.
Tegen beslissingen van het Hoog Militair Gerechtshof staat sinds 1979 herziening open. Inzet van dit rechtsmiddel is niet gebonden aan termijnen (of aan het leven van de veroordeelde). Nu de veroordelingen van cliënten onherroepelijk zijn, is herziening ex art. 457 lid 1 Sv dan ook mogelijk.
29.
Op 1 oktober 2012 trad de nieuwe ‘Wet hervorming herziening ten voordele’ in werking op basis waarvan ondermeer de ontvankelijkheidscriteria voor een verzoek om herziening ten voordele zijn aangepast. Hen herzieningsverzoek is ondermeer ontvankelijk indien er sprake is van een novum:
Artikel 457 lid 1 sub c Sv (nieuw)
- (1)
Op aanvraag van de procureur-generaal of van de gewezen verdachte te wiens aanzien een vonnis of arrest onherroepelijk is geworden, kan de Hoge Raad ten voordele van de gewezen verdachte een uitspraak van de rechter in Nederland houdende een veroordeling herzien:
(…)
- (c)
indien er sprake is van een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
30.
Deze wetswijziging moet worden beschouwd als een codificatie van het in de laatste jaren gegroeide besef dat de kern van de herzieningsprocedure ligt in het herstellen van onrecht. Immers: ‘[he]t Staatsbelang eischt niet alleen dat er rechtszekerheid bestaat, maar ook dat er zekerheid van rechte, niet van onrecht bestaan zal’, aldus de wetgever in 1899 bij de totstandkoming van de herzieningsprocedure.37.
31.
De originele wettekst sprak in het kader van het novumbegrip van ‘eenige omstandigheid’ (oud: art. 457 lid 1 sub 2 Sv); een drempelcriterium dat in de jurisprudentie van de Hoge Raad werd beperkt tot gegevens van feitelijke aard.38. Uit de voorgeschiedenis van de ‘Wet verruiming herziening ten voordele’ blijkt duidelijk dat de wetgever met de introductie van de nieuwe wettekst heeft beoogd het novumbegrip zodanig uit te breiden dat ook gegevens die niet louter feitelijk van aard zijn, kunnen leiden tot aanname van een novum en dat het toepassingsbereik in bijzonder ook ‘gewijzigd deskundigeninzicht over al bekende feiten’ zou omvatten.39.
‘Dit wetsvoorstel verruimt het novumbegrip in die zin dat het nieuwe gegeven niet van feitelijke aard hoeft te zijn. Ook een deskundigeninzicht kan een novum opleveren. Door handhaving van het begrip ‘ernstig vermoeden’ biedt de wet een aanknopingspunt om alleen een novum aan te wenden wanneer een deskundigeninzicht een nieuw licht op de zaak werpt. Niet voldoende is een deskundigeninzicht dat niets meer omval dan dat de deskundige het bewijs ‘anders weegt’ dan de rechter heeft gedaan.’40.
32.
Ook bij de nieuwe wettekst geldt onverkort dat het inzicht zodanig moet zijn dat daardoor — op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen — het ernstig vermoeden moet ontstaan dat de rechter tot een ander oordeel zou zijn gekomen. Het moet dus meer teweeg brengen dan ‘gerede twijfel over de juistheid van een strafrechtelijke veroordeling’.41. Het is verder ‘niet van belang langs welke weg het nieuwe gegeven naar buiten komt’; bijvoorbeeld via een boek of televisieprogramma. Wel moet het gewijzigde deskundigeninzicht van ‘zodanige kwaliteit en inhoud zijn’ dat daardoor wordt voldaan aan de vereisten van art. 457 lid 1 sub c Sv.’42.
Toepassingsbereik novumbegrip
33.
Hoewel het wetsvoorstel in beginsel was ingediend om ‘beter rekening te kunnen houden met nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen’, heeft de wetgever evenwel andere gronden die aanleiding zouden kunnen zijn voor nova niet uitgesloten. Dit sluit ook aan bij de duiding van het novum als ‘restcategorie’ in de herzieningsprocedure43. en de specificatie dat het moet gaan om inzicht dat ‘een nieuw licht op de zaak werpt’.44. De wetgever heeft de nadere (concrete) invulling van het nieuwe novumbegrip expliciet overgelaten aan de rechtspraak.45. Een en ander schept dan ook de ruimte die nodig is opdat, naast forensisch deskundigeninzicht over feiten en bewijsmiddelen, ook andersoortige inzichten onder het nieuwe novumbegrip kunnen worden geschaard.
34.
Latere ontwikkelingen kunnen het besef met zich brengen dat een ten tijde van de rechtszaak geuite visie niet meer strookt met de huidige stand van de wetenschap. Nieuwe historische gegevens en het daaruit ontleende inzicht dienen eveneens onder het toepassingsbereik van het novumbegrip te worden begrepen. Het gaat dan nadrukkelijk niet om een nieuwe ‘weging’ of interpretatie van feiten, maar om voortschrijdend historisch besef dat de juistheid van een uitspraak zodanig en in fundamentele zin aantast dat gesproken moet worden van een apert onjuiste (namelijk: onrechtvaardige) beslissing. In dat geval is immers voldaan aan het drempelcriterium dat het novum het ernstige vermoeden met zich meebrengt dat kennis daarvan tot een andere uitkomst zou hebben geleid in de desbetreffende strafzaak.
Enige bekendheid met feiten geen obstakel voor novum
35.
In zijn conclusie bij het thans aanhangige herzieningsverzoek in verband met de veroordeling van de Koerdische zakenman [naam 2] ([naam 2] Herziening) besprak advocaat-generaal Diederik Aben het nieuwe novumcriterium.46. Ten aanzien van het gewijzigde deskundigeninzicht overwoog hij dat onder het nieuwe ‘gegeven’ in de zin van het novumcriterium blijkens de parlementaire geschiedenis mede moest worden verstaan de inmiddels voortgeschreden inzichten van ter zake deskundigen over de betekenis van feiten die de rechter op zichzelf al bekend waren.47.
36.
Enige bekendheid van de rechters destijds met relevante feiten en omstandigheden (in casu ten aanzien van het optreden van het Nederlandse leger tijdens de politionele acties) hoeft niet zondermeer in de weg de staan aan de aanname van een novum. Ten aanzien van het criterium dat de rechter niet bekend mag zijn geweest met de gegevens die het gestelde novum opleverden, overwoog AG Aben dat:
‘Eventueel is een omstandigheid van feitelijke aard die rechtstreeks verband houdt met de bewezenverklaring bij het onderzoek ter terechtzitting al aan de orde gekomen. De bekendheid van de rechter met zo'n omstandigheid staat er niet aan in de weg dat die omstandigheid het fundament vormt van een novum. Dit kan zich voordoen indien voor een waardering van de portee van die omstandigheid specialistische kennis nodig is, en er aanwijzingen zijn dat de rechter de relevantie en de betekenis ervan niet (volledig) heeft doorgrond.’
37.
De centrale vraag is namelijk of die rechters de beschikbare informatie naar waarde hebben kunnen schatten en betrekken bij hun oordeel. Het gaat in geval van cliënten concreet om de vraag of het openbaar ministerie ontvankelijk zou zijn geweest in haar vervolging, dan wel of er een rechtvaardigingsgrond aangenomen had kunnen worden die zou hebben geresulteerd in ontslag van alle rechtsvervolging (art. 457 lid 1 sub c Sv).
III. Novum: Nieuwe feiten
38.
Indien er in verband met een onherroepelijke strafzaak sprake is van nieuwe feiten die het ernstig vermoeden met zich meebrengen dat zij tot een ander rechterlijk oordeel zouden hebben geleid, wordt een novum aangenomen. Het door cliënten gestelde novum bestaat primair in een complex van nieuwe gegevens over de aard van het militair optreden in het voormalig Nederlands-Indië en het daaruit voortgevloeide historisch besef. Deze gegevens tezamen maken de tegen cliënten gewezen vonnissen onbestaanbaar.
39.
Hoewel er ten tijde van de rechtszaken al wel enige kennis bestond over de gewelddadigheden die daar door Nederlandse militairen werden gepleegd, kwam de volle omvang daarvan alsmede de stelselmatigheid en de onmogelijkheid voor dienstplichtigen zich aan deelname te onttrekken pas in later jaren naar voren.
40.
Zo is inmiddels vast komen te staan dat er tijdens de politionele acties duizenden Indonesiërs door Nederlandse soldaten zijn gedood in het kader van grootschalige zuiveringsacties, er kampongs werden afgebrand zonder aantoonbaar militair doel en ongewapende burgers standrechtelijk werden geëxecuteerd. Historisch onderzoek heeft inmiddels uitgewezen dat het hierbij niet ging om incidenten, maar stelselmatig (oorlogs)geweld jegens de Indonesische bevolking.
Structureel geweld tijdens ‘politionele acties’
41.
Anno 2012 kan gesteld worden dat tijdens de politionele acties op grote schaal misdrijven zijn begaan; deze stelling vindt haar grondslag in de volgende gegevens die sinds de veroordeling van cliënten zijn gebleken.
Gegeven 1 : Van Rij/Stam rapport (de Celebes-affaire)
42.
Tussen 1950 en 1954 werd door onderzoekers Van Rij en Stam (hierna: Van Rij/Stam) onderzoek verricht naar de excessen van de Nederlandse militairen op Zuid-Sulawesi (destijds: Celebes). De commissie concludeerde in haar rapport dat de Nederlandse militairen in de periode van december 1946 t/m maart 1947 misdrijven hebben begaan op Zuid-Sulawesi:
‘De autoriteiten kozen nu de weg van een buitenwettelijke berechting en executie, die op zichzelf ‘volstrekt onwettig’ was (de aangehaalde woorden zijn van de Heer Procureur-Generaal bij het Hooggerechtshof te Batavia)’48.
43.
Dit beleid resulteerde volgens Van Rij/Stam in het ‘volkomen terzijde stellen van nu eenmaal onaantastbare rechten van diegenen die als verdachten werden beschouwd’49. In bijzonder concludeerden de onderzoekers dat legeraanvoerder kapitein [kapitein] e.a. in Zuid-Sulawesi vrijwel ongecontroleerd hebben kunnen optreden:
‘[D]e hoogste autoriteiten van het toenmalige Nederlands-Indië, zowel Burgerlijke als Justitiële, als Militaire (…) hebben toegelaten en goed gekeurd, zoal niet bevolen, dat een duidelijk niet-militaire, in een Rechtsstaat met waarborgen omringde, taak onder het begrip ‘militaire actie’ werd gebracht’.50.
44.
De hoogste burgerlijke gezagsdragers zijn dan ook volgens dit rapport verantwoordelijk voor de executies.51. De Chef Kabinet schreef op 15 september 1954:
‘[Het] schijnt (…) weinig gewenst deze oude geschiedenissen zonder noodzaak nu te gaan oprakelen. Immers zou nf. eveneens blijken, dat niet alleen militairen, doch ook hoge burgelijke [sic] autoriteiten in Indonesië zijn tekort geschoten.’52.
45.
De conclusies van het rapport werden voor het eerst summier naar buiten gebracht in de zogenaamde Excessennota, die in 1969 namens de Nederlandse regering werd gepubliceerd.53.
Gegeven 2: de Excessennota (1969)
46.
Het heeft uiteindelijk 20 jaar geduurd voordat de eerste Indiëgangers publiekelijk — en onder voldoende belangstelling van media en maatschappij — naar voren traden met verhalen van oorlogsmisdaden begaan in het kader van de ‘politionele acties’.54. Het balletje raakte aan het rollen nadat De Volkskrant in 1968 een interview publiceerde met de Amsterdamse psycholoog-fysioloog dr. [psycholoog-fysioloog] die een beeld schetste van zijn militaire ervaringen in Indonesië: ‘zoals hij zélf zegt — ‘oorlogsmisdaden’ waarbij hij persoonlijk aanwezig is geweest’.55. VARA-actualiteitenrubriek Achter het Nieuws wijdde er in januari 1969 een aantal uitzendingen aan, waarbij [psycholoog-fysioloog] herhaalde wat hij tegen De Volkskrant had gezegd.56.
‘De uitzendingen veroorzaken een storm van opwinding die de pers gedurende maanden bezighoudt en [psycholoog-fysioloog], door verontwaardigde oud-militairen bedreigd, ziet zich gedwongen zich een tijd schuil te houden.’57.
47.
Hen en ander leidde tot scherpe Kamervragen. Minister president P.J.S. de Jong beloofde vervolgens dat ‘alle stukken die betrekking hebben op excessen uit de overheidsarchieven zullen worden verzameld en bijeengebracht in een nota.’ Het zou dus niet de door Joop Den Uyl [PvdA] voorgestelde onderzoekscommissie worden, maar een archievenonderzoek58. dat in 1969 resulteerde in de publicatie van de zogeheten ‘Excessennota’ die hierboven reeds werd besproken.59.
48.
Deze ‘Nota betreffende het archievenonderzoek naar de gegevens omtrent excessen in Indonesië begaan door Nederlandse militairen in de periode 1945–1950’ werd op 2 juni 1969 aangeboden aan het Nederlandse parlement.60. Daarin werd ondermeer geconcludeerd dat:
‘Stellig door Nederlandse militairen handelingen [waren] gepleegd, die als wandaden moeten worden gebrandmerkt.’61.
Een en ander werd toen nog bij wijze van opsomming gepresenteerd als op zichzelf staande feiten en aanklachten.
Gegeven 3: onderzoek door Van Doorn en Hendrix
49.
Sociologen J.J.A. van Doorn en W.J. Hendrix — die overigens zelf in 1946 als dienstplichtigen naar het voormalig Nederlands-Indië waren uitgezonden — concludeerden echter in een onderzoek dat in 1970 werd gepubliceerd dat het geweld aan de Nederlandse kant wel degelijk structureel was geweest.62. Het ging hen er om de feiten en aanklachten te ‘bevrijden van het individualiserend isolement waarin ze, ten onrechte, gebracht [waren]’.63.
‘Zeker is wel dat de nota van de regering een volstrekt onvolledig beeld geeft (…) Men moet inderdaad [psycholoog-fysioloog] bijvallen als hij het materiaal uit de Regeringsnota kwalificeert als het topje van een ijsberg.’64.
Gegeven 4: uitspraak rechtbank 's‑Gravenhage Rawagedeh
50.
Op 14 september 2011 wees de rechtbank 's‑Gravenhage een vordering op grond van onrechtmatige daad toe die namens weduwen en een overlevende van het bloedbad in het dorp Rawagedeh op Java op 9 december 1947 was ingediend tegen de Nederlandse Staat.65. De rechtbank besliste in dit vonnis dat Nederland aansprakelijk is voor de schade die door het executeren van de echtgenoten van deze weduwen en het neerschieten van één mannelijke overlevende op 9 december 1947 is ontstaan.66. De rechtbank overwoog:
‘Vooropgesteld moet worden dat in het onderhavige geval sprake is van een zeer uitzonderlijke situatie waarvan in de Nederlandse jurisprudentie geen precedenten bekend zijn. Het gaat in deze zaak immers om executies door Nederlandse militairen van ongewapende onderdanen van het toenmalige Koninkrijk der Nederlanden die zonder vorm van proces zijn uitgevoerd in het kader van de uitoefening van het koloniale bewind van de Staat over een inmiddels voormalige kolonie. De Staat kan, zoals hij ook onderkent, van deze executies een ernstig verwijt worden gemaakt.
Ook op grond van het destijds geldende recht rustte op de Staat immers de verplichting tot bescherming van de lichamelijke integriteit en het leven van zijn onderdanen en kwam hem op geen enkele wijze het recht toe zonder vorm van proces mensen te doden of ernstig te verwonden. De ernstige verwijtbaarheid van het handelen van de Staat is kort na de executies komen vast te staan, getuige onder meer het rapport van de ‘Committee of Good Offices on the Indonesian Question’ van de VN Veiligheidsraad uit 1948 waarin de executies zijn aangemerkt als ‘deliberate and ruthless’, en is als zodanig ook door de hoogste militaire leiding erkend, getuige de briefwisseling tussen [commandant van het leger] en [procureur-generaal] waaruit volgt dat een strafrechtelijke vervolging van de voor de executies verantwoordelijke majoor [majoor] zonder meer tot een veroordeling zou hebben geleid.
Deze bijzondere ernst van de aan de orde zijnde feiten en de kennis die de Staat van meet af aan daarvan heeft gehad is een belangrijke factor voor de door de rechtbank hierboven getrokken conclusie. Het gaat hier dus uitdrukkelijk niet om feiten die destijds aanvaardbaar werden geacht en enkel naar huidige inzichten onaanvaardbaar zijn.’67.
51.
De rechtbank benadrukt dat de oorlogsmisdrijven gepleegd in Rawagedeh niet slechts nu, maar ook destijds onaanvaardbaar werden geacht.
Gegeven 5: spijt en excuses
52.
Oud-minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot sprak in 2005 namens de regering zijn spijt uit voor de politionele acties. Ondanks zijn verklaring dat Nederland destijds ‘aan de verkeerde kant van de geschiedenis’ had gestaan, bleef een formele verontschuldiging uit.68.
53.
Daar is met de uitspraak van 14 september 2011 verandering in gekomen. Op vrijdag 9 december 2011 bood de Nederlandse ambassadeur in Indonesië namens de Nederlandse regering zijn excuses aan voor het bloedbad in Rawagedeh.69. Overigens had Koningin Beatrix reeds in 1995 excuus willen maken, waarvan toenmalig premier Wim Kok haar weerhield.70.
Gegeven 6: dagvaarding inzake Celebes-affaire
54.
Op 13 juli 2012 is de Nederlandse Staat gedagvaard door slachtoffers en nabestaanden van de bloedbaden die onder leiding van kapitein [kapitein] en onderluitenant [onderluitenant] in 1947 plaatsvonden op Celebes. Het gaat om grootschalige zuiveringsacties waarbij duizenden Indonesiërs werden gedood door Nederlandse militairen.71.
55.
Gezien de gelijkenis tussen de juridische argumenten in deze zaak en de zaak in verband met de slachtoffers en nabestaanden van het bloedbad in Rawagedeh, is het aannemelijk dat ook hier zal worden vastgesteld dat de Nederlandse staat aansprakelijk is voor het onrechtmatig optreden van haar militairen destijds.
Kennis rechters ex tune
56.
Het harde beleid jegens de Indië-deserteurs vloeide voort uit de kennelijke overtuiging dat de politionele acties in Indonesië juist waren en de ontkenning of het negeren van de misdrijven die tijdens die acties op grote schaal werden begaan. Onderzoek naar de overheidsarchieven toont aan dat er van regeringszijde inderdaad weinig (officiële) informatie beschikbaar was waaruit het tegendeel mocht blijken.72.
57.
In het licht daarvan verbaast het niet dat de zittingsrechters die destijds over de zaak tegen cliënten oordeelden, niet op de hoogte waren van de misstanden en onregelmatigheden die in het kader van de politionele acties plaatsvonden. Ter nadere toelichting dient het volgende.
Ontkennende regering
58.
Het officiële regeringsstandpunt bleef door de jaren heen dat er van grootschalige, stelselmatige misstanden en onregelmatigheden geen sprake was en dat eventuele fouten individuele gevallen betroffen die ook op individuele basis werden aangepakt. Zelfs in de Excessennota die in 1969 werd gepubliceerd werd enkel gesproken van ‘incidentele geweldsexcessen’. Van Doorn en Hendrix bestudeerden in hun onderzoek ook de wijze waarop het geweld dat tijdens de politionele acties werd gepleegd door de regering werd afgeschermd van de publiciteit.
‘Dergelijk geweld paste niet bij een conflict dat men met een mengsel van praten en pressie geleidelijk zocht te beslechten. Het paste evenmin in de Nederlandse koloniale traditie die altijd zo demonstratief als ‘ethisch’ was geafficheerd. Het paste ten slotte in het geheel niet bij het collectieve zelfbeeld van een kleine, bescheiden, burgerlijke handelsnatie. Dat een dergelijk land niettemin in enkele jaren een goed gemotiveerd leger van 100 000 man naar een ander deel van de aardbol wist te zenden, kon een met verbazing gemengde trots wekken. Dat dit leger in staat zou zijn tot gedragingen die men zo kort tevoren de Duitse bezetter had verweten, was evenwel uitgesloten. Onderzoek naar hardnekkige geruchten en klachten achtte men niet nodig.’73.
59.
Een en ander blijkt uit de wijze waarop destijds werd omgegaan met berichten over oorlogsmisdadig gedrag. Toen in de jaren 1947–1948 brieven van soldaten werden gepubliceerd in bladen als De Waarheid en de Groene Amsterdammer, ontstond een zekere mate van maatschappelijke onrust. De brieven werden in de Tweede Kamer besproken, maar bij beantwoording van de vragen door de regering bleek van enige erkenning dat er mogelijkerwijs stelselmatig oorlogsmisdaden werden gepleegd niets.
60.
Ook na het uiteindelijke verlies van de kolonie en de terugkeer van de Nederlandse troepen in 1949 bleek dat de verwerking van dát aspect van het vaderlands oorlogsverleden weinig prioriteit genoot. Weliswaar verschenen tussen 1946 en 1949 artikelen in de media over vermeende ‘wandaden’ of ‘excessen’, op vragen van parlementariërs werd meestal geantwoord dat ‘de zaak onderzocht zou worden’ en werden eventuele moties als zijnde ‘overbodig’ verworpen.74. De heruitgave van de ‘Excessennota’ (1995) bevat in dit verband een overzicht van persberichten over excessen/wandaden die tussen 1945 en 1949 werden gepubliceerd.75. Uit de genoteerde reacties van regeringszijde blijkt in ieder geval dat er van erkenning niet of nauwelijks sprake was.
‘Bij de beantwoording van vragen [over de soldatenbrieven] merkte de toenmalige minister Fievez van Oorlog op Marine op dat de brieven hem bekend zijn (…) hij maakte ze meteen belachelijk. Ik ontvang ze zelf ook, in de geest van: daar wordt m'n inktpot van tafel gestoten, ik ga met potlood verder (…) Het onderzoek naar de juistheid van de gegevens leverde echter niets op.’76.
61.
Van regeringszijde bleef men ook nadien terughoudend ten aanzien van het beweerde oorlogsmisdadig gedrag; de officiële berichten die wél werden gepubliceerd, spraken enerzijds van aanhoudend onderzoek, maar anderzijds van het gebrek aan aanwijzingen van concrete excessen. De tekst van een perscommuniqué dat op 11 maart 1949 door de Minister van Overzeese Gebiedsdelen werd uitgegeven is een tekenend voorbeeld:
‘In verband met de in de pers verschenen mededelingen over vermeende wreedheden, welke door de militairen in Indonesië zouden zijn bedreven, werd van officiële zijde op 12 maart het volgende meegedeeld: ‘Reeds dadelijk na het voor het eerst verschijnen van deze berichten in de pers in januari 1949 heeft de toenmalige minister van Overzeese Gebiedsdelen aan de Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon telegrafisch verzocht om terzijde onverwijld een objectief, grondig en gestreng onderzoek te doen instellen. Nadien in de pers verschenen berichten met beschuldigingen zijn steeds met de meeste spoed voor nader onderzoek en bericht naar de regering van Indonesië doorgezonden. Sedertdien van de regering in Indonesië ontvangen telegrammen melden echter, dat voorover over feitelijke gegevens kan worden beschikt, een terzake ingesteld nauwgezet onderzoek in Indonesië tot dusver geen feiten aan het licht heeft gebracht, welke de geïncrimineerde ernstige mishandelingen bij verhoren noch andere feiten bevestigen. Op de verhoren door de inlichtings- en veiligheidsdiensten wordt zeer strenge controle geoefend door de hoofden van deze diensten, zodat stelselmatige mishandeling uitgesloten moet worden geacht.
Voorts blijken de beschuldigingen inzake het doodschieten van gevangenen in de onderzochte gevallen ongegrond te zijn. In de gevallen dat militaire noodzaak er toe dwong een kampong te slechten, is zulks steeds geschied in overleg met de betrokken Indonesische binnenlandse bestuur en na evacuatie van de bevolking. Het is gebleken dat de legercommandant in Indonesië in samenwerking met de procureur-generaal bij het hooggerechtshof in deze onderzoeken de meest mogelijke medewerking verleent en diligentie betoont. Alle daders van voorgebrachte feiten inzake gepleegde wandaden worden en zijn steeds met gestrengheid in strafrechtelijke zin vervolgd.’77.
De Celebes-affaire
62.
Vóór de Tweede Politionele Actie waren al enkele onderzoeken gelast naar de bewering dat er 40.000 doden zouden zijn gevallen bij zuiveringsacties op Zuid-Celebes.78. Tussen 1947 en 1948 werd op last van de regering onderzoek verricht door de Commissie Enthoven; tussen 1950 en 1954 verrichtte ook de Commissie Van Rij/Stam nader onderzoek.79.
63.
Het rapport van de Commissie Enthoven (ook wel de ‘Commissie Barendrecht’ genoemd) was al op 13 april 1948 gereed.80. Het werd echter niet openbaar gemaakt en werd pas na verscheidene mondelinge en schriftelijke verzoeken op 6 december 1948 door de Minister van Overzeese Gebiedsdelen aangeboden aan de Staten Generaal. In zijn begeleidende brief maakte de Minister de volgende opmerking:
‘Het optreden van Nederlandse militairen bij enkele acties in Zuid-Celebes in opdracht van de autoriteiten in Indonesië aan een nader onderzoek in strafrechtelijke zin zou worden onderworpen. Ten aanzien van die gevallen zou dus te zijner tijd een openbare behandeling kunnen worden tegemoet gezien. In verband daarmee meende de Minister te moeten volstaan met het rapport ter vertrouwelijke kennisneming door de leden van de Kamer ter griffie te doen neerleggen en niet tot openbaarmaking over te gaan.’81.
64.
Het rapport werd uiteindelijk ook niet in de Staten-Generaal behandeld. Op vragen van Gortzak (PvdA) in het najaar van 1950 antwoordde de regering dat zij geen aanleiding zag om terug te komen op het eerdere standpunt aangaande de openbaarmaking.82. De regering liet toen ook weten dat zij niet voornemens was om Kapitein [kapitein], onder wiens leiding de zuiveringsacties in 1947 hadden plaatsgevonden, strafrechtelijk te vervolgen.
65.
[kapitein] werd uiteindelijk niet strafrechtelijk vervolgd; het strafrechtelijk vooronderzoek dat werd geopend naar drie van zijn ondergeschikten was reeds vóór de overdracht van de soevereiniteit op 27 december 1949 voltooid waarop de raadsheer-commissaris luitenant-kolonel J.L. Paardenkoper (Hoog Militair Gerechtshof) de zaak aan de Indonesische procureur-generaal overdroeg.83. Ondanks de afspraak dat lopende zaken van het Indisch Militair Gerechtshof aan Nederland zouden worden overgedragen. kwam het rapport nooit naar Nederland. Volgens de Nederlandse vertegenwoordiging in Indonesië was het rapport namelijk ‘te dik om er een afschrift van te maken’.84.
66.
Wegens haar aard en omvang had de Celebes-affaire bij uitstek als voorbeeld kunnen dienen van het systematisch plegen van oorlogsgeweld in Indonesië in 1947–1948. Echter, nu er over de werkelijke feiten en omstandigheden geen officiële berichten naar buiten werden gebracht, konden de rechters daar bij de berechting van de Indië-deserteurs geen gevolgen aan verbinden.
De Pakisadji-affaire
67.
De weigering van cliënten moet tevens worden bezien in het licht van het feit dat de ruimte voor Nederlandse militairen om bevelen in Nederlands-Indië niet op te volgen nihil was. Derhalve zou het moeilijk geweest zijn zich aan eventueel onrechtmatig (en oorlogsmisdadig) gedrag te onttrekken.
68.
Dit blijkt bijvoorbeeld uit de Pakisadji-affaire. Het betrof de verbranding van de kampong Soetodjajan nabij de militaire post Pakisadji te Malang op 11 augustus 1947.85. Deze zaak kwam er kortgezegd op neer dat drie militairen weigerden het bevel van hun meerderen te volgen om een kampong plat te branden. Naar hun mening was er namelijk geen sprake van enige militaire noodzakelijkheid, en bovendien strookte de bevelen zoals gegeven niet met de wijze waarop een operatie in het kader van militaire noodzaak normaliter werd uitgevoerd.86. In hun optiek was er sprake van een represaillemaatregel en zij weigerden daaraan deel te nemen.87. De Zeekrijgsraad te Soerabaya rekende hen deze ‘ongehoorzaamheid ten tijde van oorlog’ streng aan; in hoger beroep werden zij uiteindelijk veroordeeld tot gevangenisstraffen van 2½, 2 en 1½ jaar.88.
69.
Naderhand stelde Minister Sassen aan Louis Beel dat ‘uit de processtukken en de bijgevoegde topografische kaart de militaire noodzaak niet overtuigend [is] gebleken’, hetgeen hij per brief aanvoerde bij de Hoge Vertegenwoordiger was van de Kroon in Batavia.89. Maanden later, op 2 juni 1949, kwam het antwoord van de regering aan de Kamer. Weliswaar werd erkend dat er geen blijk was van ‘vijandelijke elementen’ of springstoffen in de kampong, er was ‘allerminst sprake van een mensonterende opdracht’. Overigens was er ten aanzien van de militairen door de politiek actie ondernomen en waren de drie soldaten reeds op 22 april 1949 door Koningin Juliana gegratieerd (KB no. 105).90.
70.
Uit de casus blijkt enerzijds dat het voor dienstplichtigen moeilijk was zich aan oorlogsmisdrijven in Indonesië te onttrekken, en anderzijds dat de Nederlandse regering in beginsel onbereid was oorlogsmisdrijven te erkennen. Nu de gratiëring van de soldaten de kwestie van haar angel ontdeed werden verdere procedures afgewend. De regering hoefde dan ook geen verder standpunt in te nemen over de vraag of er bij de verbranding van de kampong sprake was geweest van onrechtmatig (oorlogsmisdadig) gedrag.
Achtergrond: vervolging van de Indië-deserteurs
71.
Een omstandigheid die men bij beoordeling van deze zaak in het achterhoofd moet houden is het feit dat de uitvoering van de ‘politionele acties’ en daarmee de uitzending van militairen in die periode een uiterst politiek geladen kwestie was. Nederland had kort na de Tweede Wereldoorlog deviezen nodig die ze via haar kolonie Nederlands-Indië wilde genereren. De leus van de regeringen Beel en Drees was niet voor niets ‘Indië verloren, rampspoed geboren’.
‘De door de KVP en PvdA gedomineerde kabinetten uit die tijd kozen na veel interne strijd steeds voor een agressievere Indiëpolitiek, en die vroeg enorme inspanningen: financieel en qua militaire mankracht. Dat er duizenden soldaten weigerden naar Indië te gaan (…) werd zoveel mogelijk geheim gehouden: publiciteit erover zou de bereidheid verder doen teruglopen.’91.
Het destijds toegepaste justitieel regime moest dan ook enerzijds een afschrikwerking hebben op potentiële dienstweigeraars en was er anderzijds op gericht dat de ongewillige soldaten zich alsnog ‘Indiëbereid’ zouden verklaarden.92.
72.
In de jaren ’46–’49 werden in totaal 111.653 Nederlandse dienstplichtigen naar Indonesië verscheept. De uitzending van troepen verliep echter van begin af aan stroef: veel dienstplichtigen weigerden na opkomst naar Indonesië te vertrekken. Van de Eerste Divisie betrof het 10% maar ook van volgende divisies bleef een groot gedeelte van de manschappen weg. Men verzette zich ook juridisch tegen uitzending, te denken valt daarbij aan de Vredeslichters van prof. J.W. Pootjes die de grondwettigheid van uitzending naar Indonesië tevergeefs probeerde aan te vechten.93. Op 24 september 1946 toen het Eerste Contingent van de Zeven Decemberdivisie werd ingescheept werd ook in Amsterdam massaal gestaakt.94.
73.
De Nederlandse regering en legerleiding wilden hier niets van weten en er werd harde actie genomen. Tijdens een radiobericht van de generale staf naar aanleiding van het massale wegblijven van soldaten van transport betichtte Luitenant-Generaal [Luitenant-Generaal] de dienstweigeraars enerzijds van zwakte en waarschuwde ze anderzijds voor ‘heel ernstige’ straffen die hun levens zouden kunnen verwoesten.95. De inzet van [Luitenant-Generaal] bij de berechting van de Indië-deserteurs was voorts dat ‘onwillige soldaten’ de hoogste straf moesten krijgen die op desertie stond: 71/2 jaar opsluiting.96.
74.
In 1946 kwam dan ook een overheidsbeleid op gang om deserteurs op te sporen, te berechten en zo mogelijk alsnog over te halen naar Indonesië te gaan.97. Militaire Zaken stond in die tijd ook alom bekend om haar fanatieke aanpak van deserteurs.
‘[D]e legerstaf was als de dood dat haar gezag nog verder ondermijnd zou raken. En liet het er niet bij zitten. Deserteurs werden van huis gehaald of opgespoord via hun werk. Of via lijsten van werkzoekenden. Geen middel werd geschuwd. Ze werden nagejaagd als onderduikers door de mof.’98.
‘Naast de directe opsporingsactiviteiten werden allerlei administratieve mogelijkheden gebruikt om de deserteurs het leven moeilijker te maken. Zo werden distributiebonnen ingehouden en kostwinnersvergoedingen stopgezet. Het verlenen van hulp aan onderduikers werd strafbaar. De opsporing van deserteurs duurde tot in 1958!’99.
75.
Zelfs de ouders van ondergedoken soldaten werden berecht en veroordeeld voor het helpen van hun zoons. Het ging daarbij vaak om gevangenisstraffen die pas in tweede instantie werden omgezet in een geldboete. ‘En die geldboetes waren niet mis, zeker in die tijd niet waarin veel mensen zo arm waren als de mieren.’100. Cliënt [cliënt 2] heeft hier ongewild aan moeten bijdragen: hij werd op 25 september 1950 opgeroepen als getuige in de strafzaak tegen de personen bij wie hij tussen 1947–1950 was ondergedoken. Zijn schoonvader dhr. [schoonvader cliënt 2] werd uiteindelijk veroordeeld tot een boete van Dfl. 75.00: destijds het equivalent van 3 weeklonen.101.
Schoonhoven en Indië(on)bereidheid
76.
Vanaf 24 oktober 1946 werden dienstweigeraars ondergebracht naar een nieuw Depot Eerste Divisie te Schoonhoven. Tijdens het aanvankelijke, mildere beleid van luitenant kolonel mr. [luitenant kolonel] (tot maart 1947) vertrokken uiteindelijk 1.100 van de 1.200 goedgekeurde deserteurs alsnog ‘vrijwillig’ naar Indonesië. Zij genoten daarbij dezelfde verlofregeling als de andere soldaten; de overige deserteurs verschenen voor de krijgsraad. Vanaf februari 1947 werd echter bepaald dat deserteurs eerst berecht moesten worden, ongeacht of ze zich (later) alsnog ‘Indiëbereid’ verklaarden. De periode voorafgaand aan de berechting — drie maanden — gold als ‘bedenktijd’ gedurende welke de deserteurs onder arrest zaten in Schoonhoven.102. Tijdens de ‘bedenktijd’ van drie maanden vond er in Schoonhoven een nieuwe selectie plaats waaronder een volledige geneeskundige keuring, beoordeling door de militaire psychiater, de geestelijk verzorgers, de commandant en de sociale dienst.103.
77.
In deze periode was alles erop gericht de soldaten alsnog Indiëbereid te krijgen, zo blijkt bijvoorbeeld uit de verklaringen van verschillende dienstweigeraars:
[H.W.] ‘Als je je na het onderhoud met [eerste luitenant] [voormalig luitenant van de kazerne Schoonhoven, advocaat] nog niet had bedacht, volgde het gesprek met de psychiater. Die probeerde je van alles wijs te maken: dat het helemaal niks was om dienst te weigeren, de naam die je erdoor kreeg, voor je kinderen en je vrouw, en dat je beter kon tekenen (…) daarna kreeg je het afknijpsysteem, het drillen om je alsnog zover te krijgen.’104.
[[naam 4]] ‘De sociale ambtenaren en geestelijke verzorgers besteedden meer aandacht aan het stimuleren van Indiëbereidheid dan aan de moeilijkheden van de persoon in kwestie. Het ging de geestelijke verzorger meer om het Koninkrijk der Nederlanden dan het Koninkrijk Gods.’105.
[[naam 5]] ‘[In Schoonhoven] werden wij dus geïntimideerd en murw gebeukt zoals ze het dan op een gegeven moment zo'n soort mooi uitdrukten om ons alsnog Indiëbereid te vinden (…) Ik had hier op een gegeven moment een verhoor met uhm, met luitenant [eerste luitenant] bijvoorbeeld. Nou. Nou, ik zou dan de doodstraf krijgen, ik zou 7 jaar krijgen (…) [‘De Folterbaan’] dat noemen ze dus eh, een baan waar we op een gegeven moment alle oefeningen moesten doen om je te intimideren want als je het niet goed deed moest je het weer doen. Maar ik kan me nog herinneren dat ze zeiden nou dan moet je d'r goed om denken als je onder dat prikkeldraad hier doorkruipt dan leggen we het vuur over je heen als je dat niet doet. Dat kan ik me nog herinneren ja. Niet zulke prettige herinneringen. Maar hier werd je dus wel afgebeuld.’106.
78.
Naast de militaire trainingen was ook de benadering door de gespecialiseerde stafleden van het detachement zoals psychiater [psychiater], sociaal ambtenaar [sociaal ambtenaar] of het hoofd juridische dienst luitenant [hoofd juridische dienst] er volledig op gericht de dienstweigeraars toch Indiëbereid te krijgen. Luitenant [eerste luitenant] vertelde dat de geestelijke raadslieden door de detachementsleiding waren geïnstrueerd om de weigeraars forse straffen in het vooruitzicht te stellen; die liepen naar verluidt uiteen van 7 jaar tot 20–25 jaar tot zelfs de doodstraf.107. Dit allemaal in het kader van de methode-[kolonel] om de dienstweigering de kop in te drukken.
79.
Uit de wijze waarop de processen tegen de Indië-deserteurs werden gevoerd mag voorts blijken dat het beleid erop was gericht de dienstweigeraars en deserteurs alsnog naar het voormalig Nederlands-Indië te krijgen.
Geen eerlijk proces
80.
De meeste Indonesië-weigeraars die volhardden kwamen tussen 1946–1958 in eerste aanleg voor de Krijgsraad te Velde West, onder voorzitterschap van mr. [voorzitter Krijgsraad].
Deze bijzondere kamer van de krijgsraad werd als een groot succes beschouwd en wist de massale dienstweigering snel te verwerken. Het gehele proces stond in het teken van de snelle afhandeling en het afdwingen van de bereidwilligheid van soldaten om alsnog naar de tropen te vertrekken.108.
81.
De Indië-deserteurs werden op basis van uiterst summiere processen werden veroordeeld tot relatief zware straffen. Voor de individuele terechtzittingen werd doorgaans niet meer dan 10 minuten gereserveerd; de rechters erkenden het routinematige karakter van de afdoening.
‘Door het vele werk vooraf, resulterend in een uitstekend psychiatrisch keuringsrapport en de korte, maar rake omschrijving van karakter en persoonlijke omstandigheden in het rapport van de commandant, is het mogelijk gebleken, ook in verband met routine, die zowel het Openbaar Ministerie als de krijgsraad zich uit de aard van de zaak heeft verworven, op een zittingsdag tot dertig desertiegevallen te berechten.’109.
[voorzitter Krijgsraad] zelf beschreef het jaren later als ‘massaberechting’.110.
82.
De rechters gingen bij de behandeling ter zitting af op de rapporten van de psychiater, de sociale ambtenaar en de commandant van Schoonhoven; voor verdere feiten of omstandigheden was geen ruimte.
‘Als de Indië-deserteurs tijdens de krijgsraadzitting geen nieuwe argumenten naar voren brachten, vond [[voorzitter Krijgsraad]] het meestal niet nodig dat zij hun motieven nog eens toelichtten (…) ‘Dan zei ik [[voorzitter Krijgsraad]] God jongen, dat hebben we gelezen. Daar hoeven we toch geen tijd aan te verspillen’111.
83.
Dat er met de vervolgingen een politiek signaal af moest worden gegeven mag blijken uit het feit dat de Indië-deserteurs tot in 1958 door de Koninklijke Marechaussee zijn vervolgd. De Indië-deserteurs kregen alles bij elkaar opgeteld 15 eeuwen straf opgelegd.112.
Geen ruimte voor politieke bezwaren
84.
Van 1945 tot 1950 hebben circa 1998 dienstweigeraars een beroep gedaan op de Dienstweigeringswet; daarvan werd door de Commissie Dienstweigering 47% afgewezen. Het beroep op deze wet was in de periode van de politionele acties dermate gestegen dat het Ministerie van Oorlog meende dat er sprake was van misbruik van het instrument. De gewetensbezwaren van een kleine duizend dienstweigeraars werd door de beoordelingscommissie erkend: het ging echter alleen om religieuze en ethische bezwaren.
85.
Dienstweigering op grond van principiële bezwaren tegen de wijze waarop de oorlog in Nederlands-Indië werd gevochten, was bij voorbaat kansloos.113. Bij de Krijgsraad te Velde bestond bovendien de opvatting dat de meeste Indië-deserteurs hun persoonlijke belang boven het staatsbelang hadden geplaatst, hetgeen naar het oordeel van de krijgsraad kennelijk voldoende was voor een veroordeling. Voorzitter van de krijgsraad [voorzitter Krijgsraad] verklaarde jaren later dat hij geen enkele politieke dienstweigeraar had ontmoet: volgens hem kwam de desertie voort uit een ‘angst voor het onbekende’. De opvatting dat desertiemotieven vooral voortkwamen uit angsten en persoonlijke belangen werd kennelijk gedeeld door de andere leden van de krijgsraad, en werd bovendien door psychiater [psychiater] en advocaat Schuurmans Stekhoven (die ondermeer [cliënt 2] vertegenwoordigde) bevestigd.114.
‘Als je bij de krijgsraadzittingen politieke meningen naar voren werden gebracht, zoals in het najaar van 1949 gebeurde, werden deze afgewezen met opmerkingen als: ‘Dat doe je maar op een andere plaats’ of: ‘Achter de bewering het niet eens te zijn met de regeringspolitiek verschuilt zich een bang hartje.’’115.
86.
Dit verklaart bijvoorbeeld waarom zowel [cliënt 2] als [cliënt 1] in het kader van hun verdediging — naast hun principiële bezwaren — ook hun huiselijke omstandigheden (in beide gevallen de gesteldheid van hun moeders) aanvoerden als reden voor hun optreden. Beide cliënten zaten immers vast in een juridisch apparaat dat geen ruimte liet voor politieke of gewetensbezwaren.
Indië-deserteurs en oorlogsmisdadigers
87.
De politieke behandeling van de Indië-deserteurs liet zich ook op andere vlakken gelden.
88.
Allereerst werden de Indië-deserteurs opgesloten met oorlogsmisdadigers uit de Tweede Wereld Oorlog. Zo kwam [cliënt 1] terecht in de gevangenis Norgerhaven en later Bankenbosch, dit was echter dezelfde locatie waar ook NSB-ers en SS-ers werden gedetineerd die daar als ‘politieke delinquenten’ zaten. Bankenbosch werd op 25 juli 1951 gesloten waarna veel Indonesië-weigeraars terechtkwamen in de gevangenis in Vught, een voormalig concentratiekamp van de Duitsers.116. Ook [cliënt 2] belandde via Bankenbosh in Vught tussen de ‘politieke delinquenten, SS-ers, landverraders, moordenaars’ die overigens ondanks hun oorlogsverleden privileges genoten die voor de Indië-deserteurs niet golden.117.
89.
Bovendien werd vanaf 1951 op ruime schaal gratie verleend aan Nederlandse- en buitenlandse (meestal Duitse) oorlogsmisdadigers. Een verzoek van CPN-kamerlid B. Stokvis om ook de Indië-deserteurs gratie te verlenen werd afgewezen.118.
Tussenconclusie
90.
Uit de zojuist opgesomde gang van zaken mag blijken dat er gedurende de relevante periode geen of nauwelijks kennis was van het stelselmatige geweld tegen burgers tijdens de politionele acties. Berichtgeving daarover kwam toentertijd veelal neer op geruchten of niet of nauwelijks gesubstantieerde mediaberichten. Hard bewijs, gedegen onderzoek door de regering of een formeel regeringsstandpunt (in de zin van erkenning) bleef uit tot eind 1969. Zelfs daarna duurde het echter nog jaren voordat verdere informatie boven tafel kwam waaruit het structurele geweld bleek.
91.
Het kan dan ook worden aangenomen dat de rechters deze feiten niet hebben kunnen laten meewegen in hun oordeel over cliënten, althans de relevantie en betekenis van de gegevens die destijds wellicht wel voorhanden waren niet (volledig) hebben kunnen doorgronden.
92.
Daarnaast is er ten aanzien van de Indië-deserteurs sprake geweest van een politiek-gedreven vervolgingsbeleid dat in strijd was met de beginselen van behoorlijk strafprocesrecht. Het vervolgingsbeleid was namelijk een uitvloeisel van het politiek-financieel regeringsbeleid om na de ontberingen van de Tweede Wereldoorlog de kolonies te zekeren en de schatkist te vullen. Het openbaar ministerie heeft zich destijds blind gestaard op dat beleid, waardoor eventuele bezwaren zoals door cliënten werden geuit buiten beschouwing werden gelaten. Met de kennis van nu over deze omstandigheden is het aannemelijk dat de rechters van toen zouden hebben geoordeeld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk was in haar vervolging wegens schending van het verbod op détournement de pouvoir en het feit dat Indië-deserteurs disproportioneel hard werden aangepakt.
93.
Deze feiten laten zich niet verenigen met de uitspraak waarbij cliënten zijn veroordeeld. Kennis bij de rechter van deze feiten had geleid of moeten leiden tot het aannemen van een strafuitsluitingsgrond. Cliënten stellen zich voorts op het standpunt dat kennis bij de rechter van deze feiten tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie had geleid of moeten leiden, nu het OM met haar vervolgingsbeleid de beginselen van een behoorlijk strafprocesrecht heeft geschonden. Ter toelichting dient het volgende.
IV. Onbestaanbaarheid novum mei gewezen vonnis
Strafbaarheid: de omstandigheden waaronder de daad werd gepleegd
94.
Nederlandse jurisprudentie ten aanzien van dienstweigering leert ons dat er bij de beoordeling van de strafbaarheid daarvan, drie omstandigheden van belang zijn:
- (i)
De ernst van het feit
- (ii)
De persoon des daders
- (iii)
De omstandigheden waaronder de daad werd gepleegd
95.
Gewetensbezwaren van de beklaagde vallen onder deze laatste toets. De jurisprudentie wijst evenwel uit dat er in het vonnis (buiten een vernoeming in het bovenschrift) doorgaans niet expliciet naar eventueel bestaande gewetensbezwaren wordt verwezen. Dit is alleen anders wanneer door de beklaagde een beroep wordt gedaan op de Dienstweigeringswet in welk geval de rechter zich in principe schikte naar het oordeel van de minister daarover. De minister oordeelde slechts over vrijstellingsverzoeken die gebaseerd waren op de overtuiging van een dienstplichtige ‘dat hij den evenmensch niet mag dooden’. Slechts dan werd door de rechtbank aanvaard dat het militaire delict ‘een onontkoombaar gevolg’ was van de gewetensbezwaren. In deze mogelijkheid was voorzien op grond van art. I Dienstweigeringswet 1023.
96.
In de Dienstweigeringswet was dat criterium van ‘ernstige gewetensbezwaren’ eng geïnterpreteerd in die zin dat het alleen ging om het bezwaar tegen doden. In de mogelijkheid dat andere ‘ernstige gewetensbezwaren’ reden konden zijn voor vrijstelling van de krijgsdienst werd op grond van die wet niet voorzien, maar evenwel niet uitgesloten.119.
97.
De wet noodzaakte echter dat de rechter indien nodig zich ook rekenschap gaf van gewetensbezwaren indien de minister daar geen beslissing over had genomen. Het Hoog Militair Gerechtshof in 1949 bepaalde hierover:
‘[Het Hof kan zich niet verenigen met de uitspraak van de Zeekrijgsraad] ondermeer omdat daaruit ten onrechte zou volgen, dat de rechter in enig opzicht door de administratie beperkt zou kunnen worden in zijn bevoegdheid om zelfstandig alle omstandigheden te onderzoeken, waaronder een misdrijf kan zijn gepleegd, dus ook het eventueel aanwezig zijn van gewetensbezwaren.’120.
[onderstreping advocaten]
98.
Dat de rechter daarin een zelfstandige taak had, mag blijken uit het feit dat de Dienstweigeringswet gebaseerd was op het destijds geldende grondwetsartikel 1922:121.
‘Bij de wet worden de voorwaarden genoemd, waarop wegens ernstige gewetensbezwaren vrijstelling van de krijgsdienst wordt verleend’
99.
De rechter hield echter in de zaken van cliënten geen rekening met het onontkoombaar gewetensconflict veroorzaakt door de misdrijven die tijdens de oorlog in Nederlands-Indië werden gepleegd. Ten aanzien van de Indië-deserteurs was volgens de rechtbanken sprake van een ‘groepsgeweten’ dat niet deugde, en waartegen streng moest worden opgetreden.122.
100.
Sinds de berechting van cliënten zijn feiten en omstandigheden bekend geworden die tezamen wel degelijk leidden tot ‘ernstige gewetensbezwaren’. Deze kennis zou dan ook hebben geleid tot een ander oordeel van de rechters ten aanzien van de strafbaarheid van de verweten dienstweigering. De kennis daarover ten tijde van de dienstweigering van cliënten had een strafuitsluitingsgrond kunnen opleveren. Immers, het kan niet van een soldaat worden verwacht dat hij zich willens en wetens in een situatie brengt waarbij er een grote kans is dat hij deel zal moeten nemen aan (oorlogs)misdaden.
101.
Cliënten stellen zich voorts op het standpunt dat het openbaar ministerie met haar vervolgingsbeleid destijds de beginselen van een behoorlijk strafprocesrecht heeft geschonden. Immers, niet alleen het concrete optreden — in casu de beslissing om cliënten te vervolgen — maar ook het beleid waarvan dat optreden een uitvloeisel is. moet de toets aan die beginselen kunnen doorstaan.123.
102.
Nu het vervolgingsbeleid jegens de Indië-deserteurs was ingegeven door het politiek-financieel beleid om enerzijds de rebellerende kolonie te zekeren en anderzijds de schatkist met de daaruit voortkomende deviezen te vullen, is sprake geweest van détournement de pouvoir. Bovendien zijn cliënten daardoor disproportioneel hard aangepakt. Gedegen kennis hierover had moeten leiden tot een beslissing van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Gesteld is dat het destijds in Nederland gevoerde beleid om alle Indië-deserteurs en masse te vervolgen, mede om een politiek-economische agenda veilig te stellen disproportioneel is geweest. Temeer nu het gevoerde beleid het feitelijke resultaat heeft gehad dat geen rekenschap werd gegeven aan de beweegredenen van beklaagden zoals cliënten.
103.
De onbestaanbaarheid van de veroordelingen van cliënten in het licht van het gestelde novum mag tevens blijken uit het Nederlandse beleid in de laatste zes decennia waarbij dienstweigering op grond van gewetensbezwaren aanzienlijk ruimere erkenning krijgt.
Nederlands beleid ten aanzien van gewetensbezwaren
104.
De tweede helft van de 20ste eeuw zag op internationaal niveau een ontwikkeling waarbij het niet volledig erkennen van gewetensbezwaren in toenemende mate werd afgekeurd. Ook Nederland heeft zich in de jaren na de politionele acties op internationaal niveau hardgemaakt voor de erkenning van de zogeheten conscientious objectors. Zelfs wanneer het ging om erkenning van politieke bezwaren in de context van de vaderlandse geschiedenis. Zo ondersteunde Nederland in 1978 een resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties waarin het recht om dienst te weigeren in het leger of bij de politie die gebruikt wordt om apartheid te ondersteunen, werd vastgelegd.124.
105.
Het recht om dienst te weigeren op grond van de aard en uitvoering van een oorlog is ook verder in de internationale arena erkend, hetgeen haar doorwerking heeft gevonden in de werkinstructies van de Nederlandse Immigratie en Naturalisatiedienst. Zo stelt de werkinstructie van de IND van 7 augustus 2000 het volgende over dienstweigering, desertie en vluchtelingschap.
‘Onderwerp: Dienstweigering en desertie in de Federale Republiek Joegoslavië (FRJ)
REK inzake Antikian van 12 april 1995 (EDS Object id. 368610). Uit deze uitspraak blijkt dat dienstweigering of desertie kan leiden tot vluchtelingschap indien de asielzoeker:
- C.
is gekomen tot dienstweigering of desertie, omdat hij niet betrokken wenst te worden bij een (soort) militaire actie die is veroordeeld door de internationale gemeenschap als strijdig met de grondbeginselen van humaan gedrag of die in strijd is met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict. Dit geldt ook, indien hij tot desertie of conflict te worden ingezet tegen zijn eigen volk of familie.’125.
106.
Vandaag de dag wordt het in Nederland dus niet bezwaarlijk gevonden om voor de betrokkene positieve juridische consequenties te verbinden aan gewetensbezwaren die voorvloeien uit bezwaar tegen het door een soevereine staat gevoerde (politieke) beleid dat onrechtmatig blijkt te zijn.
Kamervragen (voortschrijdend inzicht)
107.
Kamerleden Timmermans, Eijsink en Heijnen (PvdA) stelden op 8 en 15 juni 2012 Kamervragen over de mogelijkheden voor eerherstel voor, ondermeer, Indië-weigeraars. Op 17 september 2012 ontvingen zij van minister Hillen (Defensie) ondermeer de volgende reactie:
‘Rechters en bestuurders hebben het gedrag van personen getoetst aan de toenmalige normen en wetten. Dit heeft in sommige gevallen geleid tot het opleggen van een sanctie. In het besef dat de desbetreffende periode nu in een ander licht wordt gezien, acht ik het niet zorgvuldig de toetsing van het gedrag van individuele personen in algemene zin te herbeoordelen aan de hand van de hedendaagse normen en met de wetenschap van nu’126.
108.
De minister erkent derhalve dat het optreden van de dienstweigeraars uit de periode in kwestie tegenwoordig anders wordt beoordeeld dan voorheen.127.
109.
Het novumcriterium biedt de mogelijkheid om een zaak als deze te her-beoordelen in het licht van voortschrijdend inzicht ten aanzien grootschalige misstanden tijdens de politionele acties. Het betreft namelijk inzicht dat dermate fundamenteel is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de rechters van toen, met de kennis van nu, anders zouden hebben geoordeeld.
Tussenconclusie: onbestaanbaarheid veroordelingen
110.
Bij de berechting van cliënten is voorbij gegaan aan de omstandigheden waaronder zij uitzending van Nederland-Indië hebben geweigerd. Cliënten weigerden naar Nederlands-Indië te gaan omdat de ‘legerleiding over lijken ging’. Dat dat inderdaad het geval was en de Nederlandse militairen in Nederlands-Indië op grote schaal oorlogsmisdrijven begingen was evenwel de rechters in de jaren 50 niet bekend en kon derhalve niet als een omstandigheid worden meegenomen bij de beoordeling van het gedrag van cliënten mede bepaalde.
111.
In het licht van de nieuwe feiten over de politionele acties en het daaraan ontleende historisch besef was de veroordeling van cliënten onbestaanbaar. Het ernstige vermoeden bestaat dat de nieuwe feiten een strafuitsluitingsgrond hadden gevormd voor cliënten dan wel dat deze hadden geleid tot het oordeel dat het OM niet ontvankelijk was.
V. Eindconclusie
112.
Voor aanname van een novum moet sprake zijn van een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting niet bij de rechters bekend was. Tegelijkertijd moet het gaan om een gegeven dat het ernstige vermoeden met zich meebrengt dat indien de rechter daarmee bekend was geweest het tot een andere uitspraak in de zaak zou hebben geleid.
113.
Nadien verricht onderzoek heeft in de decennia na de veroordeling van cliënten nieuwe feiten naar voren gebracht aangaande de aard van het militair geweld dat tijdens de politionele acties werd ingezet. Dit complex aan gegevens heeft bovendien geresulteerd in gewijzigd inzicht aangaande de omstandigheden waaronder de politionele acties in Indonesië werden uitgevochten. Deze kennis wordt op maatschappelijk niveau ook gedeeld en kan bovendien in de sleutel worden geplaatst van het groeiend besef dat het leed dat door oorlogsmisdrijf wordt berokkend moet worden erkend en zo mogelijk hersteld.
114.
De ware omvang van oorlogsmisdaden door Nederlandse militairen gepleegd werd pas met de publicatie van de Excessennota in 1969 duidelijk. Later onderzoek heeft uitgewezen dat het daarbij ook niet ging om incidentele wandaden, maar grootschalig, systematisch optreden waaraan Nederlandse militairen niet konden ontkomen. In het kielzog van de constatering door de rechtbank 's‑Gravenhage van 14 september 2012 aangaande het bloedbad in Rawagedeh komen meer zaken naar voren die eveneens direct ingrijpen op de rechtmatigheid het in Indonesië uitgevochten conflict. Zo is voor de rechtbank in Den haag een dagvaardingsprocedure namens nabestaanden en slachtoffers begonnen betreffende de misdrijven begaan door kapitein [kapitein] op Zuid-Celebes.
115.
Het is aannemelijk dat de zittingsrechters in 1950 en 1951 niet of nauwelijks op de hoogte waren van de feitelijke situatie in Indonesië en de positie van dienstplichtigen aldaar.
116.
De nieuwe gegevens over en voortschrijdend inzicht aangaande de misdrijven begaan tijdens de politionele acties heeft de juistheid van de in 1950 en 1951 over cliënten gevelde vonnissen in fundamentele zin aangetast. Van een soldaat kán en mag immers niet worden verwacht dat hij zich willens en wetens in een situatie brengt waarbij hij zich, al dan niet gedwongen, moet betrekken bij het plegen van oorlogsmisdaden. Dit zou hebben moeten leiden tot aanname van een rechtvaardigingsgrond ten aanzien van cliënten. Met de kennis van nu over de politionele acties kan gesteld worden dat er bij cliënten sprake was van overmacht in de zin van een noodtoestand. Er was immers een oprecht conflict tussen de dienstplicht enerzijds, en de plicht die op grond van hun eigen geweten bestond. Cliënten hebben ervoor gekozen om hun geweten te volgen; met de kennis van nu is dat de juiste keuze geweest.
117.
Het was voor de Indië-deserteurs in de praktijk onmogelijk om zich met succes te beroepen op hun principiële gewetensbezwaren zodat de mogelijkheid van een rechtvaardigingsgrond kon worden onderzocht. Omdat de zittingsrechters van deze feitelijke omstandigheden dat daaraan kan worden ontleend, geen rekenschap hebben kunnen geven, rijst het ernstige vermoeden dat zij bij kennis daarvan in ieder geval tot een ander oordeel zouden zijn gekomen over het optreden van cliënten. De processen legen de Indië-deserteurs waren namelijk politiek van aard en werden aan de lopende band afgedaan met de schijn van rechtmatigheid. Het is dan ook onmogelijk dat in het kader van deze summiere strafprocessen voldoende acht werd geslagen op mogelijke strafuitsluitingsgronden.
118.
Voorts was het relevante vervolgingsbeleid destijds ingegeven door het beleid van de Nederlandse regering om, met name uit financiële overwegingen, orde op zaken te stellen in haar revolterende kolonie. Een en ander sloot de mogelijkheid uit dat aan de rechtmatigheid van dat beleid getwijfeld kon worden en dat daartegen dus bij militairen oprechte bezwaren konden bestaan. Een en ander leidde dan ook in de praktijk tot strafvervolging waarbij geen ruimte bestond voor principiële gewetensbezwaren. Daarmee was het beleid en de feitelijke uitwerking daarvan in strijd met het beginsel van zuiverheid van oogmerk. Bovendien kan gesteld worden dat derhalve geen sprake is geweest van een redelijke en billijke belangenafweging waardoor personen zoals cliënten disproportioneel hard zijn aangepakt.
119.
In het licht van bovenstaande is voldaan aan de vereisten van art. 457 lid 1 sub c Sv.
120.
Cliënten wensen dit herzieningsverzoek mondeling toe te lichten.
REDENEN WAAROM: wij ons namens cliënten tot uw college wenden met het verzoek de twee strafzaken in kwestie te (doen) herzien wegens aanwezigheid van een novum.
Amsterdam, 14 december 2012
Liesbeth Zegveld Brechtje Vossenberg
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 14‑12‑2012
Artikelen 126 en 127 WvMSr (nieuw).
Artikel 100 lid 1, aanhef en onder 3ojuncto artikel 96 lid 3 en onder 3o WvMSr (nieuw).
Zie bijvoorbeeld uitspraak Zeekrijgsraad bij de Strijdkrachten in het Oosten, vonnis van 26 maart 1943: ‘dat gelet op den persoon van beklaagde en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en rekening houdende met de eischen van generale preventie’; Krijgsraad te Velde West, vonnis van 24 april 1957; ‘Overwegende dat de Krijgsraad na te melden straf in overeenstemming acht met de ernst van het gepleegde feit, en de omstandigheden waaronder het werd begaan, mede gelet op de persoon des daders’
Een Indonesië weigeraar vertelt zijn verhaal, [cliënt 1] 2002, p.40
Documentaire Andere Tijden, VPRO, 25 januari 2001.
Documentaire Andere Tijden, VPRO, 25 januari 2001.
Proces-verbaal van relaas Koninklijke Marechaussee, 15 december 1949 (p. 32); Rapport Indië-deserteur in Schoonhoven, 7 oktober 1949 (p. 42).
‘Indië-weigeraars’ (brochure), Vredesmuseum, 2005, p. 5
K. Bals & M. Gerritsen, De Indonesië-weigeraars (Materiaalfonds Vereniging Dienstweigeraars 1989), p. 34. Een Indonesië weigeraar vertelt zijn verhaal, [cliënt 1], juni 2002, p. 78.
Inspectie Geneeskundige Dienst der Koninklijke Landmacht, Dr. [psychiater], 24 januari 1950 (p. 37).
Verhoor van beklaagde. Pro Justitia, 17 januari 1950 (p. 38).
Een Indonesië weigeraar vertelt zijn verhaal, [cliënt 1], juni 2002, p. 76.
Een Indonesië weigeraar vertelt zijn verhaal, [cliënt 1], juni 2002, p. 79.
In eerste instantie gaf [cliënt 1] zijn raadsvrouw te kennen dat hij geen heil zag in hoger beroep omdat hij niet geloofde dat er zoveel [van de straf] af zou gaan. Zie brief d.d. 31 januari 1950 van [cliënt 1] aan Soenieto-Heligers (p. 16).
Notulen van de zitting van het Hoog Militair Gerechtshof op 19 april 1950 (p. 7).
Op grond van art. I Dienstweigeringswet 1923 kon een soldaat een verzoek indienen om vrijgesteld te worden van de dienstplicht wegens religieuze bezwaren (te weten: ‘op grond van zijn overtuiging dat hij den evenmensch niet mag dooden, ook wanneer dit ingevolge Overheidsbevel geschiedt’). De minister besliste over dat verzoekschrift na advies van de Commissie voor Dienstweigering.
Een Indonesië weigeraar vertelt zijn verhaal, [cliënt 1], juni 2002, p. 87.
Sententie in de zaak met rolnummer 43/50 van 3 mei 1950 (p. 3).
Justitiële Verklaring van 12 september 1950 (p. 20).
Henny Zwart, Er waren zij die niet gingen (Solidariteit 1995), p. 98: het eerste contingent moest zich op 17 september [1946] terugmelden.
Dossier Hoog Militair Gerechtshof, handgeschreven verklaring [cliënt 2] (p. 41); cliënt had brieven gestuurd naar Den Haag met het verzoek zijn diensttijd in Nederland uit te kunnen dienen.
Justitiële Verklaring van 12 september 1950 (p. 21).
Henny Zwart, Er waren zij die niet gingen (Solidariteit 1995), p. 75 e.v.; Vonnis van 11 oktober 1950, Krijgsraad te Velde West ('s‑Gravenhage), rolnummer 739; zie verder Sententie van 9 januari 1951, Hoog Militair Gerechtshof, rolnummer 212/50.
Henny Zwart, Er waren zij die niet gingen (Solidariteit 1995), p. 75 e.v. Nu hij zichzelf echter had aangemeld voor militaire dienst was het voor hem lastig om zich te beroepen op de Dienstweigeringswet. Bovendien blijkt dat zelfs indien hij een beroep had gedaan op de Dienstweigeringswet, hij waarschijnlijk alsnog naar het voormalig Nederlands Indië zou zijn gestuurd. Zie K. Bals & M. Gerritsen, De Indonesië-weigeraars (Materiaalfonds Vereniging Dienstweigeraars 1989), p. 59; zie ook de uitspraak in kort geding door de rechtbank Den Haag van 11 oktober 1946 waarin werd geoordeeld dat inscheping hangende een beroep op de Dienstweigeringswet niet strijd was met de rechten van vier principiële dienstweigeraars.
Justitiële Verklaring van 12 september 1950 (p. 21).
Vonnis van 11 oktober 1950, Krijgsraad te Velde West ('s‑Gravenhage), rolnummer 739 (p. 13).
Vonnis van 11 oktober 1950, Krijgsraad te Velde West ('s‑Gravenhage), rolnummer 739; zie verder Sententie van 9 januari 1951, Hoog Militair Gerechtshof, rolnummer 212/50. Dat is zes maanden langer dan door de Auditeur-Militair van de Krijgsraad werd geëist, zie Vonnis van 11 oktober 1950, Krijgsraad te Velde West ('s‑Gravenhage), rolnummer 739 (p. 11) en Conclusie van Eisch overgegeven aan den Krijgsraad te velde door den Auditeur-Militair bij dien Krijgsraad, Eischer R.O. op en jegens [cliënt 2] (p. 19).
Koninklijke Marechaussee, proces-verbaal van aanhouding/verhoor no. P329/50 van 13 juni 1950 (p. 25–26).
Verhoor van beklaagde bij de Officier-Commissaris bij de Krijgsraad te Velde van den Chef. G.S. Kapitein mr. [naam 1] van 27 september 1950 (p. 32).
‘Indië-weigeraars’ (brochure), Vredesmuseum, 2005, p. 5.
Hoog Militair Gerechtshof, verhoor van beklaagde van 19 december 1950 (p. 5).
Hoog Militair Gerechtshof, Sententie in de zaak met rolnummer 212/50, 9 januari 1951,
Acte Hoger Beroep van 20 oktober 1950 (p. 53).
Henny Zwart, Er waren er die niet gingen: vijftien eeuwen straf voor Indonesië-weigeraars (Solidariteit 1995), p. 80–81
Henny Zwart, Er waren zij die niet gingen (Solidariteit 1995), p. 80–81.
Geciteerd in 2K, ‘Memorie van Toelichting’, kst 32 045, nr. 3 (2008–2009 p. 5.
Tekst & Commentaar, Wetboek van Strafvordering, 9e Druk, p. 1517 (Bleichrodt).
2K, ‘Memorie van Toelichting’, kst 32 045, nr. 3 (2008–2009 p. 8.9.
1K, ‘Memorie van Antwoord’, kst 35 045 C (2011–2012), p. 2, 4, 5; Conclusie AG Aben bij LJN BX6402, Hoge Raad, 4 september 2012, par. 2.2; zie ook 2K, ‘Advies Raad van State en Nader Rapport’, p. 1 (‘zodat bijvoorbeeld ook gewijzigde inzichten van deskundigen een novum kunnen opleveren’).
Conclusie AG Aben van 4 september 2012 bij LJN BX6402, Hoge Raad 2 oktober 2012 (Herzieningsverzoek [naam 2]), par. 2.
2K, ‘Nota naar aanleiding van het verslag’, kst 32 045, nr. 6 (2008–2009), p. 3.
2K, ‘Memorie van Toelichting’, kst 23 045, nr. 3 (2008–2009), p. 27.
1K, ‘Memorie van Antwoord’, kst 35 045 C (2011–2012), p. 2, 4, 5; Conclusie AG Aben bij LJN BX6402, Hoge Raad, 4 september 2012. par. 2.2; zie ook 2K, ‘Advies Raad van State en Nader Rapport’, p. 1 (‘zodat bijvoorbeeld ook gewijzigde inzichten van deskundigen een novum kunnen opleveren’).
2K, ‘Nota naar aanleiding van het verslag’, kst 32 045, nr. 6 (2008–2009), p. 3.
Conclusie AG Aben van 4 september 2012 bij LJN BX6402, Hoge Raad 2 oktober 2012 (Herzieningsverzoek [naam 2] ), par. 2. In zijn conclusie betoogde AG Aben dat de Wet Verruiming Herziening ten voordele van toepassing moest zijn op dat herzieningsverzoek nu de wet op 1 oktober 2012 in werking zou treden.
Conclusie AG Aben van 4 september 2012 bij LJN BX6402, Hoge Raad 2 oktober 2012 (Herzieningsverzoek [naam 2]), par. 2.
Rapport van 26 augustus 1954 door C. Van Rij en W.H.J. Stam, p. I (‘Conclusies’).
Rapport van 26 augustus 1954 door C. Van Rij en W.H.J. Stam, p. II (‘Conclusies’).
Rapport van 26 augustus 1954 door C. Van Rij en W.H.J. Stam, p. II (‘Conclusies’).
Rapport van 26 augustus 1954 door C. Van Rij en W.H.J. Stam, p. IV (‘Conclusies’).
Rapport van 26 augustus 1954 door C. Van Rij en W.H.J. Stam, ‘Inleidende brief’.
De Excessennota (ingeleid door Jan Bank) (SDU 1995), Bijlage 2: De Zuid-Celebes Affaire, p. 7.
‘Eindelijk excuses voor bloedbad Rawagede ('47)’, NRC Handelsblad d.d. 9 december 2011; weliswaar ontving Kamerlid Goedhard (soc.) in 1949 brieven van soldaten over gruwelen, hij trok zijn motie hierover na toezegging van de Minister weer in, zie berichtgeving Het Parool, samengevat in De Excessennota (ingeleid door Jan Bank) (SDU, 1995), p. 263–264
Zie ondermeer De Excessennota (ingeleid door Jan Bank) (SDU 1995), inleiding door Bank, p. 8–9.
T. Schouten, Dwaalsporen: Oorlogsmisdaden in Nederlands Indië 1945–1949 (1995), p. 168.
T. Schouten. Dwaalsporen: Oorlogsmisdaden in Nederlands Indië 1945–1949 (1995), p. 168; zie ook Henny Zwart, Er waren zij die niet gingen (Solidariteit 1995), Hoofdstuk ‘De nationale zenuw getroffen’.
T. Schouten, Dwaalsporen: Oorlogsmisdaden in Nederlands Indië 1945–1949 (1995), p. 168–169; 2K Handelingen 21 januari 1969 (1968–1969), Kamervragen van Den Uyl [PvdA], p. 1236.
2K, ‘Nota betreffende het archievenonderzoek naar gegevens omtrent excessen in Indonesië begaan door Nederlandse militairen in de periode 1945–1950’, kst 10 008, nr. 3 (1968–1969). Overigens was het archievenonderzoek reeds vóór de gestelde Kamervragen gelast, zie J.A.A. van Doorn en W.J. Hendrix, Ontsporing van Geweld, 2e Druk (Walburg 2012), p. 314: ‘[D]e met het werk belaste historici wensten zich dan ook niet te begeven in de vraagstelling die het land in de late jaren zestig bezighield’.
De Excessennota (ingeleid door Jan Bank) (SDU, 1995).
De Excessennota (ingeleid door Jan Bank) (SDU, 1995), p. 31 (‘IV Slotbeschouwing’).
Henny Zwart, Er waren zij die niet gingen (Solidariteit 1995), Hoofdstuk ‘De nationale zenuw getroffen’; De Excessennota (ingeleid door Jan Bank) (SDU, 1995), inleiding Bank p. 10.
Excessennota (ingeleid door Jan Bank) (SDU, 1995), inleiding Bank p. 16.
J.A.A. van Doorn en W.J. Hendrix, Ontsporing van Geweld, 2e Druk (Walburg 2012), p. 224.
Rechtbank 's‑Gravenhage, uitspraak van 14 september 2011, LJN: BS8793
Rechtbank 's‑Gravenhage, uitspraak van 14 september 2011, LJN: BS8793, r.o. 4.2, 4.3
Rechtbank 's‑Gravenhage, uitspraak van 14 september 2011, LJN: BS8793, r.o. 4.14
Ed Sturm, ‘Ben Bot: over het verleden heenkijken’, Trouw, 19 augustus 2005.
ANP, ‘Nederlandse excuses aan nabestaanden’, 5 december 2011; Persbericht Nederlandse Ambassade te Jakarta, Indonesië, ‘Nederland biedt nabestaanden Rawagedeh excuses aan’, 5 december 2011: tekst toespraak Chef de Poste Tjeerd de Zwaan, 9 december 2011
Deze gang van zaken werd bevestigd door zowel oud-minister Jan Pronk als oud-hoofddirecteur van de Rijksvoorlichtingsdienst Hans van der Voet, zie Jan Hoedeman, ‘Kok hield excuus Beatrix tegen’, de Volkskrant 23 april 2005,
C. c.s.
De Excessennota (ingeleid door Jan Bank) (SDU, 1995), ‘Bijlage 5: Overzicht van de in de onderzochte overheidsarchieven aangetroffen gegevens met betrekking tot excessen’, p. 62–120.
J.A.A. van Doorn en W.J. Hendrix, Ontsporing van Geweld, 2e Druk (Walburg 2012), p. 314–315.
T. Schouten, Dwaalsporen: Oorlogsmisdaden in Nederlands Indië 1945–1949 (1995), p. 167.
De Excessennota (ingeleid door Jan Bank) (SDU, 1995), p. 255 e.v.
Henny Zwart, Er waren zij die niet gingen (Solidariteit 1995), Hoofdstuk ‘De nationale zenuw getroffen’.
De Excessennota (ingeleid door Jan Bank) (SDU, 1995), Bijlage 12: ‘Overzicht van de in parlementaire stukken aangetroffen gegevens’, p. 173.
De Excessennota (ingeleid door Jan Bank) (SDU, 1995), p. 255 (berichtgeving ANP)
De Excessennota (ingeleid door Jan Bank) (SDU, 1995) Bijlage 2: De Zuid-Celebes Affaire, p. 47. Het rapport van onderzoekers Van Rij en Stam werd eerst bij de publicatie van de Excessennota openbaar gemaakt en is derhalve ten aanzien van de kennis van rechters ex tunc minder relevant.
Het mandaat van de Commissie Enthoven was om ‘een onderzoek in te stellen naar de oorzaken, de omvang en verschijningsvormen van de ongeregeldheden, welke gedurende het tijdvak December 1946 Februari 1947 in Zuid-Celebes hebben plaats gevonden, alsmede de maatregelen en acties, welke hebben geboerd tot het herstel van de orde en rust in het betrokken gebied (…) aan een critische beschouwing te onderwerpen’ (bron: Rapport-van Rij/ Stam, p. 16).
De Excessennota (ingeleid door Jan Bank) (SDU, 1995) Bijlage 12: ‘Overzicht van de in parlementaire stukken aangetroffen gegevens’, p. 65.
De Excessennota (ingeleid door Jan Bank) (SDU, 1995) Bijlage 12: ‘Overzicht van de in parlementaire stukken aangetroffen gegevens’, p. 65.
Willem IJzereef, De Zuid-Celebes Affaire: kapitein [kapitein] en de standrechtelijke executies (De Bataafsche Leeuw: 1984) p. 151: De Excessennota (ingeleid door Jan Bank) (SDU, 1995) Bijlage 12: ‘Overzicht van de in parlementaire stukken aangetroffen gegevens’, p. 4: ‘De vraag of de regering voornemens was tegen [kapitein] ter zake van het hem toegeschreven onmenselijk optreden op Zuid-Celebes een rechtsvervolging in te stellen werd ontkennend beantwoord.’
Geschiedenis24 documentaire, Terreur op Celebes, deel 2; zie ook De Excessennota (ingeleid door Jan Bank) (SDU, 1995) Bijlage 2: ‘De Zuid Celebes Affaire’, p. 59.
Anne Lot Hoek, ‘Weigeraars op Java’, Vrij Nederland, 23 juni 2012 p. 38–41.
Zie ook de uitspraak van de Krijgsraad bij de Zeemacht in Oost Indië, 5 januari 1948 en de sententie van dat vonnis door het Hoog Militair Gerechtshof van Ned.-Indië op 24 maart 1948 (‘Brandstichtingssententie’).
De Excessennota (ingeleid door Jan Bank) (SDU, 1995), ‘Bijlage 5: Overzicht van de in de onderzochte overheidsarchieven aangetroffen gegevens met betrekking tot excessen’, p. 76–77.
Zie bijvoorbeeld ook de berichtgeving over de Pakisadji-affaire in De Excessennota (ingeleid door Jan Bank) (SDU, 1995), p. 267, 9-10-1948 (berichtgeving Vrij Nederland) en p. 273, 3-12-1948 (berichtgeving Paraaf)
Anne Lot Hoek. ‘Weigeraars op Java’, Vrij Nederland, 23 juni 2012 p. 40; De Excessennota (ingeleid door Jan Bank) (SDU, 1995) Bijlage 5: ‘Overzicht van de in de onderzochte overheidsarchieven aangetroffen gegevens met betrekking tot excessen’, p.77.
De Exeessennota (ingeleid door Jan Bank) (SDU, 1995), p. 260 (berichtgeving ANP): tevens idem Bijlage 5: ‘Overzicht van de in de onderzochte overheidsarchieven aangetroffen gegevens met betrekking tot excessen’, p.78.
Documentaire Andere Tijden, VPRO, 25 januari 2001; zie ook voorwoord van W.F. (Wim) Wertheim bij Henny Zwart, Er waren zij die niet gingen (Solidariteit, 1995).
Ben Dankbaar, ‘Dienstweigering en desertie tijdens de oorlog met Indonesië 1945–1950’ in Bond voor Dienstplichtigen nr. 33, Soldatenverzet politionele akties Indië ‘48–’49, p 1; Vredesmuseum, brochure ‘Indië- weigeraars’, 3 februari 2005; Henny Zwart, Er waren er die niet gingen: vijftien eeuwen straf voor Indonesië- weigeraars (Solidariteit 1995), p. 79.
Fiedeldij Dop en Simons, ‘De berechting van de Indië-deserteurs’, Vrij Nederland, 10 december 1983, p. 6. Pootjes werd op allerlei mogelijke manieren in diskrediet gebracht, zijn werk werd tijdens zittingen van de Krijgsraad als ‘verachtelijk’ omschreven en er werd tevergeefs gepoogd hem krankzinnig te verklaren.
Henny Zwart, Er waren zij die niet gingen (Solidariteit 1995), p. 99.
Henny Zwart, Er waren zij die niet gingen (Solidariteit 1995), p. 98.
Henny Zwart, Er waren zij die niet gingen (Solidariteit 1995), p. 98; [Luitenant-Generaal] was na 1944 verantwoordelijk voor de berechting van Nederlandse collaborateurs.
Fiedeldij Dop en Simons, ‘De berechting van de Indië-deserteurs’, Vrij Nederland, 10 december 1983, p. 6; Vredesmuseum, brochure ‘Indië-weigeraars’, 3 februari 2005.
Documentaire Andere Tijden, VPRO, 25 januari 2001.
Vredesmuseum, brochure ‘Indië-weigeraars’, 3 februari 2005.
Jeroen Zonneveld, 'Gesprek met Henny Zwart over ‘Er waren er die NIET gingen’, Solidariteit, nr. 68 (juli 1995).
Koninklijke Marechaussee, proces-verbaal van aanhouding/verhoor no. P329/50 van 13 juni 1950 (p. 25–26); Dagvaarding van getuigen ter terechtzitting 25 september 1950 tegen [schoonvader cliënt 2] en [naam 3], no. 2319/V/50/G. en 2320/V/50/G (p. 59–60); Henny Zwart, Er waren zij die niet gingen (Solidariteit 1995), p. 76
Fiedeldij Dop en Simons, ‘De berechting van de Indië-deserteurs’, Vrij Nederland, 10 december 1983, p. 11.
Fiedeldij Dop en Simons, ‘De berechting van de Indië-deserteurs’, Vrij Nederland, 10 december 1983, p. 11–14
Fiedeldij Dop en Simons, ‘De berechting van de Indië-deserteurs’, Vrij Nederland, 10 december 1983, p. 12.
Fiedeldij Dop en Simons, ‘De berechting van de Indië-deserteurs’, Vrij Nederland, 10 december 1983, p. 12.
Documentaire Andere Tijden, VPRO, 25 januari 2001.
Ad van Liempt, ‘Indonesië-weigeraars wachten nog steeds op erkenning’, 25 juni 2012, Geschiedenis24, p. 2m 5; Henny Zwart, Er waren zij die niet gingen (Solidariteit(1995), hoofdstuk 1.
Fiedeldij Dop en Simons, ‘De berechting van de Indië-deserteurs’,Vrij Nederland, 10 december 1983, p. 19: ‘Voor de krijgsraad was het van beslissende betekenis of een deserteur zich alsnog Indiëbereid verklaarde.’
K. Bals & M. Gerritsen, De Indonesië-weigeraars (Materiaalfonds Vereniging Dienstweigeraars 1989), p. 34.
Fiedeldij Dop en Simons, ‘De berechting van de Indië-deserteurs’, Vrij Nederland, 10 december 1983, p. 18.
Fiedeldij Dop en Simons, ‘De berechting van de Indië-deserteurs’, Vrij Nederland, 10 december 1983. p. 18.
Henny Zwart, Er waren er die niet gingen: vijftien eeuwen straf voor Indonesië-weigeraars (Solidaritei 1995); Fiedeldij Dop en Simons, ‘De berechting van de Indië-deserteurs’, Vrij Nederland, 10 december 1983, p. 9.
Ineke Jungschleger, ‘Het waren geen deserteurs, maar dienstweigeraars’, Volkskrant 20 januari 1995; ‘Indië-weigeraars’ (brochure), Vredesmuseum, 2005, p. 4.
K. Bals & M. Gerritsen, De Indonesië-weigeraars (Materiaalfonds Vereniging Dienstweigeraars 1989), p. 38, 47; Fiedeldij Dop en Simons, ‘De berechting van de Indië-deserteurs’. Vrij Nederland, 10 december 1983, p. 26.
Fiedeldij Dop en Simons, ‘De berechting van de Indië-deserteurs’, Vrij Nederland, 10 december 1983, p. 26. ‘Indië-weigeraars’ (brochure), Vredesmuseum, 2005, p. 5.
K. Bals & M. Gerritsen, De Indonesië-weigeraars (Materiaalfonds Vereniging Dienstweigeraars 1989), p. 82–85
Henny Zwart, Er waren zij die niet gingen (Solidariteit 1995), p. 80. Zie ook het verhaal van [overleden echtgenote cliënt 2], de in 1994 overleden echtgenote van [cliënt 2] in Henny Zwart, Er waren zij die niet gingen (Solidariteit 1995).
Fiedeldij Dop en Simons, ‘De berechting van de Indië-deserteurs’, Vrij Nederland, 10 december 1983, p. 22; zie ook Een Indonesië weigeraar vertelt zijn verhaal, [cliënt 1], juni 2002, p. 104.
Bijeenkomst van Leden op zaterdag 18 februari 1950: mevr. prof. mr. D. Hazewinkel-Suringa, ‘Enige beschouwingen over dienstweigeraars en hun behandeling’, p. 232. Daarin werd gesteld dat de grondwettigheid van de Dienstweigeringswet onderhevig was aan ernstige twijfel.
Hoog Militair Gerechtshof, sententie van 22 november 1949.
Uitspraak Zeekrijgsraad te 's‑Gravenhage, vonnis van 9 december 1948 (p. 308); Uitspraak Hoog Militair Gerechtshof te 's‑Gravenhage, sententie van 22 februari 1949 (p. 312)
G.J.M. Corstens, Het Nederlands Strafprocesrecht, 7e Druk (Kluwer 2011), p. 45; zie verder idem 49–52 aangaande het beginsel van zuiverheid van oogmerk en het beginsel van redelijke & billijke belangenafweging.
Quaker Office at the United Nations, UN's modest milestone on Conscientious Objection 2 (1979).
Zie ‘Werkinstructie 234’ van de hoofddirecteur IND, van 7 augustus 2000.
AH-TK-20112012-3479, antwoorden van minister van defensie Hillen op vragen 4–5 van Kamerleden Timmermans en Heijnen (PvdA) aangaande dienstweigeraars politionele acties, 17 september 2012; Zie ook AH-1K-20112012-3478, antwoord van minister van defensie Hillen op vraag 4 van Kamerleden Timmermans en Eijsink (PvdA) aangaande Pakisadji mariniers, 17 september 2012.
Dat ook de rol van de personen die destijds dienst weigerden in een ander daglicht kon worden gezien werd overigens reeds op 25 februari 2000 door toenmalig premier Wim Kok reëel geacht. Zie ‘Poncke Prinsen blij met excuus aan Indonesië’, de Volkskrant, 28 februari 2000; zie ook Bert Bannekes, ‘Kok wil spijt betuigen voor koloniale periode Indonesië’, NCPN [datum onbekend].