Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/2.3.4
2.3.4 De wilsvertrouwensleer
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS585031:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Asser-Rutten 3-11 (derde druk), p. 71.
Meijers 1921, p. 141 e.v. Zie ook Meijers 1948, p. 211 e.v.
Meijers verwijt de aanhangers van de vertrouwensleer vanwege hun vooropstelling van het vertrouwen dan ook een 'overmaat aan belangstelling voor het abnormale'; zie het genoemde artikel 'De grondslag der aansprakelijkheid bij contractueele verplichtingen' op p. 142.
In deze zin o.m. Schut 1987, p. 66 en Smits 2002, § 2.2, als te vinden op http://arno.unimaas.nl/show.cgi?fid=5036. Zie ook Hijma e.a. 2010, nr. 265.
Zie in deze zin met name Van Dunné 1971, p. 305 e.v. Zie voorts Blei Weissmann, Losbl. Contractenrecht* II, nr. 24.
Zie bijv. Hijma 1988, p. 15-16.
Van Dunné 1971, p. 321 e.v.
Van Dunné 1971, p. 323.
Ten slotte de wilsvertrouwensleer. Kort gezegd komt deze leer neer op een correctief van de wilsleer: de overeenkomst komt normaliter tot stand op grond van de wil van de verklarende. Eerst indien bij hem de (met de verklaring corresponderende) wil ontbreekt, kan de gebondenheid aan de verklaarde wil worden gegrond op het gerechtvaardigde vertrouwen van de wederpartij dat de wil en de verklaring van de nolens overeenstemden. Deze leer is door onder meer Meijers en nadien Rutten verdedigd.1 Eerstgenoemde maakt in zijn beroemde opstel "De grondslag der aansprakelijkheid bij contractueele verplichtingen”2 uit 1921 korte metten met de gedachte dat vertrouwen de grondslag van gebondenheid zou zijn: normaliter is het niet het vertrouwen, maar de wil, die de binding aan het overeengekomene teweegbrengt. Het vertrouwen leidt slechts tot binding in het abnormale geval dat wil en verklaring elkaar niet dekken.3
"Er bestaat derhalve niet een dilemma, geuite wil of opgewekt vertrouwen, maar geuite wil en, tot aanvulling daarnaast, het opgewekt vertrouwen, zijn beide verbindende feiten (curs. PSB)."
Beide kunnen in de visie van Meijers derhalve de gebondenheid teweegbrengen, met dien verstande dat aan de wil als grondslag voor normale gevallen logischerwijs het primaat behoort toe te komen.
Hoewel de wilsvertrouwensleer in Nederland als heersend4 moet worden aangemerkt, heeft zij in de loop der tijd de nodige kritiek ondervonden. Deze kritiek heeft hoofdzakelijk te maken met het feit dat in de wilsvertrouwensleer de wil nog altijd de primaire en belangrijkste pijler van gebondenheid is.5 Deze pijler wordt door velen evenwel als ondeugdelijk beschouwd om de binding aan het overeengekomene te schragen.6 De meest vergaande kritiek is afkomstig van J.M. van Dunné.7 In zijn in 1971 verschenen proefschrift "Normatieve uitleg van rechtshandelingen" hekelt Van Dunné het zijns inziens axiomatisch karakter van de wilsleer en verwijt hij Meijers dat deze uit een sein een sollen afleidt: dat de rechtsgevolgen van een overeenkomst in doorsneegevallen overeenkomen met de wil van partijen "rechtvaardigt (nog niet), dat die subjektieve wil noodzakelijkerwijs het bindend element van de op een overeenkomst gerichte rechtshandeling is "8 De kritische bejegening van de wilsvertrouwensleer is voortgezet door de hierna te bespreken schrijvers Hijma, Smits en Nieuwenhuis. Hoewel hun alternatieve gebondenheidsleren onderling sterk van elkaar verschillen, hebben zij met elkaar gemeen dat in elk van hen wil en vertrouwen als zodanig als grondslag van gebondenheid worden verworpen.