Bijlage 23 verweerschrift in eerste aanleg.
HR, 01-11-2024, nr. 23/00324
23/00324
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
01-11-2024
- Zaaknummer
23/00324
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 15‑11‑2024
ECLI:NL:HR:2024:1557, Uitspraak, Hoge Raad, 01‑11‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2022:4702
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2024/1807
Sdu Nieuws Belastingzaken 2024/1272
NTFR 2024/1792 met annotatie van Mr. V.S. Huygen van Dyck-Jagersma
V-N 2024/48.16 met annotatie van Redactie
NLF 2024/2499 met annotatie van Eddo Hageman
Viditax (FutD) 2024110101
FutD 2024-2295
BNB 2025/17 met annotatie van E.B. PECHLER
Belastingadvies 2025/1-2.13
FED 2025/21 met annotatie van I.L.S. IJzerman
Beroepschrift 15‑11‑2024
Edelhoogachtbaar College,
Namens eiser in cassatie, [X], hierna: ‘eiser’, dien ik hierbij het volgende cassatiemiddel in.
1. Inleiding
Het cassatieberoep stelt aan de orde het oordeel van het gerechtshof dat verweerder voortvarend heeft gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2001 tot en met 2008 zoals is vereist op grond van het evenredigheidsbeginsel.
Kort samengevat heeft verweerder voor het gerechtshof gesteld dat bij de beoordeling of voortvarend is gehandeld rekening moet worden gehouden met tijdsverloop dat gemoeid is geweest met de beoordeling van de gevolgen voor de belastingheffing van het feit dat de gelden waarvan werd ingekeerd op enig moment middels een trust, [A] Inc, werden gehouden. Verweerder verwijst in dat verband naar de volgende email:
‘Hoi […],
Bij mij is in behandeling het dossier van [X] (ook opgenomen in de APV applicatie):
na diverse correspondentie met belastingplichtige/tussenpersoon heb ik besloten het standpunt in te nemen het vermogen in Box 3 te belasten (ook voor de 4 jaar dat het vermogen achter de facade van [A] Inc. was gestald).
Redenen voor mijn standpunt:
Redenen voor mijn standpunt:
- —
de belastingplichtige heeft geen gegevens van de Ine., als er gegevens worden opgevraagd moet dat telkens via de bank lopen, eventuele stukken liggen daar;
- —
belastingplichtige weet niets van de Ine., voor hun gevoel bestond de Ine niet, ze beschikten vrij over het vermogen, zonder tussenkomst ban de bank/lnc, derhalve alsof het de persoonlijke bankrekening van belastingplichtige was.;
- —
er zijn nooit aandeelhoudersvergaderingen gehouden of jaarrekeningen/-verslagen gemaakt, er is geen titel van inbreng (de gelden zijn overgemaakt naar de rekening op naam van de Ine en later weer teruggestort op de rekening op naam van belastingplichtige zelf);
- —
de Inc. is puur gebruikt als huls, als barrière om het vermogen moeilijker traceerbaar te maken zodat het vermogen niet rechtstreeks op naam van belastingplichtige stond;
- —
derhalve reken ik de vermogensbestanddelen op naam van de Inc. toe aan belastingplichtige.
Het vorenstaande past ook bij het gevoel wat ik bij dit dossier heb.
Mocht jij een andere mening zijn toegedaan dan stel ik voor het dossier over te dragen aan Den Haag (of een andere locatie waar op dit moment de Box 2 gevallen behandeld warden). In dat geval ontvang ik graag, op korte termijn, van jou de naam van degene met wie ik contact kan opnemen voor het doorsturen van dit dossier.’1.
Voorts heeft verweerder gesteld dat bij de beoordeling van de voortvarendheid van de aanslagoplegging over jaren 2001–2003 rekening moet worden gehouden met een verzoek van de inspecteur om de aanslagtermijn te verlengen. Eiser heeft in dat verzoek niet bewilligd.
Eiser bestrijdt het oordeel van het gerechtshof dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de beoordeling van de fiscale gevolgen van het aandeelhouderschap in of de betrokkenheid bij [A] Inc. redelijkerwijs noodzakelijk was voor de vaststelling van de aanslagen over de jaren 2001–2008 en dat mitsdien het evenredigheidsbeginsel niet is geschonden. Daarbij wijst eiser er onder andere op dat ten aanzien van [A] Inc. in rechte als onbestreden vast staat dat deze is opgericht op 29 oktober 2008 en eiser pas op 14 mei 2009 daarvan aandeelhouder is geworden.2.
2. Gronden van het cassatieberoep
Als gronden voor dit cassatieberoep draagt belanghebbende het volgende cassatiemiddel aan.
Middel I
Schending, althans verkeerde toepassing van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming tot nietigheid leidt, doordat Gerechtshof 's‑Hertogenbosch in overweging 4.7 van haar uitspraak heeft geoordeeld:
‘4.7.
Het hof stelt voorop dat het er niet aan twijfelt dat de e-mail is verzonden, ondanks het feit dat uitsluitend de eerste pagina van de e-mail is overgelegd. Het hof acht ook aannemelijk dat de behandelend ambtenaar overleg heeft gehad met een gespecialiseerde collega en dat het dossier fysiek aan die laatste collega is overgedragen. Voor het vervolg van het oordeel verwijst het hof naar de overwegingen van de rechtbank:
‘2.26.
(…) De inspecteur beschikte op 16 juni 2016 over de door belanghebbende verstrekte informatie. Vervolgens heeft de inspecteur op 12 september 2016 het e-mailbericht verstuurd aan een collega. De navorderingsaanslagen over de jaren 2001 tot en met 2011 zijn in de periode van december 2016 tot en met februari 2017 opgelegd. Tussen de voornoemde gebeurtenissen zit telkens een tijdsverloop dat korter is dan zes maanden. Dat sprake is van een interne mail maakt naar het oordeel van de rechtbank niet uit. Ook het verzenden van een interne mail en het voorleggen van vragen aan een collega is aan te merken als een werkzaamheid van de inspecteur. De inspecteur is hierbij actief met het dossier van belanghebbende bezig geweest en van onverklaarbaar stilzitten is derhalve geen sprake. Uit het e-mailbericht blijkt bovendien dat de inspecteur eerst duidelijkheid wilde verkrijgen over de vraag hoe de betrokkenheid van belanghebbende bij [A] in de navorderingsaanslagen moest worden betrokken alvorens de aanslagen op te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank kan pas worden geoordeeld dat er niets aan het opleggen van de navorderingsaanslagen in de weg stond, nadat de inspecteur antwoord heeft gekregen op de door hem gestelde vragen in het e-mailbericht. De stelling van belanghebbende dat het verzonden e-mailbericht geen betrekking heeft op de jaren 2001 tot en met 2008 verandert het voorgaande oordeel niet voor die jaren. Daarbij hecht de rechtbank waarde aan de verklaring van de inspecteur ter zitting dat er in 2016 nog veel onduidelijkheid bestond over de betrokkenheid van belanghebbende bij [A] en ook over welke jaren de betrokkenheid van belanghebbende bij [A] speelde. Het stond de inspecteur vrij om eerst (intern) duidelijkheid over alle jaren te verkrijgen alvorens over te gaan tot het opleggen van de navorderingsaanslagen.’.
Het hof volgt dit oordeel van de rechtbank, maakt het tot het zijne en voegt daar nog het volgende aan toe. Het hof acht, gelet op de weerspreking door de inspecteur, niet aannemelijk dat in het onderhavige geval sprake is van een zinloos heen en weer schuiven van het dossier van belanghebbende om te voorkomen dat een onverklaarbare vertraging zou optreden van meer dan zes maanden. Anders dan belanghebbende meent, kan uit de formulering van de e-mail niet de conclusie worden getrokken dat er voor de inspecteur geen onduidelijkheid bestond. Het hof acht het handelen van de inspecteur passend binnen de hem toekomende vrijheid om zijn werkzaamheden op basis van eigen prioritering in te richten. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur met zijn handelen niet de grenzen van die vrijheid overschreden. Anders dan belanghebbende betoogt, mocht de inspecteur, met inachtneming van normen van zorgvuldigheid, het dossier overdragen aan een gespecialiseerde collega en belanghebbende verzoeken om instemming met verlenging van de navorderingstermijn (zie 2.6) en hoefde bij de in 4.3 bedoelde navorderingsaanslagen niet eerder op te leggen. Het hof is van oordeel dat het handelen van de inspecteur, bij het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, noodzakelijk was voor het met inachtneming van normen van zorgvuldigheid op voortvarende wijze opleggen van de navorderingsaanslagen. Het tijdsverloop dat met zorgvuldig handelen gepaard gaat, is noodzakelijk in de zin van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen betreffende X en Passenheim-Van Schoot[]’
Toelichting
Deze overweging van het gerechtshof (inclusief de overgenomen overweging van de rechtbank) valt in een aantal onderdelen uiteen. Namens eiser worden deze onderdelen hierna afzonderlijk behandeld.
Het gerechtshof heeft de feitelijke vaststelling van de rechtbank overgenomen dat:
‘Uit het e-mail bericht blijkt bovendien dat de inspecteur eerst duidelijkheid wilde verkrijgen over de vraag hoe de betrokkenheid van belanghebbende bij [A] in de navorderingsaanslagen moest worden betrokken alvorens de aanslagen op te leggen.’
Deze vaststelling van het gerechtshof is gebaseerd op stellingen van verweerder inzake de behandeling van het dossier van eiser en de bewuste email. Verweerders stellingen zijn weersproken door eiser3. terwijl de bewuste email er blijk van geeft dat het belang in [A] slechts speelde in de jaren na de in deze procedure aan de orde zijnde jaren. Immers, die email luidt ‘ook voor de 4 jaar dat het vermogen achter de facade van [A] Inc. was gestald).’.
Nu het gerechtshof heeft vastgesteld dat [A] Inc. is opgericht op 29 oktober 20084. en overigens tussen partijen niet in geschil was dat eiser pas aandeelhouder werd van [A] Inc. op 14 mei 2009 kan het niet anders dan dat het interne overleg slechts zag op de jaren dat eiser verbonden was met [A] Inc. dat wil zeggen de jaren 2009 en later. Het oordeel van het gerechtshof dat bewezen is dat de Inspecteur eerst duidelijkheid wilde verkrijgen over de betrokkenheid bij [A] Inc. vindt dan ook geen steun in de feiten noch kan deze email strekken tot het bewijs voor de stelling dat ook voor de jaren 2001–2008 veel onduidelijk was en nader intern overleg noodzakelijk was.
Het oordeel dat:
‘Naar het oordeel van de rechtbank kan pas worden geoordeeld dat er niets aan het opleggen van de navorderingsaanslagen in de weg stond, nadat de inspecteur antwoord heeft gekregen op de door hem gestelde vragen in het e-mailbericht. ’
Dit oordeel van het gerechtshof bouwt voor op het hiervoor bestreden oordeel en ontbeert dan ook feitelijke grondslag. Bovendien zagen de in de overweging genoemde vragen alle op aspecten van de [A] Inc. waarvan niet is bewezen dat deze voor de jaren 2001–2008 van belang waren of konden zijn.
Vervolgens overweegt het gerechtshof ten aanzien van de stelling van eiser dat:
‘De stelling van belanghebbende dat het verzonden e-mailbericht geen betrekking heeft op de jaren 2001 tot en met 2008 verandert het voorgaande oordeel niet voor die jaren. Daarbij hecht de rechtbank waarde aan de verklaring van de inspecteur ter zitting dat er in 2016 nog veel onduidelijkheid bestond over de betrokkenheid van belanghebbende bij [A] en ook over welke jaren de betrokkenheid van belanghebbende bij [A] speelde.’
Het gerechtshof passeert hierbij de stelling van eiser ten faveure van de stelling van verweerder. Deze stelling van verweerder is, ondanks dat de bewijslast op verweerder rust echter niet bewezen door verweerder hetgeen rechtens vereist is in het licht van eisers betwisting. Het oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Bewijs van deze stelling volgt ook niet uit de email welke hiervoor is geciteerd omdat daaruit geenszins aannemelijk wordt dat onduidelijkheid bestond ten aanzien van de vraag over welke jaren de betrokkenheid van eiser bij [A] Inc zich uitstrekte. Immers, de email stelt naar diens tekst dat het gaat om vier jaren (2009 en later). Bovendien is blijkens de tekst van de email niet de betrokkenheid van eiser bij [A] Inc., en over welke jaren deze zich uitstrekte, onduidelijk maar de fiscale kwalificatie daarvan in de jaren 2009 en later.
Voor zover het gerechtshof heeft beoogd te verwijzen naar de ter zitting door verweerder ingenomen stelling dat voor de Inspecteur van belang was duidelijkheid te verkrijgen over de aankoop van [A] Inc. geldt dat deze stelling is betwist en ook geen steun vindt in de bewuste email.
Mitsdien is het oordeel van het gerechtshof onvoldoende gemotiveerd dan wel gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting ter zake van de bewijslastverdeling.
Vervolgens oordeelt het gerechtshof dat:
‘Het stond de inspecteur vrij om eerst (intern) duidelijkheid over alle jaren te verkrijgen alvorens over te gaan tot het opleggen van de navorderingsaanslagen.’
Dit oordeel is in strijd met uw arrest HR 10 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011 :BP4779, BNB 2011/120 met noot J.A.R. van Eijsden. In dit arrest oordeelde uw Raad dat het afwachten van een gerechtelijke procedure over een ander jaar geen noodzakelijk tijdsverzuim oplevert voor de vaststelling van de aanslag over een ander jaar. Het oordeel dat het de Inspecteur vrij komt eerst duidelijkheid te verkrijgen over ‘alle jaren’ alvorens de aanslagen op te leggen getuigt aldus van een onjuiste rechtsopvatting omdat niet bewezen is dat de afwikkeling van de heffingsjaren 2009 en volgende, van belang kon zijn voor de in geschil zijnde jaren.
Voorts oordeelt het gerechtshof dat:
‘Het hof acht, gelet op de weerspreking door de inspecteur, niet aannemelijk dat in het onderhavige geval sprake is van een zinloos heen en weer schuiven van het dossier van belanghebbende om te voorkomen dat een onverklaarbare vertraging zou optreden van meer dan zes maanden. Anders dan belanghebbende meent, kan uit de formulering van de e-mail niet de conclusie worden getrokken dat er voor de inspecteur geen onduidelijkheid bestond.’
Dit oordeel vindt geen basis in de feiten en bovendien verdeelt het gerechtshof hier de bewijslast onjuist. Het oordeel vindt geen basis in de feiten omdat uit de tekst van de betreffende email niet is op te maken dat er voor de Inspecteur onduidelijkheid bestaat over de wijze hoe de heffing over de jaren 2001–2008 moet plaatsvinden. De e-mail stelt slechts aan de orde het toerekenen van vermogensbestanddelen van eiser op naam van [A] Inc. hetgeen slechts relevantie kan hebben vanaf 2009.
Het Hof verdeelt de bewijslast onjuist omdat het juist de Inspecteur is die positief moet bewijzen dat er omstandigheden waren die noopten tot het interne overleg over de jaren 2001–2008. Dat de betreffende e-mail geen ruimte biedt voor de conclusie van eiser maakt niet dat de stelling van verweerder daarmee is bewezen.
Voorts oordeelt het gerechtshof dat:
‘Het hof acht het handelen van de inspecteur passend binnen de hem toekomende vrijheid om zijn werkzaamheden op basis van eisen prioritering in te richten. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur met zijn handelen niet de grenzen van die vrijheid overschreden. Anders dan belanghebbende betoogt, mocht de inspecteur, met inachtneming van normen van zorgvuldigheid, het dossier overdragen aan een gespecialiseerde collega en belanghebbende verzoeken om instemming met verlenging van de navorderingstermijn (zie 2.6) en hoefde bij de in 4.3 bedoelde navorderingsaanslagen niet eerder op te leggen.’
Dit oordeel is in strijd met het recht aangezien de vrijheid van de Inspecteur niet zover gaat dat hij de vaststelling van de aanslagen 2001–2008 mag laten afhangen van nader overleg over een problematiek waarvan vaststaat dat die beperkt is tot andere heffingsjaren (heffingsjaar 2009 en later). Het is immers bestendige jurisprudentie van uw Raad dat de voortvarendheid per heffingsjaar moet worden beoordeeld. Het afwachten van een procedure over een ander heffingsjaar werd bijvoorbeeld door uw Raad niet aangemerkt als een relevante omstandigheid of door de Belastingdienst met de noodzakelijke voortvarendheid was gehandeld.5.
Ook het verzoek om uitstel voor het opleggen van de aanslagen 2001–2003, waarin door eiser niet in is bewilligd, is geen noodzakelijke handeling voor het vaststellen en opleggen van deze aanslagen.
Mitsdien, kan deze handeling niet worden betrokken bij de vraag of de Inspecteur de aanslagen heeft vastgesteld met de noodzakelijke voortvarendheid. Het andersluidende oordeel van het gerechtshof kan aldus niet in stand blijven omdat het uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting.
Het gerechtshof formuleert vervolgens de volgende afsluitende rechtsoverweging:
‘Het hof is van oordeel dat het handelen van de inspecteur, bij het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, noodzakelijk was voor het met inachtneming van normen van zorgvuldigheid op voortvarende wijze opleggen van de navorderingsaanslagen. Het tijdsverloop dat met zorgvuldig handelen gepaard gaat, is noodzakelijk in de zin van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen betreffende X en Passenheim-Van Schoot.[]’
Het oordeel van het gerechtshof dat van zorgvuldig handelen van de inspecteur sprake is als de Inspecteur de aanslagoplegging ophoudt om intern duidelijkheid te verkrijgen over een problematiek die slechts in andere heffingsjaren speelt, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het evenredigheidsbeginsel.
Eiser heeft in het voorgaande geconcludeerd dat het gerechtshof tot een oordeel is gekomen dat geen steun vindt in de feiten, waarin de bewijslast onjuist is verdeeld alsmede van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan. Voornoemde overweging en de uitspraak als geheel kunnen dan ook niet in stand blijven en eiser verzoekt de uitspraak van het gerechtshof te vernietigen.
Eiser concludeert dat het beroep gegrond is en verzoekt de uitspraak van het gerechtshof te vernietigen en de zaak te verwijzen voor hernieuwde behandeling.
Hoogachtend,
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 15‑11‑2024
Randnummers 2.15 respectievelijk 2.19 verweerschrift in hoger beroep.
Dit is zowel bestreden zowel in de procedure voor de rechtbank als het gerechtshof. Bijvoorbeeld in randnummer 23 en volgende hoger beroepschrift d.d. 30 maart 2021.
Overweging 2.3 uitspraak gerechtshof.
Zie het genoemde arrest HR 10 februari 2011, ECU:NL:HR:2011 :BP4779, BNB 2011/120 met noot J.A.R. van Eijsden
Uitspraak 01‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Inkomstenbelasting; artikel 16, lid 4, AWR; verlengde navorderingstermijn; voortvarendheidsvereiste; HR 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092 en ECLI:NL:HR:2010:BJ9120
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/00324
Datum 1 november 2024
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 december 2022, nrs. 21/00409 tot en met 21/00413, 21/00415, 21/00417 en 21/004241., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 17/7756 tot en met 17/7760, 17/7762, 17/7764 en 17/7817) betreffende aan belanghebbende over de jaren 2001 tot en met 2008 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door P.A. Caljé, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende heeft op 4 juni 2014 een inkeerverzoek gedaan, waarbij hij melding maakte van in Luxemburg aangehouden, niet in zijn aangiften voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) vermelde, bankrekeningen.
2.2
In de periode 29 oktober 2014 tot en met 26 april 2016 heeft de Inspecteur diverse keren verzocht om (nadere) informatie met betrekking tot het in het inkeerverzoek bedoelde vermogen. Belanghebbende heeft telkens op die verzoeken gereageerd en gegevens aan de Inspecteur verstrekt.
2.3
Blijkens de door belanghebbende verstrekte gegevens zijn bij een bank in Luxemburg drie rekeningen aangehouden, waaronder een bankrekening ten name van [A] Inc. (hierna: [A]). Belanghebbende was de economisch gerechtigde van deze bankrekening. [A] is een op 29 oktober 2008 naar Panamees recht opgerichte rechtspersoon.
2.4
Op 16 juni 2016 heeft de Inspecteur voor de laatste maal stukken en informatie van belanghebbende gekregen.
2.5
Tot de gedingstukken behoort een door de behandelend ambtenaar aan een collega verzonden e-mail van 12 september 2016. In deze e-mail is onder meer vermeld:
“Bij mij is in behandeling het dossier van [X] (ook opgenomen in de APV applicatie):
na diverse correspondentie met belastingplichtige/tussenpersoon heb ik besloten het standpunt in te nemen het vermogen in Box 3 te belasten (ook voor de 4 jaar dat het vermogen achter de façade van [A] Inc. was gestald).
Redenen voor mijn standpunt:
- de belastingplichtige heeft geen gegevens van de Inc., als er gegevens worden opgevraagd moet dat telkens via de bank lopen, eventuele stukken liggen daar;
- belastingplichtige weet niets van de Inc., voor hun gevoel bestond de Inc. niet, ze beschikten vrij over het vermogen, zonder tussenkomst van de bank/lnc., derhalve alsof het de persoonlijke bankrekening van belastingplichtige was;
- er zijn nooit aandeelhoudersvergaderingen gehouden of jaarrekeningen/-verslagen gemaakt, er is geen titel van inbreng (de gelden zijn overgemaakt naar de rekening op naam van de Inc en later weer teruggestort op de rekening op naam van belastingplichtige zelf);
- de Inc. is puur gebruikt als huls, als barrière om het vermogen moeilijker traceerbaar te maken zodat het vermogen niet rechtstreeks op naam van belastingplichtige stond;
- derhalve reken ik de vermogensbestanddelen op naam van de Inc. toe aan belastingplichtige.
Het vorenstaande past ook bij het gevoel wat ik bij dit dossier heb.
Mocht jij een andere mening zijn toegedaan dan stel ik voor het dossier over te dragen aan Den Haag (of een andere locatie waar op dit moment de Box 2 gevallen behandeld worden). In dat geval ontvang ik graag, op korte termijn, van jou de naam van degene met wie ik contact kan opnemen voor het doorsturen van dit dossier.”
2.6
De Inspecteur heeft belanghebbende op 24 november 2016 verzocht in te stemmen met verlenging van de navorderingstermijn met betrekking tot de navorderingsaanslagen in de IB/PVV over de jaren 2001 tot en met 2003.
2.7
Aan belanghebbende zijn navorderingsaanslagen in de IB/PVV opgelegd over de jaren 2001 tot en met 2010, 2012 en 2014. De bij het Hof in geschil zijnde navorderingsaanslagen over de jaren 2001 tot en met 2008 zijn vastgesteld in de periode van 23 december 2016 tot en met 20 februari 2017.
3. Procedure voor het Hof
3.1
De navorderingsaanslagen over de jaren 2001 tot en met 2008 zijn vastgesteld met toepassing van de verlengde navorderingstermijn als bedoeld in artikel 16, lid 4, AWR. Voor het Hof was in geschil of is voldaan aan het voortvarendheidsvereiste dat de Hoge Raad aan die termijn heeft verbonden.2.
3.2
Ten aanzien daarvan heeft de Rechtbank overwogen dat de Inspecteur op 16 juni 2016 beschikte over de door belanghebbende verstrekte informatie en met het e-mailbericht van 12 september 2016 vragen aan een collega heeft voorgelegd. Ook het stellen van die vragen aan een collega heeft de Rechtbank aangemerkt als een werkzaamheid waardoor de Inspecteur actief met het dossier bezig is geweest. Uit de aan een collega gestelde vragen blijkt dat de Inspecteur duidelijkheid wilde krijgen over de betrokkenheid van belanghebbende bij [A]. Pas nadat de Inspecteur op zijn vragen antwoord had gekregen, kan naar het oordeel van de Rechtbank worden gezegd dat niets meer aan het opleggen van de navorderingsaanslagen in de weg stond. De stelling van belanghebbende dat het e-mailbericht geen betrekking heeft op de jaren 2001 tot en met 2008 heeft de Rechtbank verworpen. De Rechtbank heeft waarde gehecht aan de verklaring van de Inspecteur dat in 2016 nog veel onduidelijkheid bestond over de betrokkenheid van belanghebbende bij [A], en over de jaren waarin die betrokkenheid speelde. Het stond de Inspecteur vrij om eerst (intern) duidelijkheid over alle jaren te verkrijgen alvorens over te gaan tot het opleggen van de navorderingsaanslagen, aldus de Rechtbank.
3.3
Het Hof heeft die overwegingen tot de zijne gemaakt. Het heeft daaraan toegevoegd dat het niet aannemelijk acht dat in dit geval sprake is van zinloos heen en weer schuiven van het dossier teneinde een onverklaarbare vertraging van meer dan zes maanden te voorkomen. Anders dan belanghebbende meent, kan uit de formulering van de e-mail van 12 september 2016 niet worden afgeleid dat voor de Inspecteur geen onduidelijkheid bestond. Het Hof acht het handelen van de Inspecteur passend binnen de hem toekomende vrijheid de werkzaamheden op basis van een eigen prioritering in te richten. De Inspecteur mocht, met inachtneming van normen van zorgvuldigheid, het dossier overdragen aan een gespecialiseerde collega en belanghebbende verzoeken om instemming met verlenging van de navorderingstermijn. Het handelen van de Inspecteur was noodzakelijk om de navorderingsaanslagen met inachtneming van normen van zorgvuldigheid op voortvarende wijze op te leggen, aldus het Hof.
4. Beoordeling van het middel
4.1
Het middel bestrijdt het hiervoor in 3.3 weergegeven oordeel.
4.2
Op grond van de arresten van de Hoge Raad van 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092 en ECLI:NL:HR:2010:BJ9120, geldt voor de toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR in gevallen waarin het VWEU van toepassing is de voorwaarde dat de inspecteur na het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting de navorderingsaanslag met redelijke voortvarendheid voorbereidt en vaststelt aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan.3.De vereiste voortvarendheid is in elk geval niet betracht indien bij het voorbereiden en vaststellen van de navorderingsaanslag een onverklaarbare vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden.4.
4.3
Uit de hiervoor in 3.2 en 3.3 weergegeven overwegingen kan worden opgemaakt dat het Hof zich heeft laten leiden door de gedachte dat de Inspecteur mocht wachten met het opleggen van de navorderingsaanslagen over de jaren 2001 tot en met 2008 totdat hij zich in staat achtte alle hiervoor in 2.7 genoemde navorderingsaanslagen op te leggen. Dat uitgangspunt is niet verenigbaar met hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in het arrest van 18 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4779, rechtsoverweging 3.3.6. In dit opzicht geeft de bestreden uitspraak uiting aan een onjuiste rechtsopvatting. Het middel slaagt voor zover daarover wordt geklaagd.
4.4.1
De hiervoor in 2.5 weergegeven e-mail gaat uitsluitend over de fiscale kwalificatie van het belang van belanghebbende in [A]. De – in cassatie onbestreden – vaststellingen van het Hof houden in dat [A] in 2008 is opgericht. Uit de stukken van het geding volgt dat de rekening ten name van [A] in 2009 is geopend en dat belanghebbende op 14 mei 2009 enig aandeelhouder van [A] is geworden, en dat de Inspecteur hiermee bekend was ten tijde van het verzenden van de e-mail van 12 september 2016. In het licht van dit een en ander is niet begrijpelijk het oordeel van het Hof dat de Inspecteur redelijkerwijs kon aannemen dat de reactie op de e-mail ook van belang kon zijn voor het vaststellen van de navorderingsaanslagen over de jaren 2001 tot en met 2008.
4.4.2
Evenmin is begrijpelijk dat het Hof in dit verband belang heeft toegekend aan een tot belanghebbende gericht verzoek in te stemmen met verlenging van de navorderingstermijn. Zo’n verzoek is op zichzelf beschouwd geen handeling die rechtstreeks is gericht op het voortvarend voorbereiden en vaststellen van de navorderingsaanslagen, maar dient slechts om te voorkomen dat de toepasselijke navorderingstermijn ongebruikt verstrijkt.
4.4.3
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.4.1 en 4.4.2 is overwogen, slaagt het middel ook voor zover daarin wordt geklaagd over de begrijpelijkheid van het oordeel van het Hof.
4.5
De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De gedingstukken bevatten geen aanwijzingen dat de navorderingsaanslagen over de jaren 2001 tot en met 2008 zijn gebaseerd op andere gegevens dan de gegevens die belanghebbende tot en met 16 juni 2016 aan de Inspecteur heeft verstrekt. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, moet worden aangenomen dat tussen die datum en het opleggen van de bestreden navorderingsaanslagen een onverklaarbare vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden.5.Bij het opleggen van die navorderingsaanslagen is dus niet de vereiste voortvarendheid betracht, zodat zij moeten worden vernietigd.
5. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, voor zover deze de over de jaren 2001 tot en met 2008 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen betreft, maar niet ten aanzien van de beslissingen over de vergoeding van immateriële schade, de proceskosten en het griffierecht,
- vernietigt de uitspraken op bezwaar, voor zover deze de over de jaren 2001 tot en met 2008 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen betreffen,
- vernietigt de over de jaren 2001 tot en met 2008 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 136,
- draagt de Inspecteur op aan belanghebbende te vergoeden het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof van € 134,
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.500 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 1.750 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is vastgesteld door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, in de raadkamer van 16 oktober 2024 en op 1 november 2024 in het openbaar uitgesproken.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 01‑11‑2024
Vgl. onder meer HR 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092 en ECLI:NL:HR:2010:BJ9120.
Vgl. HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:555, rechtsoverweging 2.3.1.
Vgl. HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1105, rechtsoverweging 2.3.3.
Vgl. HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1105, rechtsoverweging 2.3.3.