Executele
Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/VII.B.6:VII.B.6. De Nederlandse fiscale aanpak van de beloning, meer dan honderd jaar terug in de tijd
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/VII.B.6
VII.B.6. De Nederlandse fiscale aanpak van de beloning, meer dan honderd jaar terug in de tijd
Documentgegevens:
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS402658:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Na een inspirerend Europees rondje over de fiscale aanpak van de executeurbeloning zal ik thans stilstaan bij de Nederlandse fiscale behandeling.Van belang is te constateren dat wij, in tegenstelling tot het Duitse belastingrecht, allesbehalve over recente rechtspraak beschikken aangaande de fiscale behandeling van de executeurbeloning. Het is, zoals in het civielrechtelijk gedeelte bij de behandeling van HR 15 december 1905 gezien, meer dan honderd jaar geleden dat onze Hoge Raad, in het kader van testamentaire uitlegperikelen, over de successierechtelijke gevolgen van een 'bovenmatige' executeurbeloning moest oordelen. Gelet op het fiscale belang van het arrest zal ik het hierna nogmaals opnemen. Over het inkomstenbelastingvraagstuk, zoals dat aan de orde was in de behandelde procedure bij het Bundesfinanzhof, is mij, afgezien van het hierna aan te stippen bijzondere geval van de 'Raad van Beroep voor de Directe Belastingen' uit 1924 geen vergelijkbare uitspraak voor het Nederlandse recht bekend. In zoverre kan er voor dit vraagstuk inspiratie opgedaan worden bij uitspraak van het Bundesfinanzhof. Met deze gedachten in het achterhoofd zullen wij naar het Nederlandse systeem gaan kijken. Ik realiseer mij vanzelfsprekend dat de buitenlandse aanpak met heel andere achtergronden niet 'al rechtsvergelijkende'eenop een naar Nederland overgebracht kan worden. Het nut van het 'over het muurtje' kijken zit dan ook met name in het opdoen van inspiratie over mogelijke (andere) fiscale benaderingen van de executeurbeloning. Vooral als het gaat om vastgeroeste 'vanzelfsprekendheden' in het eigen stelsel.
Het vertrekpunt in het civielrechtelijke en fiscale denken over de beloning van de executeur heeft steeds als vertrekpunt het arrest van de Hoge Raad van 15 december 1905, W 8315 over het 'zogrote onevenredigheidsbeginsel'.
De Hoge Raadmoest oordelen over de casus waarin De Heer Fransen van de Putte uit Goes als executeur-testamentair (tevens neef en petekind) een voor die tijd zonder meer royale executeursbeloning van f 10000 ten deel viel. Het geschil draaide weliswaar om de vraag of er successierecht over de executeursbeloning verschuldigd was, maar de essentie van het arrest is ook voor het civiele recht van groot belang.
De Hoge Raadzag het als volgt:
'dat uit de bij art.1068 BWaan den erflater gegeven keuze niet volgt, dat hetgeen door hem belooning voor werkzaamheden wordt genoemd alleen daarom niet inderdaad het karakter zou kunnen bezitten van eene aan het recht van successie onderworpen liberaliteit, hetzij geheel of ten deele; dat wel, om het bestaan van een legaat of eene belooning te kunnen aannemen, het in de eerste plaats moet blijken, dat de erflater de bedoeling heeft gehaden te kennen gegeven, om een legaat of eene beloning toe te kennen en de beslissing daarover is van feitelijken aard; dat echter de beantwoording der vraag, of hetgeen krachtens de beschikking des erflaters wordt verkregen, in den zin van art. 1 der wet op het recht van successie en van overgang aan belasting onderhevig is, afhangt van den werkelijken aard der door hem gemaakte beschikking, die wel veelal uit de benaming welke de erflater daaraan heeft gegeven, zal kunnen worden gekend, maar niet noodwendig alleen daardoor wordt bepaald; dat de Rechtbank ten deze alzoo hadbehoren te beslissen of er rechtens inderdaadbestaat belooning voor werkzaamheden dan wel liberaliteit, hetzij voor het geheele bedrag hetzij voor een deel der toegekende som, waarbij het aan haar oordeel was overgelaten, uit te maken of er tusschen de als belooning toegekende som en de lasten en bezwaren aan de opdracht van den erflater verbonden zoo groote onevenredigheid bestaat dat die som, geheel of ten deele, niet anders dan als eene liberaliteit kan worden aangemerkt; dat echter de Rechtbank door, waar de juistheid der door den erflater gebezigde benaming van belooning door het Bestuur was betwist, niettemin de beslissing uitsluitend te doen afhangen van hetgeen erflater als zijn wil had uitgesproken en van de uitlegging aan dien wil te geven, art. 1 der wet op het recht van successie en van overgang en, in verbanddaarmede art. 932 BW heeft geschonden [...].' (Curs. BS)
Het arrest geeft (nog steeds)1 het richtsnoer voor het antwoordop de vraag of er sprake is van een vergoedingslegaat voor de executeur of van liberaliteit om de executeur te bevoordelen. De hoogte van de beloning moet in balans zijn met de zwaarte van de opdracht van erflater, oftewel er dient een 'evenre-digheidstoets'aangelegd te worden, zij het dat het criterium is een 'zogrote onevenredigheid dat het niet anders kan dan...' In de concrete casus besliste de Rechtbank Utrecht2 na terugverwijzing door de Hoge Raad dat de boedel, ondanks het belang, niet erg gecompliceerd was, zodat de beloning in generlei verhouding stond met de lasten en bezwaren en er mitsdien sprake was van liberaliteit. Ook hier blijkt weer als zo vaak dat de waarheid in het midden ligt en de rechtbank f 5000 aanmerkt als beloning en f 5000 als bevoordeling. Let wel: in de uitspraak wordt melding gemaakt van het feit dat door belanghebbende erkend wordt dat de betreffende werkzaamheden met f 5000 behoorlijk beloond zijn en de f 5000 'moeten geacht worden uit liberaliteit te zijn gegeven aan den naamgenoot.' Op grond van de regeling van het wettelijk loon zou de executeur overigens recht gehad hebben op f3900.Wat de civielrechtelijke toets betreft, wijs ik hier nogmaals op het feit dat de wetgever het evenredigheidsbeginsel ook aan het bepaalde in art. 4:60 onder a BW ten grondslag heeft gelegd. Van belang is vast te houden dat gesteld zou kunnen worden, in het kader van de uitleg van de uiterste wilsbeschikking, dat het bedrag van f 5000 ook aan het petekind zou moeten toekomen als hij de exe-cutele niet aanvaardzou hebben en sterker nog dat dit wellicht van het hele bedrag ad f10000 gesteld zou kunnen worden.
Wat staat voorop: de 'zakelijke' opdracht van executele of de vrijgevigheid aan het neefje?