Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/9.3.4.4:9.3.4.4 Aanbevelingen
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/9.3.4.4
9.3.4.4 Aanbevelingen
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS605444:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Loonbelasting / Artiesten, beroepssporters en buitenlandse gezelschappen
Loonbelasting / Inhoudingsplichtige
Loonbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel het partnerbegrip in art. 18 lid 1 onderdeel a onder 2° Wet LB 1964 op juiste wijze lijkt omschreven, stel ik voor om voor de fiscale faciliteiten met betrekking tot het ‘partnerpensioen’ aan te sluiten bij het begrip ‘partner’ in de zin van art. 1.2 Wet IB 2001. Net als Stevens (2004) meen ik dat in de Wet IB 2001 onderscheid moet worden gemaakt tussen de partner als ‘partner’ voor de toepassing van fiscale faciliteiten en als ‘gelieerde samenwoner’ in regelingen met een antiontgaansfunctie. Op basis van dit onderscheid zouden faciliteiten alleen voor een beperkte kring van partners kunnen gelden. Daarentegen zouden in regelingen met een antiontgaanskarakter de handelingen of bezittingen van een ruimere kring van partners kunnen worden toegerekend aan de belastingplichtige. Het verschil tussen de facilitaire functie en de vereenzelvigingsfunctie van het partnerbegrip komt hierin namelijk treffend tot uitdrukking. Overigens wil ik ook de ongehuwde samenwoners als ‘partner’ blijven aanmerken, zij het op basis van een eenmalige keuze waarop slechts kan worden teruggekomen bij beëindiging van de relatie. Die keuze voor het fiscaal partnerschap zou dan ook kunnen gelden voor de fiscale faciliteiten met betrekking tot het ‘partnerpensioen’. Ik heb dit in hoofdstuk 6 als volgt uitgewerkt:
De echtgenoot en geregistreerde partner en de ‘ongehuwd samenlevende’, ofwel de ‘levensgezel’ met wie de belastingplichtige een ‘gezamenlijke huishouding’ voert, worden als ‘partner’ aangemerkt.
De keuzemogelijkheid voor ongehuwde partners is eenmalig: herziening van de keuze is slechts mogelijk bij beëindiging van de relatie.
De keuzemogelijkheid is bovendien afhankelijk van nadere voorwaarden, zoals meerderjarigheid, het voeren van een ‘gezamenlijke huishouding’ in de zin van art. 26 paragraaf 2 lid 3 Leidraad INV 1990 en inschrijving op hetzelfde woonadres in de gemeentelijke basisadministratie.