Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/8.3.2.0
Inleiding
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS611414:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Overigens stamt deze terminologie uit HvJ EG 14 december 2000, nr. C-110/99 (Emsland Stärke), BNB 2003/169, waarin het Hof van Justitie EG het begrip ‘persoonlijke en economische banden’ hanteerde.
Kamerstukken II 2006/07, 30 061, nr. 11, p. 2.
H.W.M. van Kesteren en M.W.C. Soltysik, ‘Misbruik en de onvoltooide harmonisatie’, WFR 2007, p. 481, wijzen erop dat bij de omzetbelasting een enkelvoudige handeling, de levering of dienst, centraal staat, terwijl voor fraus legis een complex aan handelingen in ogenschouw moet worden genomen. Voorts was het de vraag of een leerstuk dat voor een groot deel uitgaat van subjectieve oogmerken van de belastingplichtige, wel past bij het objectieve karakter van de belasting, zo beschrijft R.N.G. van der Paardt, ‘Intracommunautaire ABC-transacties en fraus legis in de BTW’, WFR 1998, p. 283.
In HR 15 juni 2007, nr. 37 645, www.rechtspraak.nl, en nr. 37 646, V-N 2007/31.24, is in twee van deze zaken uitspraak gedaan. Beide zaken werden in het voordeel van de Staatssecretaris van Financiën beslist op basis van een van de civielrechtelijke situatie afwijkende, richtlijnconforme fiscaalrechtelijke kwalificatie van de feiten. Aan de toepassing van fraus legis kwam de Hoge Raad niet toe. Ook in HR 23 november 2007, nrs. 38 126 en 40 142, V-N 2007/57.19 en 57.20, en in HR 30 november 2007, nrs. 37 641, 37 642, 37 643, 37 644, 37 647 en 37 648, V-N 2007/57.21 en 57.22 en www.rechtspraak.nl, heeft de Hoge Raad het leerstuk van ‘misbruik van recht’ niet toegepast in vergelijkbare zaken.
Sinds 2005 speelt verbondenheid ook een rol bij de bepaling van de maatstaf van heffing voor de omzetbelasting. Op basis van art. 80 BTW-richtlijn 2006 kunnen de EU-lidstaten een geobjectiveerde heffingsmaatstaf invoeren, indien de tussen partijen tot stand gekomen prijs lager is dan de normale waarde en er familiale of andere nauwe persoonlijke, bestuurlijke, eigendoms-, lidmaatschaps-, financiële of juridische banden bestaan.
In HvJ EG 21 februari 2006, nr. C-255/02 (Halifax), BNB 2006/170, is door het Hof van Justitie EG ook gewezen op ‘verbondenheid’ tussen de belastingplichtigen die bij de constructies ter verlaging van de belastingdruk zijn betrokken. Bij de beoordeling van de vraag of de transacties in wezen tot doel hebben een belastingvoordeel te verkrijgen, kunnen de ‘banden van juridische, economische en/of persoonlijke aard’ tussen de betrokken belastingplichtigen in aanmerking worden genomen. Deze omschrijving van verbondenheid is herhaald in HvJ EG 21 februari 2008, nr. C-425/06 (Part Service Srl), V-N 2008/11.17. In dit verband lijkt de term ‘familiale of andere nauwe persoonlijke, bestuurlijke, eigendoms-, lidmaatschaps-, financiële of juridische banden’ als bedoeld in art. 80 BTW-richtlijn 2006 op de in deze arresten gehanteerde terminologie.1
Nog voordat de richtlijnbepaling in werking was getreden, is in 2005 het Nederlandse wetsvoorstel ‘Constructiebestrijding (on)roerende zaken’ (30 061) ingediend. Dit voorstel bevat maatregelen tegen belastingontwijkende constructies met betrekking tot lease of verkoop van onroerende zaken, verbouwingen, roerende investeringsgoederen of software. In dit verband wordt onder meer een geobjectiveerde heffingsmaatstaf voorgesteld voor transacties met niet-belastingplichtige rechtspersonen, of met ondernemers met een beperkt aftrekrecht. Indien de leverancier en de afnemer niet handelen als ‘zelfstandige partijen’, wordt de maatstaf van heffing gesteld op de ‘normale waarde’ in plaats van de tussen partijen tot stand gekomen prijs. De gelieerdheid die hiermee wordt bedoeld, heeft een antiontgaansfunctie.
Overigens is in oktober 2006 door de Minister van Financiën gemeld dat het wetsvoorstel wordt aangehouden in afwachting van jurisprudentie van de Hoge Raad over een aantal BTW-misbruikconstructies.2 Uit HvJ EG 21 februari 2006, nr. C-255/ 02 (Halifax), BNB 2006/170, HvJ EG 21 februari 2006, nr. C-223/03 (University of Huddersfield), BNB 2006/171, en HvJ EG 21 februari 2006, nr. C-419/02 (BUPO Hospitals Ltd), BNB 2006/172, blijkt namelijk dat het leerstuk van fraus legis kan worden toegepast in de omzetbelasting. Lange tijd werd dit betwijfeld.3 Met het leerstuk van fraus legis lijkt de Belastingdienst nu een middel tot zijn beschikking te hebben, waarmee de constructies kunnen worden bestreden waarop het wetsvoorstel is gericht. Een saillant detail is overigens dat in de jurisprudentie van de Hoge Raad waarop de Minister van Financiën heeft willen wachten, fraus legis tot dusver niet is toegepast.4 Het is daarom op dit moment nog niet duidelijk of, en wanneer het wetsvoorstel ‘Constructiebestrijding (on)roerende zaken’ (30 061) in werking zal treden.