Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/3.3.1
3.3.1 Lid 2 artikel 273f Sr: omschrijving van uitbuiting
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS386193:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Voetnoten
Voetnoten
Sub 1, 2 en 6 van artikel 273f lid 1 Sr. Zie ook Lestrade en Rijken 2014, p. 665. In deze paragraaf zal, mogelijk meer dan tot uitdrukking komt in het notenapparaat, informatie worden weergegeven die eveneens in het artikel van mij en Rijken staat vermeld. Zie voorts § 3.4.
Het betreft de onderdelen 3 en 4 van lid 1artikel 273f Sr. HR 24 november 2015, ECLI: NL:HR:2015:3309, NJ 2016/313 m.nt. Van Kempen en HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR: 2016:857, NJ 2016/314 m.nt. Van Kempen. Zie verder § 3.4.
In lid 2 is niet als uitbuiting opgenomen ‘de verwijdering van organen’. Blijkens de toelichting bij het wetsvoorstel ter implementatie van de EU Richtlijn mensenhandel is de minister ook niet voornemens dit te veranderen (Kamerstukken II 2011/12, 33 309, nr. 3 en Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel, de bescherming van slachtoffers ervan, en ter vervanging van kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad (PbEU 2011, L 101). Bij de uitvoering van het VN Protocol mensenhandel– waarin, evenals in de richtlijn, de verwijdering van organen als vorm van uitbuiting is vermeld – zag de wetgever eveneens geen aanleiding om de systematiek te heroverwegen. Te meer nu de verwijdering van organen separaat wordt vermeld in artikel 273f, eerste lid, onderdelen 4°, 5°, 7°, 8° en 9° Sr, die hun achtergrond niet vinden in de internationale instrumenten, aldus de minister. (Kamerstukken II 2011/12, 33 309, nr. 3, p. 15). De minister besluit dat Nederland daarmee aan zijn internationale verplichtingen voldoet.
Rb Den Haag 14 december 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BC1195 en BC0775.
Hof Den Haag 19 januari 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BK9406.
Zie voor een uitgebreide definitie van gedwongen arbeid, dienstbaarheid, slavernij en daarmee te vergelijken praktijken op basis van internationale rechtsinstrumenten hoofdstuk 4.
Zoals in de voorgaande paragraaf duidelijk werd, is uitbuiting niet hetzelfde als mensenhandel, maar kunnen vormen van uitbuiting wel onder de huidige strafbaarstelling van mensenhandel vallen. Mensenhandel is geëvolueerd tot een breed begrip waarbinnen (onder omstandigheden) zowel de handel in de voorfase, als de exploitatie in de vervolgfase kan worden geschaard.
Opvallend is dat artikel 273f Sr geen expliciete verbodsbepaling behelst van uitbuiting. Er is geen lid opgenomen dat uitdrukkelijk stelt: ‘uitbuiting is strafbaar’. Wel wordt strafbaar gesteld degene die handelingen verricht met het oogmerk van uitbuiting en degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander.1 De term uitbuiting is als zodanig dus terug te vinden in de wettekst. Voorts heeft de Hoge Raad geoordeeld dat uitbuiting – ook al staat het niet letterlijk in de wet – een impliciet bestanddeel is van diverse mensenhandelvarianten.2
De wetgever geeft in lid 2 van artikel 273f Sr een omschrijving, maar geen precieze definitie van uitbuiting. Het tweede lid vermeldt dat onder uitbuiting ten minste valt:
‘Uitbuiting van een ander in de prostitutie, andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen of verplichte arbeid of diensten met inbegrip van bedelarij, slavernij en met slavernij te vergelijken praktijken, dienstbaarheid en uitbuiting van strafbare activiteiten.’
Uitbuiting wordt aldus geëxpliciteerd met het woord uitbuiting zelf en de wetgever voorziet niet in een nadere afbakening. De omschrijving maakt duidelijk dat uitbuiting ofwel seksuele uitbuiting ofwel overige (arbeids)uitbuiting betreft.3 Voorts kan onder de uitbuiting vallen gedwongen arbeid, dienstbaarheid, slavernij en daarmee te vergelijken praktijken. De wet defini- eert slavernij, dienstbaarheid en gedwongen arbeid verder niet. In Nederlandse jurisprudentie over mensenhandelzaken wordt weinig tot geen aandacht besteed aan deze verschillende uitbuitingsvormen. Er wordt alleen nagegaan of het bewijs voor (het oogmerk van) uitbuiting aanwezig is. Een enkele keer staat in een uitspraak expliciet dat sprake is van een bepaalde vorm van uitbuiting. Zo overwoog de rechtbank in de zaak-Mehak dat dienstbaarheid aan de orde was gelet op de uitzonderlijk lage beloningen, de extreem lange werkdagen, het volkomen gebrek aan persoonlijke levenssfeer, en de volledige afhankelijkheid van de slachtoffers van verdachten (zowel op het gebied van werk als verblijf).4 Het hof maakt dit bijzondere onderscheid echter niet meer en spreekt slechts van uitbuiting.5 Op basis van Nederlandse jurisprudentie is het dus lastig een nadere invulling te geven aan de specifieke begrippen. Wel kan voor de uitleg van de diverse vormen van mensenhandel aansluiting worden gezocht bij het Verdrag inzake slavernij uit 1926, het aanvullend slavernijverdrag van 1956 en het ILO Verdrag inzake gedwongen arbeid uit 1930, alsmede jurisprudentie van het EHRM inzake artikel 4 EVRM (verbod van slavernij, dienstbaarheid en dwangarbeid). De navolgende subparagrafen gaan hier kort op in.6