Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/3.4.4
3.4.4 Discussiepunt 3: Toepasbaarheid op goederenrechtelijke rechten
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS299250:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Dit debat lijkt qua terminologie sterk op de eveneens in de Amerikaanse (rechts-) economische literatuur gevoerde discussie over het verschil tussen ‘property rules’ en ‘liability rules’, maar moet daarvan worden onderscheiden. Zie over deze terminologie Calabresi & Melamed 1972 en voor het verschil met het hier omschreven debat Booms 2019, p. [13].
Corbin 1921, p. 237; Claeys 2009, p. 622; Schlag 2015, p. 190.
Zie in deze zin ook Munzer 2005, p. 149. Er zijn in de (Anglo-) Amerikaanse literatuur weinig aanhangers van de ‘right to a thing’-opvatting die onverkort menen dat een goederenrechtelijk recht een betrekking is tussen een persoon en een rechtsobject; het meest in die richting komt Penner 2011, p. 275. Meestal nemen ze een genuanceerder standpunt in, zie bijvoorbeeld Merrill & Smith 2011, p. 82: “The bundle of rights picture is not logically incompatible with the understanding that property rights are in rem. But it has a strong tendency to obscure the in rem feature of property.”
Zie in deze zin Schroeder 1994, p. 292; Douglas & McFarlane 2013, p. 222; Merrill & Smith 2001b, p. 787.
Zie in deze ook Merrill & Smith 2001b, p. 789.
Anderson 1971, p. 31.
Munzer 2005, p. 149; Penner 2011, p. 275.
Eleftheriadis 1996, p. 39; Dorfman 2012, p. 579.
Zie Demsetz 1967, p. 347: “In the world of Robinson Crusoe property rights play no role” en Friedman 2000, p. 3: “If there were only one man in the world, he would have a lot of problems, but none of them would be legal ones” Zie in dezelfde zin Merrill & Smith 2001b, p. 793 over kleine gemeenschappen.
Eleftheriadis 1996, p. 36.
Dorfman 2012, p. 568-569.
Zie in dezelfde zin Eleftheriadis 1996, p. 40; Newman 2019, p. [21].
Halpin 2019, p.[4]; Sichelman 2019, p. [15].
96. Het derde discussiepunt betreft het meestomstreden onderwerp in de hedendaagse (Anglo-) Amerikaanse goederenrechtelijke literatuur: de aard van goederenrechtelijke rechten. Is een goederenrechtelijk recht een betrekking tussen personen (een ‘bundle of rights’) of een betrekking tussen een persoon en een rechtsobject (een ‘right to a thing’)? Het model van Hohfeld lijkt meer te passen bij de eerste opvatting: ieder subjectief recht, dus ook een goederenrechtelijk recht, bestaat uit een bundel van juridische posities tussen de rechthebbende en anderen. Daaruit wordt wel de conclusie getrokken dat het niet goed mogelijk is om goederenrechtelijke rechten te onderscheiden van andere rechten. Aanhangers van de tweede opvatting maken hier bezwaar tegen, vooral omdat het aanmerken van een recht als goederenrechtelijk bepaalde rechtsgevolgen met zich brengt. Zij zoeken daarom naar een criterium dat laat zien waarom goederenrechtelijke rechten anders zijn dan andere rechten.1
97. Zoals ik eerder heb aangegeven, stelt het model van Hohfeld ons slechts in staat om te zeggen wat rechten zijn en niet waarom ze er zijn.2 Het debat tussen de ‘bundle of rights’-opvatting en de ‘right to a thing’-opvatting is grotendeels het gevolg van het niet goed scheiden van deze twee vragen. Omdat ik in dit hoofdstuk slechts bekijk wat (goederenrechtelijke) rechten gevoerde discussie hier achterwege blijven. In hoofdstuk 5 kom ik terug op de vraag waarom bepaalde rechten goederenrechtelijk zijn en zal ik het leeuwendeel van deze discussie behandelen. Hier bespreek ik slechts het voor dit hoofdstuk relevante aspect van de discussie: de stelling dat een goederenrechtelijk recht ziet op de betrekking tussen een persoon en een rechtsobject in plaats van tussen een persoon en andere personen. Als deze stelling waar zou zijn, dan zou het model van Hohfeld niet toepasbaar zijn op goederenrechtelijke rechten.
98. De vraag of een goederenrechtelijk recht ziet op de betrekking tussen een persoon en andere personen of de betrekking tussen een persoon en een rechtsobject, behelst volgens mij een schijntegenstelling.3 De opvatting dat een goederenrechtelijk recht een bundel met relaties is tussen de gerechtigde en andere personen, is incompleet: de relaties tussen de personen kunnen niet worden gedefinieerd zonder te verwijzen naar het rechtsobject waarop de relaties betrekking hebben.4 Anderzijds is de opvatting dat een goederenrechtelijk recht een recht ‘op’ een rechtsobject is evengoed incompleet: er dient te worden toegevoegd wat dit recht inhoudt voor het gedrag van anderen. In beide opvattingen gaat het dus om een samenspel tussen de rechthebbende, andere personen en het rechtsobject waarop het goederenrechtelijk recht ziet.
99. Het bovenstaande betekent dat het model van Hohfeld óók gebruikt kan worden om goederenrechtelijke rechten mee te omschrijven.5 Daarvoor is nodig dat het rechtsobject waarop het goederenrechtelijke recht ziet, wordt opgenomen in de omschrijving van de verschillende juridische posities die de rechthebbende en anderen in relatie tot elkaar hebben. Per relatie wordt aangegeven 1) wie de gerechtigde is (de partij die een ‘right’, ‘privilege’, ‘power’ of ‘immunity’ heeft), 2) wie de wederpartij is (de partij die de correlatieve ‘duty’, ‘no-right’, ‘liability’ of ‘disability’ heeft) en 3) waaruit de juridische posities van deze partijen bestaan.6 Bij die laatste stap dient bij een goederenrechtelijk recht verwezen te worden naar het rechtsobject waarop het recht betrekking heeft. Een ‘privilege’ van A jegens B om ergens gebruik van te maken zoals hij wil, is namelijk inhoudsloos als niet duidelijk is waarvan A gebruik mag maken. Zonder het rechtsobject waarop de relatie betrekking heeft te vermelden (bijvoorbeeld: een stuk grond met een bepaald perceelnummer), is het niet mogelijk tot een omschrijving te komen van de juridische positie die A inneemt. Er is dus sprake van een drie-eenheid persoon – andere persoon – rechtsobject, waarbij het rechtsobject de omvang van de aanspraak van de gerechtigde mede bepaalt.7 De verschillen tussen beide opvattingen worden daarmee teruggebracht tot accentverschillen; begint men met redeneren vanuit de relaties tot andere personen of vanuit de relatie tot het rechtsobject?
100. Vanuit welk perspectief men zou moeten beginnen met redeneren, ligt wat mij betreft aan wat men aan het doen is. Voor een wetenschappelijke behandeling van goederenrechtelijke rechten gaat mijn voorkeur uit naar het vooropstellen van de relaties tot andere personen. Het privaatrecht reguleert het gedrag van personen, niet van rechtsobjecten.8 Als er geen andere personen zijn om een recht op een rechtsobject tegen in te roepen, dan is het spreken over goederenrechtelijke rechten zinloos.9 Slechts het bestaan van andere personen in een maatschappij maakt het nodig dat schaarse middelen verdeeld worden en dat er dus rechten toegekend worden.10 Die rechten gelden tussen personen, niet tussen personen en rechtsobjecten. Dat wordt inzichtelijk als men nadenkt over de verplichtingen die voor de rechthebbende voortvloeien uit zijn goederenrechtelijk recht; deze kunnen niet rusten op het rechtsobject, maar slechts op hem zelf.11 Een correcte theoretische beschrijving van een goederenrechtelijke recht moet dus starten vanuit de relaties tussen de rechthebbende en andere personen.
101. Voor het alledaagse spraakgebruik is het echter – hoe precies ook – erg omslachtig om goederenrechtelijke rechten te omschrijven als een bundel juridische posities tussen personen die betrekking hebben op een rechtsobject. Daarom zal vaak eenvoudigweg worden gesproken over één recht, dat ‘op’ een rechtsobject rust.12 Dat is geen probleem als men in het achterhoofd houdt dat dit een verkorte spreekwijze is om een meer complexe werkelijkheid uit te drukken. Indien nodig kan een subjectief recht weer worden ‘uitgerafeld’ om alle juridische posities weer te geven waaruit het bestaat.13