Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/2.4.5.2.5:2.4.5.2.5 Onderlinge verhoudingen
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/2.4.5.2.5
2.4.5.2.5 Onderlinge verhoudingen
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS501409:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van Hilten 2010, p. 19.
Aldus ook Swinkels 2001, p. 31-32 en 34.
HvJ 29 oktober 2009, nr. C-29/08, V-N 2009/56.13 (AB SKF).
HvJ 19 december 2012, nr. C-310/11, V-N 2013/11.15 (Grattan), r.o. 28.
HvJ 27 april 2006, nrs. C-443/04 en C-444/04, BNB 2006/256 (Solleveld en Van den Hout-van Eijnsbergen), r.o. 39.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit het voorgaande volgt dat het neutraliteitsbeginsel steeds in het licht van verschillende verhoudingen kan worden beoordeeld.1 Daarbij moet weldra worden opgemerkt dat tussen de hiervoor besproken hoedanigheden van het neutraliteitsbeginsel allerlei kruisverbanden bestaan. Zoals we al zagen (paragraaf 2.4.5.1.2) kan het verbod op cumulatie van belasting niet los worden gezien van de neutraliteit tussen belastingplichtigen. Hetzelfde geldt voor het vereiste dat de btw tussen eindverbruikers neutraal moet uitpakken: ook daarvoor is het belangrijk dat de belasting niet cumuleert.2 Ook bestaat er een verband tussen cumulatie en de neutraliteit tussen transacties. In HvJ AB SKF3 overwoog het HvJ bijvoorbeeld:
“66. Wanneer het recht op aftrek van voorbelasting wordt geweigerd (…) worden objectief soortgelijke handelingen in strijd met het beginsel van fiscale neutraliteit fiscaal verschillend behandeld.”
Bovendien is het niet altijd even duidelijk op welk aspect van het neutraliteitsbeginsel het HvJ doelt. Het blijft met enige regelmaat in het midden op welke hoedanigheid van het neutraliteitsbeginsel het HvJ oog heeft. Die verwarring wordt des te groter als in een arrest wordt teruggegrepen op een ander aspect van het neutraliteitsbeginsel dan waar het in de betreffende zaak lijkt te draaien. Van Hilten (2010, p. 19) noemt als voorbeeld het Fisher-arrest, waarin de mededingingsneutraliteit in het geding is, terwijl het HvJ refereert aan het verbod van dubbele heffing. Een ander voorbeeld betreft het in paragraaf 3.3.3.2 te bespreken Grattan-arrest.4 Daar waar het HvJ overweegt dat het neutraliteitsbeginsel tot gevolg heeft dat belastingplichtigen niet verschillend mogen worden behandeld, verwijst het HvJ naar een overweging uit de hiervoor aangehaalde arresten Solleveld en Van den Hout-van Eijnsbergen,5 waarin het HvJ overwoog dat soortgelijke diensten op grond van het neutraliteitsbeginsel niet verschillend mogen worden behandeld.