Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/7.2.2.1
7.2.2.1 Een blik in het verleden: de fideï-commissaire making met argwaan bekeken
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232458:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
H.J. Hamaker, ‘Eenige opmerkingen betreffende erfstellingen over de hand’, in: W.L.P.A. Molengraaff & C.W. Star Busmann (red.), Verspreide Geschriften van mr. H.J. Hamaker, III. Erfrecht, Haarlem: Erven F. Bohn 1912, p. 58.
Handelingen II 1824-1825, 34ste zitting 15 februari 1825, behandeling Titel XII van Boek II, p. 256; Asser/Meijers-Van der Ploeg 6 1992/142.
Handelingen II 1824-1825, 34ste zitting 15 februari 1825, behandeling Titel XII van Boek II, p. 256; Pitlo/Van der Burght 1981, p. 73; Handboek Erfrecht, L.C.A. Verstappen 2015/X.3.7.
Asser/Meijers-Van der Ploeg 6 1992/142. De schijn van kredietwaardigheid werd veroorzaakt door de grote voet waarop de bezwaarde kon leven en de schijn die hij daarmee opwekte. Anderzijds, als zijn gerechtigdheid bekend was bij geldschieters, had hij geen onderpand te bieden.
Voorduin 1838, p. 64.
Brinkman spreekt het vermoeden uit dat alleen al de ‘Radar’-tv-uitzending in 2010 wellicht honderdduizenden tweetrapsmakingen tot gevolg heeft gehad, R.E. Brinkman, Het fideicommis in de notariële praktijk (diss. Groningen), Den Haag: Bju 2014, p. 5.
Hiervoor is in 2.4.1 aandacht besteed aan vermogen in de dode hand. Gebleken is dat vroeger vermogen in de dode hand doorgaans als maatschappelijk ongewenst werd beschouwd en daarom moest worden bestreden. De bestrijding van vermogen in de dode hand houdt historisch bijna als vanzelfsprekend de bestrijding in van over het graf heen regeren door middel van fideï-commissaire makingen die een bewaarplicht inhouden. Tegen fideï-commissaire makingen bestonden twee hoofdbezwaren, waarvan het eerste bestaat uit meerdere onderdelen:1
De nadelige invloed op de rechtstoestand (onvervreemdbaarheid) en feitelijke toestand (exploitatie) van het fideï-commissaire goed. Als onderdelen van dit bezwaar worden genoemd:
de onvervreemdbaarheid is ongewenst;2
de (tijdelijke) gerechtigde tot een goed heeft alleen belang bij de opbrengst gedurende het bestaan van zijn recht. Hij is niet geïnteresseerd in de instandhouding van het goed als zodanig (het après moi le déluge-gedrag);3
de schijn van kredietwaardigheid van de bezwaarde erfgenaam en gebrek aan kredietwaardigheid van de bezwaarde;4 en
De erflater is niet in staat de toekomstige gevolgen van zijn beschikkingen te overzien.5
Onder het tot 2003 geldende erfrecht was een fideï-commissaire making met de plicht tot bewaring niet toegestaan. Artikel 4:926 (oud) BW verbood dergelijke makingen over de hand zoals fideï-commissaire makingen ook wel werden genoemd. De enige uitzondering vormden de toegestane fideï-commissaire makingen als bedoeld in artikel 4:1020 (oud) BW en artikel 4:1021 (oud) BW. Onder de huidige wettelijke regeling kan niet meer gesproken worden van angst voor de dode hand,6 en is de tweetrapsmaking als opvolger van de fideï-commissaire making in de praktijk zeer geliefd.7