Einde inhoudsopgave
De invloed van het EVRM op het ondernemingsrecht (IVOR nr. 91) 2012/4.2.4.3
4.2.4.3 De eisen van proportionaliteit en subsidiariteit (the fair balance-test)
mr. A.J.P. Schild, datum 06-11-2012
- Datum
06-11-2012
- Auteur
mr. A.J.P. Schild
- JCDI
JCDI:ADS385205:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie over deze maatstaf in het algemeen en tevens specifiek met betrekking tot art. 1 EP: Arai-Takahashi 2002, p. 149-164. Zie ook mijn eerdere bijdrage aan het themanummer over het evenredigheidsbeginsel in Ondernemingsrecht: Schild 2011.
EHRM 23 september 1982, appl. nr. 7151/75 & 7152/75 (Sporrong en Lönnroth t. Zweden) § 69, en EHRM 21 februari 1986, appl. nr. 8793/79 (James e.a. t. Verenigd Koninkrijk), § 50.
EHRM 5 januari 2000, appl. nr. 33202/96, NJ 2000, 571 (Beyeler t. Italië), § 114. In EHRM 23 november 2000, appl. nr. 25701/94 (The Former King of Greece and Others. t. Greece) wordt (in § 89), gesproken over een “disproporionate burden on the applicant”.
EHRM 15 november 2005, appl. nr. 44302/02 (J. A. Pye (Oxford) Ltd. t. Verenigd Koninkrijk ). Zie ook HR 16 november 2002, NJ 2002, 469 (Varkensrechten) dat een fraaie samenvatting bevat van de wijze waarop het EHRM toetst op proportionaliteit in de rechtsoverwegingen 6.2.2 en 6.2.3. Zie ook EHRM, 8 juli 1986, appl. nr. 9006/80 (Lithgow e.a. t. Verenigd Koninkrijk) , § 120: “ Clearly, compensation terms are material to the assessment whether a fair balance has been struck between the various interests at stake and, notably, whether or not a disproportionate burden has been imposed on the person who has been deprived of his possessions.”
Van Gerven & Lierman 2010, p. 547.
Citaat ontleend aan Tjepkema 2010, p. 626.
Chassagnou e.a. t. Frankrijkwas in 1999 de eerste uitspraak waarin het EHRM zuiver op dit punt een veroordeling uitsprak. Voor een ander voorbeeld, zie EHRM 22 februari 2005, appl. nr. 35014/97 (Hutten-Czapska t. Polen), waarin het EHRM oordeelde dat een wettelijke regeling die de hoogte van de huurprijs van particuliere woningen regelde en waarbij het eigenlijk niet mogelijk was de onderhoudskosten van het eigendom te bestrijden uit de inkomsten ervan, een disproportionele last vormde die niet meer kon worden gerechtvaardigd door het algemene belang (regulering van de huurprijzen). Zie over deze uitspraak en de betekenis ervan voor het Nederlandse huurrecht: Barkhuysen, Van Emmerik & Hielkema 2008.
Zie over de betekenis van het evenredigheidsbeginsel voor het ondernemingsrecht het thema-nummer van Ondernemingsrecht 2011(17).
Barkhuysen & Van Emmerik 2005, p. 68.
EHRM 30 augustus 2007, appl. nr. 44302/02 (J.A. Pye (Oxford) Ltd e.a. t. Verenigd Koninkrijk), § 55.
Zie ook bijv. EHRM 29 april 1999, appl. nrs. 25088/94, 28331/95 en 28443/95, NJ 1999, 649 (Chassagnou e.a. t. Frankrijk), § 75. Zie over de margin of appreciation uitgebreid: Vande Lanotte & Haeck 2004, deel 2, p. 306.
Zie ook Tjepkema 2010, p. 625. Een recent voorbeeld vormt een geval waarin de autoriteiten een onteigening aankondigden van grond in verband met de aanleg van een ringweg, vervolgens door werkzaamheden in de nabije omgeving de waarde van de grond deden dalen waarna de onteigening werd afgeblazen zonder deze schade te vergoeden: EHRM 7 december 2010, appl. nr. 27480/02, RvdW 2011, 1575 (Tarnawczyk t. Polen).
Vgl. EHRM 11 maart 2011, appl. nr. 5193/09, EHRC 2012, 16 m.nt. De Jong (X en Y t. Kroatië), § 79: “(…) In particular, the Court considers that stricter scrutiny is called for where measures which have such a strong impact on one’s private life as divesting one of legal capacity are at stake.”
EHRM 29 maart 2011, appl. nr. 33949/05, EHRC 2011, 99 m.nt. Tjepkema & De Jong (Potomska & Potomski t. Polen), § 74: “The Court reiterates that the genuine, effective exercise of the right protected by Article 1 of Protocol No. 1 does not depend merely on the State’s duty not to interfere, but may give rise to positive obligations (see Öneryıld ız v. Turkey [GC], no. 48939/99, § 134, ECHR 2004-XII; Broniowski, cited above, § 143; and Plechanow v. Poland, cited above, § 99). Such positive obligations may entail the taking of measures necessary to protect the right to property, particularly where there is a direct link between the measures an applicant may legitimately expect from the authorities and his effective enjoyment of his possessions, even in cases involving litigation between private entities. This means, in particular, that States are under an obligation to provide a judicial mechanism for settling effectively property disputes and to ensure compliance of those mechanisms with the procedural and material safeguards enshrined in the Convention. This principle applies with all the more force when it is the State itself which is in dispute with an individual (see Anheuser-Busch Inc., cited above, § 83, and Plechanow v. Poland, cited above, § 99).”
EHRM 26 september 2006, appl. nr. 35349/05 EHRC 2006, 138 (Fleri Soler & Camilleri t. Malta), § 79. Zie ook paragraaf 4.2.4.1 en Van Dijk, Van Hoof, Van Rijn & Zwaak 2006, p. 864 e.v.
Zie § 4.2.4.1.
In het verlengde van het vereiste van een ‘algemeen belang’ legt het EHRM een proportionaliteitstoets aan.1 Er moet een fair balance zijn tussen het algemene belang dat de staat tracht te verwezenlijken en de mate waarin inbreuk wordt gemaakt op eigendomsrechten.
De fair balance -test is een maatstaf die het EHRM bij verschillende verdragsrechten aanlegt om te beoordelen of een inmenging in het verdragsrecht kan worden gerechtvaardigd. Voor art. 1 EP geldt op grond van het fair balance -vereiste (i) dat de inbreuk niet mag resulteren in een “individual and excessive burden”,2 (ii) er een redelijke mate van evenredigheid moet bestaan tussen de gebruikte middelen en het doel dat wordt nagestreefd,3 en (iii) dat moet worden meegewogen in hoeverre aanspraak bestaat op vergoeding voor de inbreuk op het eigendomsrecht.4 Het laatste element – de mate waarin een vergoeding dient te worden betaald – komt hierna afzonderlijk aan bod.
Ook bij deze toetsing laat het EHRM een ruime margin of appreciation. In het algemeen geldt voor de mate waarin het EHRM de verdragsstaten een margin of appreciation laat dat, hoe meer de menselijke waardigheid in het geding is (bijv. bij een erkenning van een seksuele geaardheid), hoe strenger het EHRM zal beoordelen of er voldoende gewichtige redenen zijn om een inmenging in een verdragsrecht te kunnen rechtvaardigen.5 Zo pleegt het EHRM streng te toetsen aan de ‘lijf & leven’-rechten. Bij deze categorie rechten – ook wel absolute rechten – geldt niet of nauwelijks een margin of appreciation. Het EHRM beziet steeds kritisch of de absolute rechten zijn gewaarborgd.
Art. 1 EP behoort niet tot de absolute rechten. De toetsing van het EHRM aan art. 1 EP is dan ook meer terughoudend. Mahoney heeft het eigendomsrecht als volgt gekarakteriseerd:
“The subject-matter of the right of property (…) is typically one where there is a diversity of view in democratic society as to how the tension between individual liberty and community interests should be regulated. The right of property as guaranteed under the Convention accommodates both socialist (redistributive) and conservative (acquisitive) approaches. At the other end of the spectrum there is presumably little or no scope for any margin of appreciation in relation to the right to life, the prohibition of torture and inhuman treatment, and the prohibition of slavery.”6
Het gevolg is dat slechts incidenteel door het EHRM wordt geoordeeld dat sprake is van een disproportionate burden.7 Doorgaans wordt de verdragsstaten een ruime marge gelaten bij de beoordeling van de vraag of een inbreuk kan worden gerechtvaardigd op gronden van proportionaliteit en subsidiariteit door het algemene belang dat de lidstaat beoogt na te streven. Het is in beginsel aan de verdragsstaten om hier een belangenafweging te maken.8 Alleen bij de afwezigheid van een belangenafweging die niet redelijkerwijze verdedigbaar is, zal het EHRM oordelen dat sprake is van een schending van art. 1 EP.9 Illustratief in dit verband is de overweging uit Pye t. Verenigd Koninkrijk :10
“In respect of interferences which fall under the second paragraph of Article 1 of Protocol No. 1, with its specific reference to “the right of a State to enforce such laws as it deems necessary to control the use of property in accordance with the general interest …”, there must also exist a reasonable relationship of proportionality between the means employed and the aim sought to be realised. In this respect, States enjoy a wide margin of appreciation with regard both to choosing the means of enforcement and to ascertaining whether the consequences of enforcement are justified in the general interest for the purpose of achieving the object of the law in question (AGOSI v. the United Kingdom, judgment of 24 October 1986, Series A no. 108, § 52).”
Kortom: bij de keuze van de middelen om het algemene belang te dienen wordt de wetgever een ruime mate van vrijheid gelaten.11 Veroordelingen vanwege het overschrijden van de margin of appreciation zijn dan ook zeldzaam.12
Wel geldt ook hier het algemene uitgangspunt dat naar mate sprake is van een meer ingrijpende inbreuk op een grondrecht, het EHRM niet alleen hogere eisen zal stellen aan de rechtvaardigingsgronden, maar ook aan de rechtswaarborgen die een belanghebbende ter beschikking staan om zich te verzetten tegen deze inbreuk.13 Het EHRM heeft uitdrukkelijk overwogen dat art. 1 EP voor de verdragsstaten de positieve verplichting omvat om procedurele waarborgen te creëren.14 Het ontbreken van degelijke procedurele waarborgen kan aanleiding zijn om te oordelen dat geen sprake is van een fair balance.15 De afwezigheid van voldoende procedurele waarborgen kan het EHRM soms ook tot het oordeel brengen dat niet voldaan is aan het ‘voorzien bij wet’-vereiste.16