Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/2.2.2
2.2.2 Het risicodragende karakter van het eigen vermogen
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS402361:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Baums 2011, p. 204.
Aldus ook Ross, Westerfield & Jaffe 2002, p. 375. Wolf overweegt daarom mijns inziens ten onrechte dat de aanduiding ‘risicodragend’ niets zou toevoegen, omdat ook de verstrekker van vreemd vermogen het risico loopt zijn inbreng te verliezen (Wolf 2013, p. 44).
Aldus ook Vriesendorp & Van den Sigtenhorst 2013, p. 95 en Raaijmakers 2006, p. 260.
Handschin 2012, p. 261. Daarnaast zal de kredietverstrekker natuurlijk ook kijken naar het winstpotentieel van de door de vennootschap gedreven onderneming, ofwel de geprognosticeerde rentabiliteit van het totale vermogen.
Eckhold 2002, p. 14.
Handschin 2011, p. 194 en p. 200.
Uit de voornoemde eigenschappen volgt dat het eigen vermogen een risicodragend karakter heeft. Ten eerste vormt het eigen vermogen een buffer tegen verliezen en de daaruit voortvloeiende waardedaling van het actief. Zolang het eigen vermogen groot genoeg is om deze waardedaling op te vangen, beschikt de vennootschap (balanstechnisch) over voldoende vermogen om haar schuldeisers volledig te voldoen. In Duitsland wordt het eigen vermogen daarom aangemerkt als ‘Verlustpuffer’ of ‘Risikopuffer’.1 Als het eigen vermogen onvoldoende is om het verlies te delgen, zal meestal de mogelijkheid om uitkeringen aan aandeelhouders te doen onder druk komen te staan. Omdat de vennootschap niet in gebreke kan zijn vanwege het niet betalen van dividend, hoeft dit geen gevolgen te hebben voor haar continuïteit.2
Het eigen vermogen fungeert niet alleen als buffer tegen schommelingen in de waarde van het actief, maar vangt tevens fluctuaties op in de kasstromen van de vennootschap. Financiële problemen manifesteren zich doorgaans als een liquiditeitstekort. Als de vennootschap bij een normale gang van zaken niet in staat is haar opeisbare verplichtingen te voldoen, dreigt haar insolventie; schuldeisers kunnen immers in dat geval haar faillissement uitlokken.3 Aan een liquiditeitstekort kan een fundamenteel probleem ten grondslag liggen, maar het is tevens mogelijk dat slechts sprake is van een (tijdelijke) mismatch tussen de inkomende en uitgaande kasstromen.
Als een vennootschap geconfronteerd wordt met een liquiditeitsprobleem, zal zij in de regel trachten (overbruggings)financiering aan te trekken bij een kredietverstrekker. De bereidheid van derden om krediet te verstrekken is in hoge mate afhankelijk van de solvabiliteit van de vennootschap.4 Naarmate de vennootschap over een groter eigen vermogen beschikt, zal zij in de regel gemakkelijker krediet kunnen aantrekken en aan haar opeisbare verplichtingen kunnen (blijven) voldoen. 5 In de Duitse literatuur wordt in dit verband onderscheid gemaakt tussen de directe en indirecte financieringsfunctie van het eigen vermogen. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht dat het eigen vermogen niet alleen in directe zin kan worden aangewend ter financiering van de activa, maar tevens indirect, doordat op basis daarvan vreemd vermogen kan worden aangetrokken om in de financieringsbehoefte van de onderneming te voorzien.6 Er bestaat kortom een belangrijke interdependentie tussen het eigen vermogen en de liquiditeitspositie van de vennootschap. Handschin merkt het eigen vermogen daarom aan als ‘risk reserve’:
“[E]quity is not only an indicator for the over-indebtedness of a corporation, but also for the ability of the corporation to make up for negative free cash flow. In fact, equity is an indicator for both financial risks of a corporation: the cash-drain risk as well as the risk of asset reductions and over- indebtness. […] It is the essential function of equity to provide for a buffer or a reserve to cope with these risks. Therefore, the term ‘risk-reserve’ is to be preferred to describe the function of equity.”7