Einde inhoudsopgave
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/13.5.0
Introductie
dr. A.O. Lubbers, datum 01-07-2000
- Datum
01-07-2000
- Auteur
dr. A.O. Lubbers
- JCDI
JCDI:ADS420535:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een beschouwing met betrekking tot de plaats van de fiscale vermogensopstelling: P.M. van der Zanden, Maatschappelijk aanvaardbare normen voor de jaarrekening en goed koopmansgebruik, dissertatie 1991, paragraaf 5.2.
Artikel 2:361, eerste lid, BW.
R. Burgert, Bedrijfseconomisch aanvaardbare grondslagen voor de gepubliceerde jaarrekening, De Accountant, september 1967, blz. 188.
Zie ook: M.N. Hoogendoorn, Het belang van de jaarrekening, Bedrijfskundige Signalementen; Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap, nr. 189, paragraaf 4.1.2 en Van der Zanden, a.w., hoofdstukken 3 en 4.
Artikel 2:362, tweede lid, BW. Een soortgelijk uitgangspunt geldt ten aanzien van de winst- en verliesrekening: deze dient getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte van het resultaat van het boekjaar en zijn afleiding uit de posten van baten en lasten weer te geven (derde lid).
Ik ga ervan uit dat een eenmaal vastgestelde jaarrekening niet meer kan worden gewijzigd. Volgens Beckman e.a. (paragraaf 4.3.5, aantekening 33p) is deze opvatting echter kwestieus: ‘Vaststellen is een juridische handeling; niet is in te zien waarom het bevoegde orgaan op een besluit gebaseerd op onjuiste gegevens niet zou kunnen terugkomen. Er moet dan eerst een besluit worden genomen waarmee het effect van het eerdere vaststellingsbesluit wordt weggenomen, gevolgd door een nieuw vaststellingsbesluit.’
Met deze paragraaf wordt niet beoogd een volledig overzicht te geven van de wijze waarop het herstel van fouten in het jaarrekeningrecht plaatsvindt. Ten eerste beperk ik mij tot de fouten die ertoe hebben geleid dat het eigen vermogen in de eindbalans van de laatstvastgestelde jaarrekening (hierna ook: het laatstvastgestelde jaar) onjuist is berekend. Zo blijven bijvoorbeeld buiten beschouwing fouten die de indeling en de presentatie van de balans/winst- en verliesrekening betreffen. Ten tweede beperk ik mij tot het hiervóór geschetste keuzeprobleem ten aanzien van de beginbalans van het oudste nog openstaande jaar (dit is het eerste jaar waarover de jaarrekening nog moet worden opgemaakt); een beschrijving van de wijze waarop de onderneming in de jaarrekening melding dient te maken van een in een voorgaand jaar gemaakte fout blijft buiten beschouwing.
Dit jaar zal door mij worden aangeduid als ‘het oudste nog openstaande jaar’.
Zo worden in de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving stelselwijzigingen behandeld in hoofdstuk 140, terwijl het herstel van (fundamentele) fouten aan de orde is in hoofdstuk 150. Zie ook de afzonderlijke behandeling van ‘Changes in Accounting Policies’ en ‘Fundamental Errors’ in International Accounting Standard IAS 8 (revised 1993).
De fiscale balans is een belangrijk hulpmiddel bij de bepaling van de winst die in een jaar in de heffing van inkomsten- of vennootschapsbelasting dient te worden betrokken1. Voor de jaarrekening – dit is de balans, de winst- en verliesrekening met de toelichting2 – zijn andere taken weggelegd. Zo noemt Burgert3 als fundamentele functies van de (gepubliceerde) jaarrekening4:
het vaststellen van de bedragen van de winst, ter verdeling onder de winstgerechtigden;
het afleggen door het bestuur van verantwoording over het beheer;
het informeren van de kapitaalmarkt – mede door middel van het bestuursverslag – opdat deze haar middelen zo economisch mogelijk kan besteden over de verschillende alternatieven.
Het verschil in doelstelling leidt ertoe dat aan een jaarrekening andere eisen worden gesteld dan aan een fiscale balans. De jaarrekening dient op grond van artikel 2:362, eerste lid, BW volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd een zodanig inzicht te geven dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen en het resultaat. De in de jaarrekening opgenomen balans met toelichting geeft getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte van het vermogen en zijn samenstelling in actief- en passiefposten op het einde van het boekjaar weer5.
Indien in het kader van de heffing van inkomstenbelasting bij de berekening van de winst van het oudste nog openstaande jaar een fout wordt ontdekt in de eindbalans van het laatstvastgestelde jaar – welke fout niet kan worden hersteld door navordering, de betaling van gewetensgeld of door ambtshalve vermindering – komt men voor de keuze te staan deze onjuiste eindbalans als beginbalans voor het oudste nog openstaande jaar te nemen dan wel uit te gaan van een gecorrigeerde beginbalans. Zoals besproken in hoofdstuk 4, heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 22 oktober 1952, B. 9293 voor dit keuzeprobleem een oplossing gegeven (foutenleer).
Een soortgelijk keuzeprobleem doet zich voor in het jaarrekeningrecht indien een fout wordt ontdekt in de eindbalans van de laatstvastgestelde jaarrekening6. Hierna wordt aandacht besteed aan de vraag op welke wijze het hiervóór geschetste keuzeprobleem in het jaarrekeningrecht wordt opgelost7. Met name zal worden onderzocht of in het jaarrekeningrecht een met de foutenleer vergelijkbaar leerstuk voorkomt. Daarbij neem ik tot uitgangspunt dat in de laatstvastgestelde jaarrekening een fout is gemaakt. Deze fout heeft ertoe geleid dat het eigen vermogen in de tot die jaarrekening behorende eindbalans onjuist is berekend. Bij de bespreking van de mogelijkheden deze fout te herstellen – dit herstel zal plaatsvinden in het oudste jaar waarvoor de jaarrekening nog niet is vastgesteld8 – maak ik onderscheid tussen fouten als gevolg van de toepassing van een onjuist stelsel (paragraaf 4.5.1) en andere fouten (paragraaf 4.5.2). Reden voor de afzonderlijke behandeling van deze fouten is dat aldus wordt aangesloten bij de in de praktijk van de jaarverslaggeving gemaakte splitsing tussen stelselwijzigingen – waartoe ook wordt gerekend de overgang van een stelsel dat niet of niet meer als aanvaardbaar wordt beschouwd naar een wel toelaatbaar geacht stelsel – en het herstel van (fundamentele) fouten9.