Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/7.10
7.10 Het Verdrag van Lissabon
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS455275:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Christiansen 2010; Piris 2010, p. 7-70.
Zie voor een beschrijving van het ratificatieproces van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa voor een groot aantal landen: Carbone 2010.
Drake & Lequesne 2010, p. 37; Bursens & Crum 2010, p. 147.
Zie de Verklaring van de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten van de Europese Unie over de ratificatie van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa, overeengekomen tijdens de top van de Europese Raad van 16 en 17 juni 2005.
Zie de conclusies van de Europese Raad van 21 en 22 juni 2007, p. 2 en 3.
Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, ondertekend te Lissabon, 13 december 2007 (PbEU 2007, C 306/1).
Artikel 2, eerste lid, Verdrag van Lissabon.
Het Verdrag van Lissabon bevat als bijlage concordantietabellen van de wijzigingen van het VEU en het VWEU, zie: PbEU 2007, C 306/202. Ook zijn er na ondertekening van het Verdrag van Lissabon geconsolideerde versies van deze verdragen verschenen, zie: PbEU 2008, C 115/01.
Zie hierover: Amtenbrink & Van de Gronden 2008.
Artikel 121, vierde lid, VWEU.
Artikel 121, vierde lid, VWEU.
Artikel 139, vierde lid, VWEU.
Artikel 126, vijfde lid, VWEU.
Artikel 126, zevende lid, VWEU.
Hoofdstuk 4 van titel VIII VWEU.
Artikel 136 VWEU.
Artikel 137 VWEU. Zie voor het Protocol betreffende de eurogroep: PbEU 2007, C 306/153.
Zie hierover: Beukers 2008.
Artikel 16 derde lid VEU. Zie par. 7
Zie par. 6.8.2.3.
Een laatste ontwikkeling die zich voor het uitbreken van de eurocrisis heeft voorgedaan en die daarom in dit hoofdstuk wordt meegenomen, is de totstandkoming van het Verdrag van Lissabon. De oorsprong van dit verdrag ligt in het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa.1 Dit verdrag, vaak aangeduid als Europese Grondwet, werd ondertekend op 29 oktober 2004. Het is echter nooit in werking getreden. De bekrachtiging bleek vele malen lastiger dan vooraf was ingeschat.2 Onder andere Frankrijk en Nederland organiseerden een referendum over de Europese Grondwet. In Frankrijk stemde op 29 mei 2005 54,7 procent tegen, en Nederland volgde die uitslag met 61,5 procent op 1 juni 2005.3 Als reactie hierop riep de Europese Raad tijdens de top van 16 en 17 juni 2005 op tot een periode van bezinning, waarin een breed debat moest worden gevoerd over de toekomst van de EU.4 Na een algehele evaluatie hiervan zou een besluit worden genomen over de voortzetting van het proces.
Dit besluit volgde pas twee jaar later.5 Tijdens de top van 21 en 22 juni 2007 besloot de Europese Raad dat de aandacht zou worden verlegd van de Europese Grondwet naar een zogenoemd hervormingsverdrag. Hierin zouden de nodige wijzigingen van de bestaande verdragen moeten worden opgenomen, nadrukkelijk zonder een grondwettelijk karakter. Het Verdrag van Lissabon dat hieruit voortkwam werd ondertekend op 13 december 2007 en trad in werking op 1 december 2009.6
Het Verdrag van Lissabon wijzigt het VEU en het EG-verdrag.7 Het EG-verdrag wordt omgedoopt tot het VWEU.8 Door de wijzigingen verandert ook opnieuw de nummering van beide verdragen.9 Hoewel het niet om grote veranderingen gaat, wijzigt het Verdrag van Lissabon enkele bepalingen van het oude EG-verdrag over de EMU.10
Ten eerste krijgt de Europese Commissie het recht om in het kader van het multilaterale toezicht een waarschuwing tot een lidstaat te richten, indien het economisch beleid van die lidstaat niet overeenkomt met de door de Raad opgestelde globale richtsnoeren of indien het de goede werking van de EMU in gevaar dreigt te brengen.11 Eerder kon de Commissie slechts de Raad aanraden om aanbevelingen tot de lidstaat te richten, een bevoegdheid die in het VWEU niet is gewijzigd.
Bij deze beslissing om aanbevelingen tot een lidstaat te richten in het kader van het preventieve multilaterale toezicht houdt de Raad voortaan geen rekening meer met de stem van het lid van de Raad dat de betrokken lidstaat vertegenwoordigt.12 Dit geldt ook voor een besluit dat er sprake is van een buitensporig tekort.13 Daarnaast hebben lidstaten die de euro nog niet hebben ingevoerd (de zogenaamde lidstaten die vallen onder een derogatie) geen stemrecht bij onder meer de vaststelling van aanbevelingen in het kader van het multilaterale toezicht en bij besluiten over de buitensporigtekortprocedure.14
Binnen de correctieve buitensporigtekortprocedure krijgt de Europese Commissie voorts het recht om, indien zij van oordeel is dat er in een lidstaat een buitensporig tekort bestaat of kan ontstaan, ook een advies uit te brengen aan die lidstaat, in plaats van alleen aan de Raad.15 Verder wordt in het VWEU opgenomen dat wanneer de Raad besluit dat er sprake is van een buitensporig tekort, hij āzonder ongegronde vertragingā aanbevelingen vaststelt voor die lidstaat.16
Tot slot worden door het Verdrag van Lissabon in het VWEU specifieke bepalingen opgenomen voor de lidstaten die de euro als munt hebben.17 Hierin is onder andere bepaald dat de leden van de Raad die lidstaten vertegenwoordigen die de euro als munt hebben, maatregelen kunnen vaststellen die binnen de eurozone gelden.18 Ook wordt verwezen naar het Protocol betreffende de eurogroep, waarin de informele bijeenkomsten van de ministers van Financiƫn worden erkend.19
Naast het wijzigen van EMU-gerelateerde onderwerpen zorgt het Verdrag van Lissabon ook voor een aanpassing van de besluitvormingsregels.20 Het stemmen met gekwalificeerde meerderheid wordt het uitgangspunt.21 De zinsnede āmet gekwalificeerde meerderheid van stemmenā wordt dan ook in het gehele VWEU geschrapt. De Raad nam al beslissingen met gekwalificeerde meerderheid bij aanbevelingen in het kader van het multilaterale toezicht en bij het besluit tot vaststelling van een buitensporig tekort, maar nog niet bij aanbevelingen na de vaststelling van een buitensporig tekort, bij het aanmanen van een lidstaat om maatregelen te treffen en bij het opleggen van sancties. Hiervoor gold nog een tweederdemeerderheidseis.22 Tevens krijgt het begrip āgekwalificeerde meerderheidā per 1 november 2014 een nieuwe definitie.23 Sinds dat moment wordt onder gekwalificeerde meerderheid van stemmen verstaan: āten minste vijfenvijftig procent van de leden van de Raad die ten minste vijftien in aantal zijn en lidstaten vertegenwoordigen waarvan de bevolking ten minste vijfenzestig procent uitmaakt van de bevolking van de Unieā.
Een blokkerende minderheid moet uit ten minste vier leden van de Raad bestaan, anders wordt de gekwalificeerde meerderheid van stemmen geacht te zijn verkregen.