Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/4.8.2
4.8.2 Wet normering topinkomens
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652104:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 28 februari 2017, ARO 2017/82 (De Gelderhorst).
OK 28 februari 2017 (r.o. 2.5), ARO 2017/82 (De Gelderhorst).
OK 28 februari 2017 (r.o. 2.6), ARO 2017/82 (De Gelderhorst). Zie ook par. 4.5.2.3.
OK 28 februari 2017 (r.o. 2.7), ARO 2017/82 (De Gelderhorst). Zie ook r.o. 1.7-1.8.
OK 8 maart 2022 (r.o. 2.2), JOR 2022/119, m.nt. P.H.M. Broere (Stichting Omroep Limburg).
Zie ook Timmerman (onder 3) in zijn redactionele aantekening bij OK 8 maart 2022, ARO 2022/70 (Stichting Omroep Limburg); mijn annotatie (onder 7) bij OK 8 maart 2022, JOR 2022/119 (Stichting Omroep Limburg).
In De Gelderhorst stelde de Ondernemingskamer de vergoeding van de voorzitter van de raad van toezicht vast bij de beëindiging van het onderzoek en de getroffen onmiddellijke voorzieningen. De Ondernemingskamer stelde die vergoeding vast op € 17.675.1 Zij zag zich waarschijnlijk genoodzaakt de vergoeding van de voorzitter van de raad van toezicht vast te stellen tegen de specifieke achtergrond van de Wet normering topinkomens.
Op grond van art. 2.2 WNT en de Regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen zorg en jeugdhulp bedroeg het bezoldigingsmaximum voor de voorzitter van de raad van toezicht bij een zorginstelling als De Gelderhorst in 2016 € 14.700 per kalenderjaar. De Wet normering topinkomens biedt de mogelijkheid af te wijken van dit maximum bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, maar de Regeling bezoldigingsmaxima topfunctionarissen zorg en jeugdhulp biedt geen uitzonderingsmogelijkheid. Voor topfunctionarissen zonder dienstbetrekking gold op grond van art. 2.1 lid 4 WNT jo. art. 4 Uitvoeringsbesluit WNT een afwijkend bezoldigingsmaximum, te weten € 24.000 gemiddeld per kalendermaand (voor de duur van maximaal zes maanden), maar die uitzonderingsmogelijkheid is niet van toepassing op de bezoldiging van leden van de raad van toezicht van een zorginstelling.2 De Ondernemingskamer oordeelde:
‘dat het, gelet op het bijzondere karakter van de functie van een door de Ondernemingskamer in een enquêteprocedure benoemde voorzitter van de raad van toezicht, echter gerechtvaardigd is voor toekenning van een beloning aan een persoon in die functie aansluiting te zoeken bij de voor topfunctionarissen zonder dienstbetrekking geldende bezoldigingsmaxima. Een andere opvatting zou er toe leiden dat ernstig afbreuk kan worden gedaan aan de effectiviteit van onmiddellijke voorzieningen die de Ondernemingskamer nodig acht vanwege de toestand waarin de rechtspersoon zich ten tijde van het treffen van die voorzieningen bevindt.’3
De Ondernemingskamer had het hierbij kunnen laten en de beloning van de voorzitter van de raad van toezicht niet kunnen vaststellen. Zij oordeelde echter dat voor de periode waarop het verzoek tot vaststelling van de vergoeding van de voorzitter van de raad van toezicht betrekking had een bezoldigingsmaximum van € 175 per uur (het door de voorzitter van de raad van toezicht gehanteerde uurtarief) met een maximum van € 24.000 gemiddeld per maand gold. De rechtspersoon verzocht de vaststelling van de vergoeding van de voorzitter van de raad van toezicht op € 17.765. Die vergoeding bleef gelet op het bestede aantal uren ruimschoots binnen het door de Ondernemingskamer gestelde maximum. De Ondernemingskamer nam voorts in aanmerking dat partijen hadden opgemerkt dat de voorzitter van de raad van toezicht belangrijk werk heeft verricht voor De Gelderhorst en dat de door hem bestede uren moeten worden vergoed. Ook merkten partijen op dat van de voorzitter van de raad van toezicht een bijzondere tijdsbesteding is gevraagd in een situatie waarin het toezicht complexer was dan gebruikelijk. De Ondernemingskamer constateerde dat de voorzitter van de raad van toezicht een belangrijke rol heeft gespeeld bij het herstel van de verhoudingen binnen De Gelderhorst. Nu het bezoldigingsverzoek toereikend was toegelicht, daartegen geen bezwaar werd gemaakt en de Ondernemingskamer het verzochte bedrag ook overigens niet onredelijk voorkwam, kende de Ondernemingskamer de aan de voorzitter van de raad van toezicht verzochte beloning toe. Zij stelde de vergoeding van de voorzitter van de raad van toezicht vast op € 17.765.4
In Stichting Omroep Limburg stelde de Ondernemingskamer de beloning van een OK-commissaris en OK-bestuurder op hun verzoek vast op € 275 per uur, in afwijking van de op grond van de Wet normering topinkomens geldende maxima. Anders dan in De Gelderhorst deed de Ondernemingskamer dat niet bij de beëindiging van het onderzoek en de getroffen onmiddellijke voorzieningen, maar eerder. De OK-functionarissen werd daarmee eerder zekerheid geboden over de gerechtigdheid tot hun beloning. De Ondernemingskamer zag zich waarschijnlijk genoodzaakt de vergoeding van de benoemde OK-functionarissen in Stichting Omroep Limburg vast te stellen tegen de specifieke achtergrond van de Wet normering topinkomens. Op het forum uitvoering Wet normering topinkomens schreef het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dat een hogere beloning dan de Wet normering topinkomens toelaat slechts is toegestaan ‘voor zover er ook daadwerkelijk sprake is van een door de Ondernemingskamer toegekende beloning.’5 Hieruit lijkt te moeten worden afgeleid dat geen gerechtigdheid bestaat tot het deel van de beloning boven de door de Wet normering topinkomens gestelde grens, als de Ondernemingskamer het uurtarief van de OK-functionarissen niet heeft geaccordeerd.6 Zie hierover nader par. 4.5.2.3.