Het budgetrecht van het Nederlandse parlement
Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/5.2.9:5.2.9 Conclusie
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/5.2.9
5.2.9 Conclusie
Documentgegevens:
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Reestman 2013c, p. 487.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De begrotingsregels werden voorheen neergelegd in het regeerakkoord. De Wet HOF breekt echter deels met deze praktijk door de uitgangspunten van het nationale begrotingsbeleid en de Europese begrotingsregels neer te leggen in nationale wetgeving. Bovendien introduceert de Wet HOF een nieuwe procedure in de nationale begrotingscyclus: mocht er een herstelplan worden opgesteld door de Minister van Financiën dan wordt dit plan opgenomen in een budgettaire nota en overgelegd aan de Kamers en wordt hier een advies over gegeven door de Raad van State. De toepassing van het correctiemechanisme wordt in de Wet HOF geheel uitbesteed aan de EU-instellingen.1 De Raad bepaalt niet alleen of sprake is van een significante afwijking die gecorrigeerd dient te worden, maar ook wat de budgettaire omvang en het tijdpad van deze corrigerende maatregelen dienen te zijn en of er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die een afwijking rechtvaardigen.
Hoewel de Wet HOF de begrotingsregels codificeert in nationale wetgeving, biedt deze wetgeving vooral kaders voor de vaststelling van de begroting – met welke regelgeving en afspraken rekening dient te worden gehouden – zonder daadwerkelijk cijfermatige begrotingsregels op te nemen. Het niet opnemen van cijfermatige begrotingsregels heeft als voordeel dat de Wet HOF niet hoeft te worden gewijzigd wanneer bijvoorbeeld de regels uit de verdragen of het Stabiliteits- en Groeipact veranderen. Nadeel is dat dit de zichtbaarheid van de begrotingsregels, een van de leidende gedachten achter de verplichting tot het verankeren van de Europese begrotingsregels op nationaal niveau, niet ten goede komt. De zichtbaarheid en disciplinerende kracht van de begrotingsregels kan echter worden bevorderd doordat in nationale wetgeving is neergelegd met welke begrotingsregels rekening dient te worden gehouden bij het opstellen van de begroting.
Daarnaast kan de vraag worden gesteld of de Wet HOF wel voldoet aan de procedurele implementatieverplichting uit artikel 3 lid 2Fiscal Compact. De vraag of de Wet HOF wel voldoende ‘bindend en permanent’ is voor de begrotingswetgever zou eventueel kunnen worden ondervangen door het feit dat het Fiscal Compact, op basis van het monistische stelsel in Nederland, deel uitmaakt van de nationale rechtsorde en boven de Grondwet staat.
Het Fiscal Compact, hoewel niet in strijd met artikel 105 Grondwet, betekent een inperking van de manoeuvreerruimte voor het parlement om de begroting vast te stellen. Het aanvaarden van een regel van begrotingsevenwicht – zoals al eerder neergelegd in het Stabiliteits- en Groeipact – betekent immers dat bepaald wordt welke begrotingspolitiek er zal worden gevoerd. Daarmee wordt het uitgavenpatroon van de overheid begrensd, waarmee tegelijkertijd ook de manoeuvreerruimte van het parlement wordt begrensd. Dit is des te meer het geval nu ook de coördinatie van het economisch beleid aanzienlijk is aangehaald in het kader van het Europees economisch bestuur. De beperking van de manoeuvreerruimte van het parlement wordt bovendien geïllustreerd door het herstelplan en met name de verplichting om hierin de aanbeveling van de Raad, qua tijdpad en omvang, over te nemen.