Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/6.5.5
6.5.5 De vereniging van gepensioneerden als instelling van de onderneming
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687264:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
G. van den Bergh, Medezeggenschap der arbeiders in de partikuliere onderneming, Amsterdam: Boekhandel en Uitgeversmaatschappij ‘Ontwikkeling’ 1924, p. 12 en p. 219; W.F. de Gaay Fortman, De onderneming in het arbeidsrecht, Amsterdam: H.J. Paris 1936, p. 124. Dijkhuis kwam in zijn onderzoek naar de rechtsgronden van de medezeggenschap in 1936 tot dezelfde conclusie, namelijk dat in beheer van sociale instellingen of fondsen die voor de werknemers tot stand zijn gebracht, gelet op de werknemersbelangen een plaats voor hen in het beheer diende te komen: J.F.P. Dijkhuis, De rechtsgrond van medezeggenschap, Assen: Van Gorcum & Comp. 1938, p. 21 en p. 24.
Rapport uitgebracht door de kommissie ingesteld door N.V.V. en S.D.A.P., Bedrijfsorganisatie en medezeggenschap, Amsterdam: Boekhandel en Uitgeversmaatschappij ‘Ontwikkeling’ 1923, p. 21 en p. 97.
F.M.W. Vink en R.H. van het Kaar, Inzicht in de ondernemingsraad, Den Haag: Sdu 2013, p. 213.
L.G. Verburg, Rood’s Wet op de ondernemingsraden, Deventer: Kluwer 2013, p. 393.
Zie onder meer paragraaf 5.3.3.
Al aan het begin van de twintigste eeuw waren er stemmen in de literatuur die vonden dat werknemers via medezeggenschap rechten moesten krijgen ten aanzien van bestuursbenoemingen bij instellingen van de onderneming.1 Ook de commissie van de N.V.V. en S.D.A.P. pleitte in die jaren voor een wetsontwerp met een dergelijk recht voor de OR.2Artikel 29 WOR bevindt zich, zij het in enkele malen aangepaste vorm, daarom al sinds het begin van de WOR in 1950 in de wet. Bij de herziening van de WOR in 1979, waarbij het recht van artikel 29 WOR werd uitgebreid tot benoeming van ten minste de helft van de bestuursleden, merkte de wetgever op dat paritair bestuur bij dit soort instellingen al de regel was.3
De WOR bevat geen limitering ten aanzien van het soort instelling, zo lang het maar (a) is opgericht door de ondernemer en (b) dient ten behoeve van de in de onderneming werkzame werknemers. Het soort instellingen dat in aanmerking kan komen is daarom zo kleurrijk als in de praktijk denkbaar is; denk aan sociale fondsen en studiefondsen,4 maar ook aan een personeelsvereniging of, onder omstandigheden, een vehikel waarmee werknemers aandeelhouder kunnen worden in de onderneming. Interessant is in hoeverre de vereniging van gepensioneerden in dit verband kan worden beschouwd als een instelling van de ondernemer. Als het antwoord positief zou zijn, betekent dit dat de OR, waarin immers geen vertegenwoordigers van ex-werknemers zitten, het recht zou hebben ten minste de helft van de bestuursleden te benoemen.
De eerste hobbel die daarvoor moet worden genomen is dat deze vereniging moet zijn opgericht door de ondernemer. Dat is niet altijd aan de orde, maar kan wel. Sommige ondernemers hebben in het verleden, al dan niet op eigen initiatief of op verzoek, verenigingen van gepensioneerden opgericht om enige vorm van contact te houden met hun ex-werknemers, kerstpakketten te sturen en eens in de zoveel tijd een (nieuwjaars)borrel te organiseren.
De tweede te nemen hobbel is de vraag of de vereniging van gepensioneerden wel kan worden gezien als een instelling ten behoeve van de in de onderneming werkzame personen. Immers, de leden van de vereniging werken niet meer in de onderneming. Ik betoogde eerder in dit hoofdstuk in het kader van het instemmingsrecht van artikel 27 WOR dat het voor de hand ligt regelingen met betrekking tot in de onderneming werkzame personen ruim te interpreteren. Dat ligt ook bij artikel 29 WOR voor de hand, te meer omdat pensioenfondsen – waarvan het onomstreden is dat zij onder artikel 29 WOR zouden vallen als de Pw niet in een eigen regeling zou voorzien – niet slechts zijn ingesteld voor werknemers maar ook voor ex-werknemers van de ondernemer. In de praktijk wordt artikel 29 WOR ook toegepast bij sociale fondsen die zich richten op werknemers, ex-werknemers en hun nabestaanden. Verburg pleit in dit verband voor een ruime interpretatie van dit begrip in artikel 29 WOR en noemt het voorbeeld van een fonds dat zich bij uitstek richt op gepensioneerde werknemers, waar het benoemingsrecht ook op van toepassing zou moeten zijn.5
Het antwoord op de vraag of een vereniging van gepensioneerden een instelling van de ondernemer kan zijn, lijkt mij daarom ‘ja’. Wenselijk lijkt het mij echter niet, aangezien de OR daarmee het recht krijgt de helft van de bestuursleden te benoemen. Mag dan van de OR in redelijkheid worden verwacht dat die bestuursleden ex-werknemers zijn? Dat staat in ieder geval nergens. Het probleem zal beperkt zijn zolang de vereniging van gepensioneerden het karakter heeft van een gezelschapsvereniging. Wanneer deze zich echter ontwikkelt tot een belangenvereniging, waarvan de belangen potentieel in conflict komen met die van de werknemers, zie ik echter wel een probleem.6 Gelet op de mogelijke belangentegenstelling tussen de belangen van werknemers en ex-werknemers lijkt dit niet zuiver. Positief bezien biedt artikel 29 WOR in ieder geval wél de veiligheid dat de ex-werkgever niet meer dan de helft van het aantal bestuursleden kan benoemen van de vereniging van gepensioneerden. Hoe dan ook, zolang de wet niet voorziet in een eigen regeling voor benoeming van bestuurders van verenigingen van gepensioneerden, lijkt het voor die verenigingen die belangenbehartiging beogen wenselijk zich niet op te laten richten door de (ex-)werkgever.