Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/6.5.3
6.5.3 Verbod op instemmingsrecht OR bij besluiten pensioenfonds
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687263:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2015/16, 34378, nr. 3, p. 5. Eerder waren de staatssecretaris en de SER nog een andere mening toegedaan: Kamerstukken II 2013/14, 32043, nr. 206, p. 41; SER-advies van juni 2014, Instemmingsrecht OR inzake de arbeidsvoorwaarde pensioen, nummer 2014/05, p. 42.
Ten onrechte wordt soms wel eens gesuggereerd dat toerekening wel denkbaar is, zoals I. Zaal, ‘Kroniek ondernemingsraden 2016’, ArbeidsRecht 2017/15. Ten onrechte wordt het verbod ook niet genoemd in Rb. Noord-Holland 26 oktober 2021, JAR 2021/294, m.nt. I.H. Vermeeren-Keijzers en K.A. van Haaren, PJ 2022/3, m.nt. E. Lutjens (OR Fluor/Fluor).
H. Thierry, Pensioen- en spaarfondsen in de private sector van het economische leven, Alphen aan den Rijn: Samson 1952, p. 125.
Kamerstukken II 2005/06, 30413, nr. 3, p. 245; P.M. Tulfer, Pensioenen, fondsen en verzekeraars, Deventer: Kluwer 1997, p. 307-308; E. Lutjens, Pensioenvoorzieningen voor werknemers, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1989, p. 302 en p. 391.
R.A.C.M. Langemeijer, Pensioenovereenkomstenrecht, Den Haag: Bju 2008, p. 54-56; R.A.C.M. Langemeijer, ‘De Pensioenwet: nieuwe en klare wijn?’, SR 2005/66; R.A.C.M. Langemeijer, ‘De Pensioenwet en het bestuur over de pensioenregeling’, SR 2005/50. Vergelijkbaar: H. Thierry, Pensioen- en spaarfondsen in de private sector van het economische leven, Alphen aan den Rijn: Samson 1952, p. 128. E. Lutjens, ‘Vetorechten: hoe ver mag de invloed van de werkgever op het pensioenfonds gaan?’, Tijdschrift Financieel Management, september/oktober 2000, p. 51, was van mening dat als de werkgever deze controle wil behouden bij incorporatie van het pensioenreglement in de pensioenovereenkomst, het verbod op instemmingsrechten voor pensioenfondsbesluiten kan worden omzeild middels een instemmingsrecht in de arbeidsovereenkomst. Die opvatting lijkt echter strijdig met de bedoeling van artikel 110 Pw.
R.M. Beltzer en R. Biezeveld, De pensioenvoorziening als bindmiddel, Amsterdam: Uitgeverij Aksant 2004, p. 168.
SER-advies van 18 mei 2001, Nieuwe Pensioenwet, nummer 2001/06, p. 90, met verwijzing naar beleid van de Pensioen- en Verzekeringskamer (zoals verwoord in een brief aan de koepels van pensioenfondsen van 25 augustus 1998), en eigen standpunt op p. 94. Zo ook: L.H. Blom, ‘Bestuur, medezeggenschap, verantwoording en intern toezicht’, in: E. Lutjens (red.), Pensioenwet, Analyse en Commentaar, Deventer: Kluwer 2013, p. 837; E.M.F. Schols-van Oppen, Inleiding pensioenrecht, Deventer: Kluwer 2015, p. 188-189. E. Lutjens, De PSW: Wetshistorisch overzicht en commentaar, Deventer: Kluwer 1998, p. 93, wijst op de benodigde autonomie van het pensioenfonds ten opzichte van de werkgever in dit verband.
Th.L.J. Bod, ‘De autonomie van de pensioenregeling en van de uitvoering daarvan door het pensioenfonds’, in: CSO, Onverdeeld vermogen, inkomen en vermogen van ouderen en medezeggenschap bij pensioenfondsen, Utrecht: Uitgeverij SWP 1996, p. 49.
Handelingen II 9 februari 2000, p. 47-3466.
Kamerstukken II 2001/02, 28354, nr. 2 en nr. 4.
Kamerstukken II 2005/06, 30413, nr. 2, artikel 97.
Kamerstukken II 2005/06, 30413, nr. 24, p. 41; in het Convenant overeengekomen tussen de Stichting van de Arbeid en het CSO over verbetering van de medezeggenschap van gepensioneerden bij de uitvoering van pensioenregelingen, juni 1998, publicatienr. 2/98, bijlage 1, p. 2, keerden de STAR en CSO zich ook tegen een vetorecht voor de deelnemersraad gelet op de te sterke inbreuk op de bestuursvrijheid.
Een verbod op een werkgeversvetorecht speelde bijvoorbeeld bij Hof Amsterdam (OK) 7 april 2006, PJ 2009/3 (Deelnemersraad Pensioenfonds Gasunie/Pensioenfonds Gasunie); vergelijk ook Hof Amsterdam 15 april 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:1461 (Scaping c.s./Pensioenfonds ING c.s.).
Zo ook: B.C.M. Waaijer, ‘De statutaire inrichting van pensioenfondsen volgens de nieuwe Pensioenwet: Veel mag zolang het maar good pension fund governance is’, WPNR 2007/6704, p. 286-293. E. Lutjens, Asser/Lutjens 7-XI 2016, nr. 640, stelt ook dat de OR geen orgaan is en de wetsgeschiedenis duidt op een beperkte uitleg van het begrip.
Rb. Rotterdam 23 november 2004, PJ 2004/128 (OR/Pensioen- en Verzekeringskamer).
Hof Amsterdam (OK) 16 mei 2011, ARO 2011/93, PJ 2001/92, m.nt. L.H. Blom, Ondernemingsrecht 2011/119, m.nt. H. Koster (Deelnemersraad Pensioenfonds Fluor Nederland/Pensioenfonds Fluor Nederland).
E. Lutjens, ‘Wijziging van de pensioenregeling’, in: E. Lutjens (red.), Pensioenwet, Analyse en Commentaar, Deventer: Kluwer 2013, p. 446-447; E. Lutjens, Pensioenvoorzieningen voor werknemers, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1989, p. 302; zie ook annotator Blom bij de Fluor-zaak.
P.C.E. van Rijsbergen en B. van Tilburg, ‘(On)gelimiteerde goedkeuringsrechten bij pensioenfondsen niet werkbaar’, TPV 2014/43, menen dat de Pw geen belemmering kent voor introductie van organen en dus ook niet voor goedkeuringsrechten. Volgens hen zou artikel 105 Pw voor organen de enige beperking zijn. Zo ook C.J. Kraaiveld en R.H. Maatman, ‘Reactie op: (On)gelimiteerde goedkeuringsrechten bij pensioenfondsen niet werkbaar’, TPV 2014/52.
Hof Amsterdam (OK) 18 september 2014, PJ 2014/158 (Deelnemersraad Pensioenfonds Dupont Nederland/Pensioenfonds Dupont Nederland), waar het ging om afschaffing van de algemene ledenvergadering, ontwijkt het vraagstuk door de afschaffing te plaatsen binnen de stroomlijning van organen als gevolg van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen.
E. Schop, Wijziging van arbeidsvoorwaarden, in het bijzonder pensioen, Deventer: Kluwer 2007, p. 102. E. Lutjens en B. Wessels, Aanvullend pensioen, civiel- en sociaalverzekeringsrechtelijke hoofdzaken van aanvullende pensioenen in het bedrijfsleven, Deventer: Kluwer 1991, p. 38, noemen de deelnemersvergadering ook een orgaan van het pensioenfonds; C.Æ. Uniken Venema, ‘Pensioen- en spaarfondsen in de stichtingsvorm; de deelnemers en de uitkeringen van dergelijke stichtingen’, in: J.H. Christiaanse e.a. (red.), Tot vermaak van Slagter, feestbundel aangeboden aan prof. Mr. W.J. Slagter, ter gelegenheid van zijn 65e verjaardag, Kluwer: Deventer 1988, p. 348, heeft dezelfde mening als Lutjens en Wessels. Aarzelend H.V.R. Lepoutre, Sdu Commentaar Arbeidsrecht, artikel 7 Pensioenwet, aant. C8.2.2, Den Haag: Sdu Uitgevers 2017, p. 2584.
Aldus ook: L.H. Blom, ‘Evaluatie PFG en medezeggenschap van start’, P&P 2008/10, p. 27, onder verwijzing naar de bijlage bij Kamerstukken II 2004/05, 28294, nr. 22. Dat neemt niet weg dat bijvoorbeeld de Vereniging van Bedrijfstakpensioenfondsen in de Handleiding medezeggenschap gepensioneerden in bedrijfstakpensioenfondsen, juni 2003, p. 14, bedrijfstakpensioenfondsen opriep te ondersteunen bij de oprichting van verenigingen van gepensioneerden. Ik verwijs ook naar de hierna nog te behandelen Wet Koşer Kaya/Blok, waarin een verplichting stond voor pensioenfondsen om mee te werken aan oprichting en instandhouding van een vereniging van gepensioneerden.
R. ten Wolde, ‘Overwegingen bij implementatie van de Pensioenwet’, TPV 2007/35; E. Lutjens, ‘Wijziging van de pensioenregeling’, in: E. Lutjens (red.), Pensioenwet, Analyse en Commentaar, Deventer: Kluwer 2013, p. 447.
Zij het, als gezegd, met de kanttekening dat het verantwoordingsorgaan geen wettelijk adviesrecht heeft over de wijziging van het pensioenreglement, artikel 115a Pw.
Hoewel uit de wetsgeschiedenis van de meest recente aanpassing van artikel 27 WOR ten aanzien van pensioen blijkt dat het overdragen van de wijzigingsbevoegdheid door de ondernemer aan het pensioenfonds instemming behoeft,1 zijn de daaropvolgende besluiten van het pensioenfonds niet langer instemmingsplichtig, ook niet via het leerstuk van toerekening.2 De wet perkt de rol van de OR bij pensioenfondsen namelijk ook op een andere manier in. Via artikel 110 Pw is het op straffe van nietigheid onmogelijk besluiten of voorgenomen besluiten van een pensioenfonds te onderwerpen aan de goedkeuring van een partij die geen pensioenfondsorgaan is. De kwestie van goedkeuringsrechten, ook wel instemmings- of vetorechten genoemd, vindt zijn oorsprong in de paritaire samenstelling van pensioenfondsen, welke samenstelling de invloed van de werkgever beperkte en zijn overwicht voorkwam. De instemmingsrechten dienden om de werkgever toch een doorslaggevende zeggenschap te geven.3 In de praktijk werden instemmingsrechten daarnaast echter ook wel gegeven aan de sociale partners, de OR, de deelnemersraad, de deelnemers of de zogeheten vergadering van deelnemers.4 De instemmingsrechten waren van oudsher ook bedoeld om enige controle te behouden ingeval door de werkgever het pensioenreglement was geïncorporeerd in de pensioenovereenkomst en het pensioenfondsbestuur op die manier de wijzigingsbevoegdheid was toegekend (de pensioenfondsroute): een noodrem voor de werkgever en/of ondersteuning van de relatief zwakkere positie van de werknemersbestuursleden.5
De kritiek op dit soort rechten kwam erop neer dat het in strijd is met de paritaire samenstelling indien door vetorechten alsnog eenzijdig de macht naar één partij wordt getrokken.6 Daarnaast is er door de toenmalige toezichthouder en de SER gewezen op het feit dat een pensioenfondsbestuur zijn verantwoordelijkheid onbelemmerd moet kunnen waarmaken.7 Tot slot verhoudt het zich lastig met het wettelijk uitgangspunt van het huidige artikel 105 lid 2 Pw dat de personen die het beleid van een pensioenfonds bepalen of mede bepalen zich bij de vervulling van hun taak richten naar de belangen van de bij het pensioenfonds betrokken deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden, de pensioengerechtigden en de werkgever(s) en ervoor zorgen dat dezen zich door hen op evenwichtige wijze vertegenwoordigd kunnen voelen.8
De wetgever pakte de kwestie op met de motie Schimmel/Blok9 uit 2000, welke motie beoogde instemmingsrechten in het algemeen (dus niet alleen die van de werkgever) te verbieden, met als overweging dat anders van gelijkwaardige zeggenschap van alle in het fonds deelnemende partijen nauwelijks sprake kan zijn. Uit de handelingen bleek echter dat met name de vetorechten van de werkgever het pijnpunt waren.10 De staatssecretaris had kort daarvoor aangegeven bekend te zijn met de problematiek van vetorechten, maar gelet op het beleid van de toezichthouder nog geen aanleiding te zien voor wettelijke maatregelen.11 De facto verbood de toezichthouder vetorechten al.
In 2002 volgde een initiatiefwet van Giskes en Van Geen waarin een expliciet wettelijk verbod stond opgenomen op vetorechten.12 Deze initiatiefwet strandde later in de Tweede Kamer om andere redenen, die elders in dit hoofdstuk aan de orde komen.13 De hoofdlijnen voor een nieuwe Pw verschenen in hetzelfde jaar en daarin werd ook aangekondigd vetorechten aan banden te leggen.14 Het uiteindelijke wetsvoorstel voor die Pw stelde aanvankelijk dat iedere bepaling die een instemmingsrecht inhoudt inzake een besluit of een voorgenomen besluit van het pensioenfonds nietig is.15 In de loop van de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel verzette de regering zich aanvankelijk tegen de wens van enkele Kamerfracties om de mogelijkheid te behouden met name aan een deelnemersraad een instemmingsrecht toe te kunnen kennen.16 Met de vierde nota van wijziging maakte de wetgever het toch nog mogelijk dat een pensioenfonds instemmingsrechten kon geven aan een eigen orgaan.17 Met de inwerkingtreding van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen per 1 juli 2014 is in het wetsartikel ‘instemming’ overigens vervangen door ‘goedkeuring’, zonder dat verder een inhoudelijke wijziging is beoogd.18
Noch uit het wetsartikel, noch uit de wetsgeschiedenis blijkt duidelijk wat moet worden verstaan onder een ‘orgaan’ van het pensioenfonds. De vierde nota van wijziging van de Pw noemde slechts als voorbeeld van een niet-orgaan de werkgever19 en ook is wel duidelijk dat de OR20 niet als orgaan kan worden gezien. Al in 2004 sanctioneerde de rechtbank Rotterdam een aanwijzing van de toenmalige toezichthouder aan een pensioenfonds om het instemmingsrecht van een OR te verwijderen.21 Daarnaast oordeelde de OK in de Fluor-zaak in 2011 dat ook de deelnemers niet als orgaan kunnen worden gezien.22 In de literatuur23 is gesuggereerd dat onder een orgaan van het pensioenfonds moet worden verstaan een instelling met statutaire bevoegdheden ten aanzien van de besluiten van het pensioenfondsbestuur. Het probleem met die definitie is echter, ook erkend in dezelfde literatuur, dat niet-organen wél statutaire bevoegdheden kunnen krijgen. Daardoor blijft discussie mogelijk.24 Het enige dat duidelijk is, is dat de huidige Pw alleen uitdrukkelijk als orgaan kent het bestuur en het belanghebbendenorgaan/verantwoordingsorgaan.25 Merkwaardig is dat de toezichthouder in de Fluor-zaak blijkt te hebben aangegeven dat een instemmingsrecht van de deelnemers niet kon onder (het toenmalige) artikel 108 Pw, maar een instemmingsrecht van een deelnemersvergadering wel.26 Sommige auteurs nemen ook dat standpunt in.27 Het probleem is echter dat die vergadering niet een door de wet erkend orgaan is van het pensioenfonds.
Kun je bij de deelnemersvergadering nog enige vraagtekens zetten bij de toelaatbaarheid, ten aanzien van de vereniging van gepensioneerden lijkt mij dat artikel 110 Pw geen mogelijkheid biedt om deze een instemmingsrecht toe te kennen. Een pensioenfonds zal vaak zelf overgaan tot het instellen/houden van een deelnemersvergadering, maar niet tot het oprichten van een vereniging van gepensioneerden. Sterker nog, dat zou zelfs in strijd kunnen zijn met het verbod op nevenactiviteiten van artikel 116 Pw.28 Op basis van de Fluor-zaak zullen ook de gepensioneerden zelf niet als orgaan worden gezien. Wel lijkt het mogelijk desondanks hoor- of overlegrechten toe te kennen, maar dat zal materieel van beperkte waarde zijn.29
Aan de andere kant verstevigt het verbod op instemmingsrechten de positie van de ex-werknemer in het geval dat de wijzigingsbevoegdheid van de pensioenovereenkomst is gedelegeerd aan het pensioenfondsbestuur door middel van incorporatie van het pensioenreglement. Vertegenwoordigers van ex-werknemers in pensioenfondsbestuur en/of belanghebbendenorgaan of verantwoordingsorgaan hebben dan immers vergaande invloed op de wijziging van de pensioenregeling, zonder een vetorecht van bijvoorbeeld werkgever of OR.30