Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/21.2.2
21.2.2 De ongelukkige koppeling tussen "gebruik van voorwetenschap" en "publicatie van koersgevoelige informatie"
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS582686:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hoff (2008a), p. 81. Overigens is door Doorenbos (2003), p. 286-288, verdedigd dat ook in de Noteringsrichtlijn (waarin, kort gezegd, de verplichting tot publicatie van 'koersgevoelige informatie' was opgenomen) een gelijksoortig begrip 'koersgevoelige' informatie was opgenomen als in de Richtlijn 89/592/EEG (de richtlijn die zag op coordinatie van de voorschriften inzake transacties van ingewijden en die de Europese aanzet vormde tot het opleggen van een verbod op gebruik van voorwetenschap). Voor de toenmalige Nederlandse situatie leidde dat tot zijn conclusie (p. 288) dat 'het begrip koersgevoelige informatie van art. 46 lid 2 Wte 1995 geen ander begrip is dan dat van art. 28 onder h van het Fondsenreglement.'
Vgl. Hoff (2008a), p. 81. Ook Van der Korst (2007), p. 198-199 vindt dit ongelukkig. In een wat verder verleden betoonde ook Vletter-van Dort (2001), p. 158-161, zich geen voorstander van een samenloop van begrippen.
Zo stelt ESME in een uit 2007 stammend advies als mogelijke oplossing voor om een onderscheid te maken 'between inside information as it determines the need for disclosure and inside information as it applies to the obligation to refrain from abusive trading or encouraging abusive trading in relevant financial instruments; in effect, to return to a position similar to that existing prior to MAD.' (ESME Report, Market abuse EU legal framework and its implementation by Member States: a first evaluation, Brussels 6th July 2007, p. 7; te vinden op http://ec.europa.eu/internal_market/securities/docs/esme/mad070706_en.pdf.)
Nieuwe Weme/Steven (2008), p. 189, merken op dat deze gelijkschakeling richtlijnconform is — dat ben ik met hen eens — en ook past in het licht van de preventieve werking van de publicatieplicht. Omdat dat doel naar mijn mening niet moet verabsoluteerd, deel ik die opvatting niet. Doorenbos (2003), p. 288 is eveneens voorstander te zijn van de koppeling. De reden voor zijn voorkeur is, als ik het goed zie, dat hierdoor in het verbod op gebruik van voorwetenschap het element van (aanzienlijke of significante) invloed op de koers wordt geïncorpororeerd. Ook Italianer/Tillema (2002), p. 174-175, zijn om die reden voorstander van gelijkschakeling.
Vgl. p. 9 van het consultatiedocument van het Directoraat Interne Markt van de Europese Commissie van 20 april 2009 '[alt this stage, no changes in the definition of inside information for disclosure purposes would seem justified' (Review of Directive 2003/6/EC on insider dealing and market manipulation, te vinden op: http://ec.europa.eu/internal_market/consultations/2009/market_abuse_en.htm.)
Uitvoerig hierover Kristen (2004), p. 774 e.v.
Kristen (2004) p. 804-805. Hij beschrijft dit als het 'door bepaalde personen, namelijk degenen die vanwege hun hoedanigheid beschikken over voorwetenschap, een activum' aanwenden van die informatie voor een functioneel bepaald doel. 'Zij verbruiken daarmee de voorwetenschap te eigen bate'(...). Zij kunnen aldus voordelen behalen die niet bereikbaar zijn voor andere beleggers. (...) Secundaire ingewijden kunnen (...) profiteren van de vertrouwensschending door primaire ingewijden'.
In die zin M. Raaijmakers in onderdeel 4 van zijn annotatie onder Adviescommissie Fondsenreglement 20 januari 2003 (inzake Petroplus International N.V.), JOR 2003/119. Evenzo: Van der Korst (2007), p. 202-203 en Grundmann-van de Krol (2008a), p. 307-308, met verdere verwijzingen.
Vgl. Hoff (2007b), p. 173, spreekt over 'informatie die redelijk handelende beleggers relevant zullen vinden voor het nemen van beleggingsbeslissingen', met steekhoudende verwijzingen naar de doeleinden van de Amerikaanse 'Regulation Fair Disclosure' (op p. 167-173). In gelijke zin: Van der Korst (2007), p. 1999.
Uiteraard zal informatie die voor de 'maatman-investeerder' relevant is voor het nemen van investeringsbeslissingen doorgaans eveneens informatie zijn die invloed heeft op de beurskoers. Het publicatiemoment kan in de door mij voorgestelde benadering echter later in de tijd liggen. Voorkomen wordt hierdoor dat publicatie van 'onrijpe' informatie — die eveneens invloed kan hebben op de beurskoers, maar waarop investeerders (nog) geen investeringsbeslissing kunnen baseren omdat (nog) niet vaststaat in welke richting of tot welke uitkomst die informatie wijst of leidt — moet plaatsvinden. Deze benadering heeft daarnaast een aantal (bijkomende) voordelen. Ten eerste dat dichter wordt aangesloten bij het in hoofdstuk 19 besproken perspectief van de 'maatman-investeerder' en dat discussies over externe invloeden op de beurskoers geen rol spelen. Een ander voordeel is dat de uitvoerig in de literatuur besproken verschillen over 'aanzienlijke', danwel 'significante' invloed op de beurskoers (hierover o.a. Kristen (2004), p. 344 e.v. en Grundmann-van de Krol (2008a), p. 341-342, met verdere verwijzingen) in de publicatieverplichting van 'koersgevoelige informatie' geen rol meer spelen. Ongelukkig is naar mijn mening de passage in art. 1, lid, 2, van de Europese Uitvoeringsrichtlijn definities en openbaarmaking. Daarin wordt opgemerkt dat onder 'informatie die, indien zij openbaar zou worden gemaakt, een aanzienlijke invloed zou kunnen hebben op de koers van financiële instrumenten of van daarvan afgeleide financiële instrumenten' moet worden verstaan 'informatie waarvan een redelijk handelende belegger waarschijnlijk gebruik zal maken om er zijn beleggingsbeslissingen ten dele op te baseren (cursv. J.B.S.H.).' Terecht is door Doorenbos opgemerkt dat deze terminologie, door mij gecursiveerd, zwak is. Vgl. Doorenbos (2008b), p. 873. Zoals ik hierboven heb beschreven is het leggen van deze verbinding bovendien onjuist. Niet alle koersgevoelige informatie is (geschikt als) relevante informatie voor investeringsbeslissingen.
In die zin Hoff (2007a), p. 384-385.
Als bedoeld in de omschrijving van 'voorwetenschap' in art. 5:53, lid 1, Wft.
Art. 1, lid 1, Europese Uitvoeringsrichtlijn definities en openbaarmaking. Hoff (2007a), p. 371, merkt nog op dat het bestanddeel 'informatie die concreet is' een begrenzing vormt: '[m]et dit vereiste zullen geruchten en voorkennis over algemene ontwikkelingen veelal buiten het bereik van voorwetenschap gebracht zijn.' Wat betreft 'geruchten' heb ik daarover zo mijn twijfels, zeker na de uitspraak van de Voorzieningenrechter Rechtbank Rotterdam 8 juli 2009 (JOR 2009/234, m.nt. G.T.J. Hoff). Deze uitspraak acht ik overigens onjuist. Zie over de verhouding tussen de publicatieplicht van 'koersgevoelige informatie' in relatie tot geruchten ook: Nieuwe Weme/Stevens (2008), p. 239-242. Doorenbos (2008c), p. 563, merkt op dat indien informatie 'out of control' is, waarvoor het bestaan van geruchten een aanwijzing kan vormen, publicatie van informatie niet langer kan worden uitgesteld.
Andersom kan zich overigens ook de situatie voordoen dat wel wenselijk is dat informatie als 'koersgevoelige informatie' — moet worden gepubliceerd, maar — omdat het 'eigen wetenschap' betreft — op basis van die informatie nog wel transacties moeten kunnen worden verricht. Dit kan zich voordoen bij een openbaar bod. Over deze situatie, die ik verder onbesproken laat maar eveneens een illustratie vormt van de ongelukkige koppeling, Doorenbos (2008b), p. 880-882, met o.a. een verwijzing naar HvJ EG 10 mei 2007, JOR 2007/156, m.nt. G.T.J. Hoff.
Dit was reeds voorspeld door Doorenbos (2005), p. 78.
De oorzaak voor de (te) sterke nadruk die in het verleden door sommigen, waaronder de Nederlandse wetgever, werd gelegd op de doelstelling van publicatieplicht van "koersgevoelige informatie" als preventie voor gebruik van voorwetenschap, ligt in de Richtlijn Marktmisbruik. De Europese regelgever heeft daarin de, in de woorden van Hoff, "fundamentele keuze [gemaakt] om één en het zelfde begrip 'koersgevoelige informatie' ten grondslag te leggen zowel aan het transactieverbod als aan de openbaarmakingsplicht".1
Met Hoff meen ik dat het de vraag is of deze keuze wel een gelukkige is.2 Ook door marktpartijen, via ESME, is deze samenloop bekritiseerd.3 Het merendeel van de auteurs in de (Nederlandse) literatuur lijkt deze koppeling daarentegen wel wenselijk te achten4 en ook (het Directoraat Interne Markt van) de Europese Commissie lijkt geen reden te zien om de Richtlijn Marktmisbruik op dit punt aan te passen.5 Naar mijn mening zijn die redenen er echter wel. Het bijdragen aan een adequate werking van de effectenmarkt, onder andere door versterking van het vertrouwen van investeerders dát voor hen relevante informatie tijdig wordt gepubliceerd, in mijns inziens een wezenlijk ander doel dan het tegengaan van het — terecht — als afkeurenswaardig beschouwde gebruik maken van een informatievoorsprong door ingewijden bij de beursvennootschap in het verrichten van transacties op de effectenmarkten.6 Hoewel ook dit tweede doel in de literatuur het tegengaan van een vorm van "vertrouwensschending" is genoemd7, betekent dat niet noodzakelijkerwijs dat om deze doelen te bereiken één en hetzelfde "voorwetenschaps-begrip" vereist is. Sterker; de te onderscheiden doelen kunnen zelfs effectiever worden bereikt indien de inhoud van het begrip "informatie" in de omschrijving van te publiceren "koersgevoelige informatie" qua omvang beperkter is dan de "informatie" waarvan het een insider niet is toegestaan gebruik te maken bij het verrichten of bewerkstelligen van transacties.
In het eerste geval gaat het er immers om dat de informatie die voor de markt als geheel in het prijsvorrningsproces relevant kan zijn, tijdig wordt gepubliceerd. Een rol speelt daarbij dat die informatie zodanig concreet is, dat zij deze rol kan vervullen: "[d]e markt wordt immers niet gediend met 'onrijp' nieuws dat spoedig correctie behoeft."8 Op goede gronden is om die reden in de literatuur bepleit dat het zou moeten gaan om informatie die voor de "maatmaninvesteerder"9 van belang is om investeringsbeslissing op te baseren. Gezien het doel van de publicatieverplichting van "koersgevoelige informatie" zou dit derhalve het vereiste moeten zijn voor het ontstaan van de publicatieverplichting en niet zozeer de vraag of openbaarmaking van de informatie — een bepaalde mate van — "invloed zou kunnen hebben op de koers."10 Een bijkomend gevolg dat aan deze benadering is verbonden is dat de verplichting om "koersgevoelige informatie" te publiceren in de professionele markt minder snel toepassing zal vinden, aangezien op dergelijke markten (doorgaans) geen sprake zal zijn van maatman-investeerders. Ik acht dat gevolg positief.
Het huidige gebruik van één en hetzelfde begrip "voorwetenschap" staat hieraan in de weg. Er is weliswaar getracht enige "beperking" van de koppeling van beide begrippen te laten plaatsvinden. Zo bepaalt art. 5:25i, lid 2, Wft dat, toegespitst op de publicatieplicht, de informatie als bedoeld in de definitie van voorwetenschap rechtstreeks op de beursvennootschap betrekking dient te hebben. En ook de mogelijkheid voor beursvennootschappen om onder voorwaarden publicatie uit te kunnen stellen, leidt tot een beperking van de gevolgen van deze koppeling.11 Volledig geslaagd is dit echter niet. Een reden daarvoor is dat zeer snel sprake is van informatie die "concreet" is.12 In de Europese Uitvoeringsrichtlijn definities en openbaarmaking bepaalt hieromtrent namelijk dat "informatie geacht [wordt] concreet te zijn indien zij betrekking heeft op een situatie die bestaat of waarvan redelijkerwijze mag worden aangenomen dat zij zal ontstaan, dan wel op een gebeurtenis die heeft plaatsgevonden of waarvan redelijkerwijze mag worden aangenomen dat zij zal plaatsvinden, en indien de informatie specifiek genoeg is om er een conclusie uit te trekken omtrent de mogelijke invloed van bovenbedoelde situatie of gebeurtenis op de koers van financiële instrumenten of van daarvan afgeleide financiële instrumenten."13 Hiervoor is weliswaar veel te zeggen vanuit het perspectief van de tweede doelstelling — ook voor informatie over (redelijkerwijs) aan te nemen situaties of gebeurtenissen is het wenselijk dat door insiders niet op basis van die informatie kan worden gehandeld.14 Voor de publicatieplicht van "koersgevoelige informatie" is dit echter ongelukkig. Het gevolg is namelijk dat ook in situatie waarin nog geen sprake is van voor prijsvorming relevante informatie — omdat deze "onrijp" is in de zin dat kan worden betwijfeld of publicatie wel zinvol is met het oog op het prijsvormingsproces en de door de maatman-investeerder te nemen investeringsbeslissing — in beginsel toch een publicatieverplichting bestaat. De enige mogelijkheid om daaraan te ontkomen is gebruik te maken van de uitstel-regeling. Het gevolg daarvan is dat de discussie of al dan niet sprake is van informatie die als "koersgevoelig" moet worden geduid en die onverwijld moet worden gepubliceerd, zich verplaatst naar de vraag onder welke omstandigheden nog uitstel mogelijk is van publicatie van die informatie.15