Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/6.6.0
6.6.0 Introductie
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS431773:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Of wel bevoegd is op grond van art. 8-14 Vo-BIlbis, maar als laatst aangezochte rechter toch niet toekomt aan een inhoudelijke behandeling van de zaak (art. 19 Vo-BIlbis).
COM(2002) 222 def., p. 11.
COM(2002) 222 def., p. 9 en p. 11.
Ook zijn er gelijkenissen met de forum non conveniens-regeling in Section 207 van de Amerikaanse Uniform Child-Custody Jurisdiction and Enforcement Act (1997).
Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen, 's-Gravenhage 13 januari 2000, Trb. 2000, 10. Zie Work. Doc. No 91 voor een modelformulier die door gerechten kan worden gebruikt voor een verwijzingsverzoek. Het modelformulier is niet geïncorporeerd in het verdrag, maar het Bureau Permanent van de Haagse Conferentie zal het gebruik ervan bij de verdragsstaten aanbevelen. Zie Toelichtend Rapport van P. Lagarde bij het HMbV 2000, nr. 66, noot 44.
Het forum non conveniens is door M. Sumampouw eVoorstel Verordening ouderlijke verantwoordelijkheid: een voorbeeld hoe het niet moet', in: H.F.G. Lemaire & P. Vlas (red.), Met recht verkregen (Joppe-bundel), Deventer: Kluwer 2002, p. 217) getypeerd als 'flexibiliteitsmechanisme'.
Zie voor Hof 's-Gravenhage 22 februari 2006, NIPR 2006, 103, i.h.b. par. 6.6.12.
In het algemeen geldt dat de rechter van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft zich in de meest geschikte positie bevindt om in het belang van het kind maatregelen inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid te treffen. Dit komt tot uitdrukking in de hoofdregel van art. 8 lid 1 Vo-BlIbis. Er kunnen zich echter gevallen voordoen waarin niet de gerechten van de gewone verblijfplaats, maar een ander gerecht in een geschiktere positie verkeert om de zaak te behandelen. Een aantal van deze gevallen wordt uitdrukkelijk omschreven in art. 9, 10 en 12. In de aldaar genoemde specifieke gevallen komt rechtsmacht toe aan een ander forum dan die waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft. Het belang van het kind rechtvaardigt dan een uitzondering op de hoofdregel van art. 8 lid 1.
Naast deze specifiek omschreven gevallen biedt art. 15 Vo-BIIbis in algemene zin de mogelijkheid om het forum conveniens bevoegdheid te verlenen. In art. 15 is een op art. 8 en 9 HKbV 1996 geïnspireerde, geheel eigensoortige forum non conveniens-regeling neergelegd volgens welke het gerecht van een lidstaat dat bevoegd is ten gronde over de ouderlijke verantwoordelijkheid te beslissen, de zaak of een specifiek onderdeel daarvan kan verwijzen naar een gerecht van een andere lidstaat waarmee het kind een bijzondere band heeft, dat beter in staat is de zaak te behandelen. Het bevoegde gerecht ziet dan af van verdere behandeling van de zaak ten gunste van het gerecht in een andere lidstaat of, anders gezegd, de bevoegdheid wordt dan als het ware overgedragen aan het forum conveniens. Art. 15 Vo-BIIbis maakt een algemene uitzondering op de bevoegdheidsregeling. Het artikel bevat een indirecte bevoegdheidsgrond; het gerecht dat geen rechtsmacht kan ontlenen aan art. 8-14,1 kan via art. 15 toch bevoegd worden gemaakt. Art. 15 Vo-BIIbis beperkt zich tot uitzonderlijke gevallen, waarbij het belang van het kind steeds centraal staat.2Art. 15 Vo-BIIbis luidt als volgt:
`Artikel 15. Verwijzing naar een gerecht dat beter in staat is de zaak te behandelen
1. De gerechten van een lidstaat die bevoegd zijn om ten gronde over een zaak te beslissen, kunnen bij wijze van uitzondering, indien naar hun inzicht een gerecht van een andere lidstaat waarmee het kind een bijzondere band heeft beter in staat is de zaak of een specifiek onderdeel daarvan te behandelen, in het belang van het kind:
a) de behandeling van de zaak of het betrokken onderdeel daarvan aanhouden en de partijen uitnodigen om overeenkomstig lid 4 een daartoe strekkend verzoek te richten aan het gerecht van die andere lidstaat; of
b) het gerecht van een andere lidstaat verzoeken zijn bevoegdheid overeenkomstig lid 5 uit te oefenen.
2. Lid 1 is van toepassing:
a) op verzoek van een van de partijen, of b) op initiatief van het gerecht, of
c) op verzoek van het gerecht van een andere lidstaat waarmee het kind een bijzondere band heeft, overeenkomstig lid 3.
Verwijzing op initiatief van het gerecht of op verzoek van het gerecht van een andere lidstaat kan echter slechts plaatsvinden indien zulks door ten minste een van de partijen wordt aanvaard.
3. Het kind wordt geacht in de zin van lid 1 een bijzondere band met een lidstaat te hebben indien:
a) het kind na de aanhangigmaking van een zaak bij het in lid 1 bedoelde gerecht zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft verkregen; of
b) het kind voordien zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat had; of
c) het kind onderdaan van die lidstaat is; of
d) een van de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, zijn gewone verblijfplaats in die lidstaat heeft; of
e) het geschil betrekking heeft op maatregelen ter bescherming van het kind die verband houden met het beheer, de instandhouding van of de beschikking over bestanddelen van het vermogen van het kind die zich op het grondgebied van die lidstaat bevinden.
4. Het gerecht van de lidstaat dat bevoegd is om ten gronde over de zaak te beslissen stelt een termijn vast waarbinnen de zaak overeenkomstig lid 1 bij de gerechten van de andere lidstaat aanhangig moet worden gemaakt.
Wordt de zaak niet binnen deze termijn aanhangig gemaakt, dan blijft het gerecht waarbij de zaak aanvankelijk aanhangig is gemaakt de bevoegdheid overeenkomstig de artikelen 8 tot en met 14 uitoefenen.
5. De gerechten van de andere lidstaat kunnen, wanneer dit, gelet op de specifieke omstandigheden van de zaak, in het belang van het kind is, binnen zes weken nadat de zaak op grond van lid 1, onder a) of b), bij hen aanhangig is gemaakt, de bevoegdheid aanvaarden. Het gerecht waarbij de zaak het eerst was aangebracht, ziet in dit geval af van het uitoefenen van zijn bevoegdheid. In het andere geval blijft het gerecht waarbij de zaak het eerst was aangebracht, zijn bevoegdheid overeenkomstig de artikelen 8 tot en met 14 uitoefenen.
6. Voor de toepassing van dit artikel zijn de gerechten gehouden hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de overeenkomstig artikel 53 aangewezen centrale autoriteiten, samen te werken.'
De opstellers van Vo-Brussel Ilbis hebben zich in het algemeen, en meer in het bijzonder bij art. 15, laten inspireren door het HKbV 1996.3 De artikelen 8 en 9 HKbV 1996 hebben model gestaan voor de verwijzingsprocedure in art. 15 Vo-Hl:Ibis. Op bepaalde punten zijn de beide regelingen aan elkaar gelijk (bijvoorbeeld: de verwijzing moet in het belang van het kind zijn, de wijze waarop een verzoek tot verwijzing in het buitenland wordt ingesteld, het voorkomen van een rechtsmachtvacuum, etc).4 Er bestaan echter ook belangrijke verschillen, die in de volgende paragrafen aan de orde zullen worden gesteld. Art. 8 en 9 HKbV 1996 hebben ook model gestaan bij het opstellen van de verwijzingsprocedure in art. 8 van het nog niet in werking getreden Haagse verdrag meerderjarigenbescherming 2000 (verder: HMbV 2000).5 Het HMbV 2000 bevat regels voor de bevoegdheid, toepasselijk recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen die betrekking hebben op de bescherming van meerderjarigen. Een persoon die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, is meerderjarig in de zin van het verdrag (art. 2 lid 1).
Art. 15 Vo-BI:Ibis wijkt op een aantal belangrijke punten af van de Nederlandse forum non conveniens-regeling in art. 4 lid 3 sub b Rv. Allereerst beperkt art. 4 lid 3 sub b Rv zich tot de nevenverzoeken gezag en omgang bij echtscheidingszaken, terwijl art. 15 Vo-BIIbis van toepassing is zowel in het kader van echtscheidingszaken als in zelfstandige zaken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid. Voorts is de forum non conveniens-regeling in de verordening veel uitgebreider en beschrijft zij gedetailleerd in welke gevallen en volgens welke procedure een forum non conveniensverwijzing mogelijk is. Bovendien bevat de Vo-Brussel Ilbis een sluitende forum non conveniens-regeling; er is een verwijzend en een ontvangend gerecht, welke beide hun medewerking moeten verlenen wil een verwijzing volgens art. 15 Vo-BIIbis tot stand kunnen worden gebracht. Dat is anders in art. 4 lid 3 sub b Rv, waarin het primair gaat om de afbakening van de rechtsmacht van de Nederlandse echtscheidingsrechter. De Nederlandse rechter verklaart zich onbevoegd indien hij zich, wegens de geringe verbondenheid van de zaak met de rechtssfeer van Nederland, niet in staat acht het belang van het kind naar behoren te beoordelen. De Nederlandse rechter verklaart zich forum non conveniens zonder dat de bevoegdheid eerst door een buitenlands gerecht is 'overgenomen'.
Het is verheugend dat de opstellers van art. 15 Vo-BI:Ibis zich ten doel hebben gesteld om te zorgen voor enige rek en flexibiliteit in het jurisdictierecht wat betreft de ouderlijke verantwoordelijkheid.6 Ondanks dit streven en de vele procedurele waarborgen waarmee de forum non conveniens-regeling is omkleed, kan worden betwijfeld of art. 15 een aanwinst is voor de internationale familierechtpraktijk. Zoals hierna zal blijken is het artikel niet altijd even goed doordacht en zal het voor de praktijk niet altijd even gemakkelijk zijn de bepaling toe te passen. Inmiddels heb ik in de rechtspraak twee beslissingen aangetroffen waarin met een beroep op art. 15 Vo-BIIbis om verwijzing van de zaak is verzocht. In Hof van Beroep te Gent 5 september 2005, RW 2005, p. 432-434(Baby Donna), ging het om een verzoek van de Belgische Jeugdrechter te Oudenaarde gericht aan de Rb. Utrecht. In Hof ' s-Gravenhage 22 februari 2006, NIPR 2006, 103, betrof het een verzoek van de vrouw aan het Hof 's-Gravenhage om de in Frankrijk aanhangige zaak in kort geding over te hevelen naar Nederland. Uiteindelijk werd in geen van beide gevallen een forum non conveniens-verwijzing gerealiseerd. Op verschillende plaatsen in dit hoofdstuk zal aandacht worden besteed aan deze beslissingen.7