Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid voor ongeschikte medische hulpzaken (R&P nr. CA19) 2018/2.2.3
2.2.3 Frankrijk
mr. J.T. Hiemstra, datum 01-07-2018
- Datum
01-07-2018
- Auteur
mr. J.T. Hiemstra
- JCDI
JCDI:ADS366243:1
- Vakgebied(en)
Gezondheidsrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Cass. Civ. (1) 23 mei 1973, 72-10.593 en Cass. Civ. (1) 8 april 1986, 84-11.443.
Cass. Civ. (1) 11 juni 1991, 89-12.748.
Cass. Civ. (1) 17 januari 1995, 93-13.075.
Cass. Civ. (1) 3 maart 1998, 96-12.078.
Idem.
Loi n. 98-389 van 19 mei 1998; Whittaker 2005, p. 450; Van Dam 2013, p. 67.
Van Dam 2013, p. 67; HvJ EU 25 april 2002, C-52/00 (Commissie/Frankrijk).
HvJ EU 25 april 2002, C-52/00 (Commissie/Frankrijk), r.o. 26-35.
HvJ EU 25 april 2002, C-52/00 (Commissie/Frankrijk), r.o. 36-41.
HvJ EU 25 april 2002, C-52/00 (Commissie/Frankrijk), r.o. 42-48.
HvJ EU 14 maart 2006, C-177/04 (Commissie/Frankrijk).
Tot 1991 was de aansprakelijkheid van de producent in Frankrijk een schuldaansprakelijkheid. Het enkel op de markt brengen van een defect product had derhalve geen aansprakelijkheid tot gevolg.1 Desalniettemin werden er hoge eisen aan de producent gesteld. In 1991 werd de aansprakelijkheid van de producent door het Cour de Cassation strenger geformuleerd.2 Het ging in deze zaak om een echtpaar dat was overleden ten gevolge van een koolmonoxidevergiftiging door een slecht ontwerp van een kachel en een storing in de ventilatie van een stacaravan. Het Cour de Cassation oordeelde dat op zowel de producent als de verkoper van de caravan een obligation de sécurité rustte. Deze obligation bestaat onafhankelijk van enige contractuele verbintenis en geldt niet alleen ten aanzien van de koper maar ten aanzien van elke derde die schade lijdt ten gevolge van een gebrek of fout in het product.
In een arrest uit 1995 kwam een soortgelijke constructie naar voren.3 Het ging in deze zaak om een kind dat schade had geleden door een plastic hoepel op school en ter verhaal een vordering had ingesteld jegens de school, de leverancier van de hoepel en de producent. In de procedure bij de feitenrechter werd aangenomen dat de schade het gevolg was van het ontwerp van de hoepel en werd geoordeeld dat de leverancier en de producent hiervoor hoofdelijk aansprakelijk waren met een verplichting van de producent om de leverancier schadeloos te stellen. Dit oordeel hield stand bij het Cour de Cassation, dat oordeelde dat op de leverancier een verplichting rust om producten te leveren die vrij zijn van gebreken die schade kunnen toebrengen aan personen of zaken en dat hij hiervoor zowel aansprakelijk is jegens de koper als een derde. Deze verbintenis vormde de basis voor een claim van het kind jegens de leverancier evenals voor de verplichting tot schadeloosstelling van de producent jegens de leverancier.
In 1998 ging het Cour de Cassation de lijn van de Richtlijn productaansprakelijkheid volgen.4 Het ging in de desbetreffende zaak om schade veroorzaakt door een medicijn. Dit medicijn zat verpakt in een onverteerbaar omhulsel, hetgeen de geleidelijke afgifte van werkzame stoffen tot doel had maar leidde tot de noodzaak van een operatieve ingreep ter verwijdering van het omhulsel. Het Cour de Cassation oordeelde dat de fabrikant gehouden is een product te leveren dat vrij is van gebreken die een gevaar voor personen of zaken creëren en dat, met andere woorden, de veiligheid biedt die redelijkerwijs verwacht mag worden:5 ‘le fabricant est tenu de livrer un produit exempt de tout défaut de nature à créer un danger pour les personnes ou les biens, c’est-à-dire un produit qui offre la sécurité à laquelle on peut légitimement s’attendre’.
De Richtlijn was op dat moment nog niet geïmplementeerd, hoewel reeds 10 jaren waren verstreken sinds de daarvoor vereiste datum. Twee maanden later, in mei 1998, vond implementatie plaats door middel van de wet relative à la responsabilité du fait des produits défecteueux en Frankrijk was daarmee de laatste lidstaat (voor uitbreiding) die de Richtlijn implementeerde.6 Een belangrijke reden voor deze vertraging was dat ten aanzien van producten met gebreken de aansprakelijkheid van de leverancier volgens de nationale regels voldoende – wellicht zelfs meer – bescherming bood, hetgeen ook na de implementatie voor een geschil zorgde tussen Frankrijk en de Europese Commissie.7 Dit geschil ontstond doordat Frankrijk bij de implementatie op enkele punten was afgeweken van de Richtlijn en verdergaande aansprakelijkheden had opgenomen. In de eerste plaats was in artikel 1386-2 (oud) CC, anders dan artikel 9 lid 1 sub b van de Richtlijn, geen franchise van 500 euro opgenomen. De Commissie meende dat dit gekwalificeerd kon worden als een onjuiste omzetting en het Hof van Justitie (HvJ) achtte deze stelling gegrond. Dit, onder meer, omdat de begrenzing door een franchise het resultaat is van een gecompliceerd afwegingsproces tussen verschillende belangen zoals de waarborg van een onvervalste mededinging, het vergemakkelijken van de handelsbetrekkingen binnen de gemeenschappelijke markt, de bescherming van de consument en de zorg voor een goede rechtsbedeling.8 In de tweede plaats had de Franse wetgever in artikel 1386-7 (oud) CC de aansprakelijkheid van de leverancier gelijkgesteld aan die van de producent. Dit week af van artikel 3 lid 3 van de Richtlijn waarin slechts een subsidiaire aansprakelijkheid van de leverancier is opgenomen voor het geval de producent onbekend is. Ook ten aanzien hiervan geeft het HvJ de Commissie gelijk in de stelling dat er sprake is van een onjuiste omzetting.9 In de derde plaats was bij de implementatie een uitzondering verbonden aan de in de Richtlijn in artikel 7 sub d en e opgenomen exoneratiegronden. In sub d van artikel 7 van de Richtlijn is opgenomen dat de producent niet aansprakelijk is indien het op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis op het tijdstip waarop hij het product in het verkeer bracht, onmogelijk was het bestaan van het gebrek te ontdekken. In sub e is opgenomen dat de producent niet aansprakelijk is indien het gebrek een gevolg is van het feit dat het product in overeenstemming is met dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke voorschriften. Deze exoneratiegronden waren geïmplementeerd in artikel 1386-11 sub 4 en 5 (oud) CC. Echter, anders dan de Richtlijn, had de Franse wetgever in het opvolgende artikel een uitzondering op deze exoneratiegronden opgenomen. Namelijk, dat op deze exoneratiegronden door de producent geen beroep kon worden gedaan indien het gebrek aan het licht is gekomen binnen een termijn van tien jaar nadat het product in het verkeer is gebracht en hij niet de nodige maatregelen heeft genomen om de schadelijke gevolgen daarvan te voorkomen. Ook ten aanzien hiervan is het HvJ het met de Commissie eens in haar stelling dat de controleverplichting die Frankrijk de producent hier oplegt een onjuiste omzetting van de Richtlijn inhoudt.10 Vier jaren na dit arrest van het HvJ had Frankrijk de regels ten aanzien van de aansprakelijkheid van de leverancier nog niet op correcte wijze aangepast. Volgens artikel 1386-7 CC was de leverancier nog steeds op dezelfde voet aansprakelijk als de producent indien deze laatste niet bekend was. Dit leidde tot een tweede procedure bij het HvJ waarin werd geoordeeld dat deze verandering van artikel 1386-7 CC niet volstond en Frankrijk werd veroordeeld tot een dwangsom.11 Na deze tweede veroordeling bracht de Franse wetgever de regels in de Code Civil overeenstemming met de Richtlijn. De regels die betrekking hebben op de productaansprakelijkheid zijn sinds oktober 2016 te vinden in de artikelen 1245 t/m 1245-17 CC.