Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid voor ongeschikte medische hulpzaken (R&P nr. CA19) 2018/2.2.2
2.2.2 Duitsland
mr. J.T. Hiemstra, datum 01-07-2018
- Datum
01-07-2018
- Auteur
mr. J.T. Hiemstra
- JCDI
JCDI:ADS363852:1
- Vakgebied(en)
Gezondheidsrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
RG 25 februari 1915, RGZ 87, 1.
Wagner 2010, p. 119.
Idem.
Wagner 2010, p. 123. Münchener Kommentar § 823 BGB 2017, nr. 777 noemt nog twee redenen voor de buitencontractuele grondslag: het gaat bij productaansprakelijkheid niet om de sanctionering van de niet-nakoming van een contractuele verplichting, maar om de bescherming van ‘der Integrität von Rechtsgütern’, ongeacht de relatie die de gelaedeerde tot de producent heeft. In de tweede plaats wordt door de keuze voor een buitencontractuele grondslag ‘dem Vertragsrecht eine Fülle von Fiktionen und Hypertrophien erspart’.
Wagner 2010, p. 125.
Wagner 2010, p. 127.
Wagner 2010, p. 134.
Reeds voor de introductie van de Richtlijn hanteerde de Duitse rechter een vrij strenge benadering van de aansprakelijkheid van de producent. In 1915 diende het Reichsgericht (RG) te oordelen over de aansprakelijkheid van de producent van badzout dat glasvezels bleek te bevatten.1 Het RG oordeelde dat de producent aansprakelijk was omdat het product gebrekkig was toen het in de distributieketen gebracht werd. Dit was destijds een bijzondere uitspraak omdat het uitgangspunt was dat, als aansprakelijkheid niet op een contractuele grondslag gebaseerd zou worden, het op artikel 831 BGB (de aansprakelijkheid voor hulppersonen) gebaseerd zou moeten worden.2 Dit artikel bevat een foutaansprakelijkheid met een omkering van de bewijslast. In het kader van dat artikel zou de gelaedeerde moeten aantonen door de fout van welke hulppersoon het badzout gebrekkig was geworden, waarna de producent het ontbreken van zijn schuld had kunnen bewijzen.3 Dit pad werd echter niet gevolgd en het RG oordeelde dat het voor de gelaedeerde voldoende was om te bewijzen dat het product gebrekkig was toen het in het verkeer werd gebracht.4 De producent werd nog wel in staat gesteld om het ontbreken van een fout te bewijzen door aan te tonen dat hij de hulppersoon die verantwoordelijk was voor het gebrek, of – indien hij geen specifieke persoon kon aanwijzen – al zijn personeel, zorgvuldig had geïnstrueerd en gecontroleerd, maar slaagde hier niet in.
Deze uitspraak was om een tweede reden bijzonder omdat niet een contractuele, maar buitencontractuele route werd gekozen. Aangezien in Duitsland aangenomen wordt dat een contract kan strekken ter bescherming van derden (Schutzwirkung), was een contractuele grondslag mogelijk ook een optie geweest.5
Dat de vordering een buitencontractuele grondslag had, werd na de tweede wereldoorlog bevestigd door het Bundesgerichtshof (hierna: BGH) in een uitspraak over de aansprakelijkheid voor gebrekkige vaccinaties voor kippen (ten gevolge waarvan deze overleden).6 Het aannemen van een contractuele grondslag zou in de weg staan aan een uniforme benadering van de aansprakelijkheid voor gebrekkige producten omdat gelaedeerde consumenten zich wel op die grondslag zouden kunnen beroepen, maar unbeteiligter Dritter niet (die zouden alsnog een buitencontractuele grondslag dienen aan te wenden).7 Bovendien kon destijds immateriële schade slechts gevorderd worden uit hoofde van een buitencontractuele vordering, hetgeen deze grondslag wenselijker maakte voor productaansprakelijkheid.8 De buitencontractuele grondslag die hier volgens het BGH aangewend diende te worden, was echter niet zoals eerder verondersteld 831 BGB, maar een schending van de Organisationspflicht op grond van § 823par. 1 BGB.9 De Organisationspflicht houdt in dat de ondernemer ervoor zorg dient te dragen dat de rechten van derden gewaarborgd zijn en zij geen letsel- of zaakschade lijden ten gevolge van de bedrijfsuitoefening.10 Ten behoeve van de aansprakelijkheid van de producent voor een schending van een Organisationspflicht dient de gelaedeerde te bewijzen dat de producent een gebrekkig product in het verkeer heeft gebracht. Daarna wordt de producent in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat dit niet het gevolg is van een schending van de op hem rustende (hiervoor omschreven) zorgplicht.11 Volgens Wagner was deze omkering van de bewijslast ten aanzien van de schending van een zorgplicht slechts een façade voor wat in werkelijkheid een risicoaansprakelijkheid was.12
Ook sinds de probleemloze implementatie van de Richtlijn in het Produkthaftungsgesetz in 1990 (als een bijna letterlijke vertaling van de Richtlijn), speelt de algemene grondslag van § 823par. 1 BGB nog altijd een belangrijke rol bij productaansprakelijkheid. Deze grondslag is cumulatief van toepassing en is met name relevant in de gevallen waarin de Richtlijn beperkingen opwerpt, zoals door het hanteren van een franchise.13