Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/II.4.2
II.4.2 Bindungswirkung
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178685:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Baltzer (1965, p. 17) spreekt van een ‘Personenmehrheit’, Bohn (1950, p. 1 en 3-4) van een ‘Personenverband’, waarmee zij doelen op een samenwerkingsverband tussen personen dat al dan niet rechtspersoonlijkheid heeft. Ik spreek hierna kortweg van de rechtspersoon, maar het betoog van Baltzer en Bohn beperkt zich daartoe niet.
Baltzer 1965, p. 21.
Soms vastgelegd in de wet, zoals in § 108 I AktG (‘Der Aufsichsrat entscheidet durch Beschluß’) en § 32 I BGB (‘Die Angelegenheiten des Vereins werden (…) durch Beschlussfassung in einer Versammlung der Mitglieder geordnet’), maar zoals in Nederland veelal ongeschreven.
Bohn 1950, p. 33 e.v. en Baltzer 1965, p. 24, 30-41 en 49 e.v.
Bohn 1950, p. 57-63 en Baltzer 1965, p. 92-95 en 176, die afwisselend van ‘Bindungswirkung’, ‘Maßgeblichkeit’, ‘Rechtswirksamheit’, ‘formelle Rechtswirkung’ en ‘rechtliche Bindung’ spreken maar daarmee hetzelfde bedoelen. Zo ook Krause 1937, p. 61, Schmidt 2002, p. 355, Lindemann 1996, p. 39 en Ernst 2012, p. 25-27.
Bohn 1950, p. 58-61, onder verwijzing naar Tuhr 1910, p. 568 en Tuhr 1914, p. 232, alsmede Baltzer 1965, p. 95. Anders: Vormbaum 1929, p. 11-12, Krause 1937, p. 41, alsook enkele nog oudere auteurs geciteerd in Bohn 1950, p. 64, die geen rechtskracht zien in afwijzende beslissingen, beslissingen die de interne orde (bijv. de vergaderorde) betreffen en in beslissingen van feitelijke aard.
Voorbeeld ontleend aan Bohn 1950, p. 60, nt. 6.
Bohn 1950, p. 57.
Bohn 1950, p. 61.
Bohn 1950, p. 65, onder verwijzing naar oudere literatuur.
Anders: Baltzer 1965, p. 174-175, die – als ik het goed lees – tegen deze zegswijze bezwaar heeft, omdat ze zou suggereren dat het bij besluitvorming gaat om de vorming van een wil jegens een derde.
Bohn 1950, p. 25.
Bohn 1950, p. 64-68 en Baltzer 1965, p. 110-111. Zo ook Winnefeld 1972, p. 1055, Zöllner 2000, p. 823, MüKoAktG/Arnold 2019, AktG § 133 Rn. 8 en Spindler/Stilz/Rieckers 2019, AktG § 133 Rn. 7.
Bohn 1950, p. 64-68 en Baltzer 1965, p. 114-115, 157 e.v. en 171. Dit is vaste jurisprudentie van het Bundesgerichtshof: BGH 13 februari 1980, NJW 1980, 1465, BGH 26 oktober 1983, NJW 1984, 489, BGH 21 maart 1988, NJW 1988, 1844. Het is ook in de literatuur de ganz hersschende Meinung: Winnefeld 1972, p. 1054, Renkl 1982, p. 107, Zöllner 2000, p. 823, Busche 2011, p. 52, Ernst 2012, p. 6-7, KK-AktG/Tröger 2017, § 133 AktG Rn. 29, Baumbach/Hueck/Zöllner/Noack 2017, GmbHG § 47 Rn. 3, MüKoAktG/Arnold 2019, AktG § 133 Rn. 7 en Spindler/Stilz/Rieckers 2019, AktG § 133 Rn. 6. Anders: Maier-Reimer 1985, p. 196-198.
Baltzer 1965, 85 en 157, Renkl 1982, p. 107, MüKoAktG/Arnold 2019, AktG § 133 Rn. 7 en Spindler/Stilz/Rieckers 2019, AktG § 133 Rn. 6.
Zo KK-AktG/Tröger 2017, AktG § 133 Rn. 33, in verband met § 119 II AktG (‘Über Fragen der Geschäftsführung kann die Hauptversammlung nur entscheiden, wenn der Vorstand es verlangt’).
Voorbeeld van Bohn 1950, p. 68.
Bohn 1950, p. 103-104. Zo ook Noack 1989, p. 51 en MüKoGmbHG/Drescher 2019, GmbHG § 47 Rn. 11.
Bohn 1950, p. 69-70. Zo ook Winnefeld 1972, p. 1055, KK-AktG/Tröger 2017, AktG § 133 Rn. 38, Hüffer/Koch/Koch 2018, § 133 AktG Rn. 3 (‘Bloße Innenwirkung schadet nicht’) en Spindler/Stilz/Rieckers 2019, AktG § 133 Rn. 3.
Bohn 1950, p. 65, nt. 1 en p. 68. Zie ook Renkl 1982, p. 108.
Bohn 1950, p. 57 en Baltzer 1965, p. 17 e.v. en 44. Zie ook Ernst 2012, p. 25- 27.
Zie hiervoor, maar i.h.b. Baltzer 1965, p. 177.
In het Duitse denken heeft elk besluit verbindende kracht. Aan het wezen van de rechtsfiguur besluit is inherent dat zij Bindungswirkung bezit, zo betogen Bohn en Baltzer in hun invloedrijke monografieën. Het besluit is een ‘juridisch- technisch middel’ om de wil van een samenwerkingsverband1 te bepalen. De rechtspersoon als zodanig kan niet willen; om zijn wil vast te stellen moet noodzakelijkerwijs worden teruggegrepen op de wil van de individuen die de rechtspersoon uitmaken.2 Besluitvorming is dan het rechtens voorgeschreven3 proces waarmee de wil van die verschillende individuen wordt vertaald in de wil van de rechtspersoon. De (vereiste) meerderheid van stemmen bepaalt de wil van een orgaan, die vervolgens aan de rechtspersoon wordt toegerekend.4 Het resultaat van dit proces vormt een besluit dat van de rechtspersoon uitgaat, een besluit dat noodzakelijkerwijs bindend is niet alleen voor de rechtspersoon zelf, maar ook voor de leden van het orgaan dat het besluit nam, de andere organen en de leden daarvan en zelfs voor eenieder die betrokken is in de rechtspersoon en wie door het besluit wordt geraakt. Het besluit bindt, totdat een ander besluit het vervangt.5 Tot zover weinig opzienbarends.
Elk besluit voegt, zo vervolgen Bohn en Baltzer, iets toe aan de rechtsverhoudingen die binnen de rechtspersoon bestaan tussen betrokkenen – lid, aandeelhouder, bestuurder, enzovoorts – en de rechtspersoon en tussen betrokkenen onderling. Elk besluit wijzigt dus de band tussen de rechtspersoon en de in hem betrokkenen, zelfs al volgt uit het besluit geen concrete, afdwingbare plicht om iets te doen of te laten.6 Besluit een turnvereniging dat haar leden aan de wekelijkse trainingen moeten deelnemen, dan komt doorgaans geen afdwingbare verbintenis tot stand maar is wel een norm geschapen.7 Het besluit regelt een bepaalde aangelegenheid, het geeft normatief aan wat rechtens zijn moet, wat er in de rechtspersoon gebeuren moet.8 Elke betrokkene moet acht slaan op het besluit. Anderzijds heeft elke betrokkene een aanspraak jegens de rechtspersoon inhoudende dat het besluit, voor zover dat nodig is, wordt uitgevoerd of door de rechtspersoon in acht wordt genomen.9 En hoewel een turnvereniging (in de regel) geen juridische dwang kan uitoefenen, is elk van haar leden gehouden wekelijks in de gymzaal te verschijnen. Aldus heeft elk besluit ‘formele rechtskracht’. De materiële verboden of geboden die het besluit vastlegt, staan hiervan los, oftewel ‘[s]chon die Manifestation des einheitlichen Gemeinwillens schafft Recht’.10
Het gaat dus in wezen om het proces van besluitvorming, dat uitmondt in de vastlegging van de wil van de rechtspersoon.11 ‘Der Beschluû ist rechtlich geordnete Willensbildung.’12 Die wil kan een verscheidene inhoud hebben, aldus nog steeds Bohn en Baltzer. Zij kan materieel positief zijn: het orgaan stemt in meerderheid vóór een voorstel om iets te doen, bijvoorbeeld om de statuten te wijzigen. De wil kan echter evengoed materieel negatief zijn, dat wil zeggen het orgaan aanvaardt het voorstel om iets niet te doen, bijvoorbeeld om geen nieuwe machine te kopen of om de bestuurder niet te dechargeren.13 Een besluit kan zelfs formeel negatief zijn, in de zin dat het orgaan het voorstel wegstemt.14 Stemt de algemene vergadering tégen vaststelling van de jaarrekening, dan vormt ook dat een besluit; een besluit dat bindend de wil tot uitdrukking brengt om de jaarrekening niet vast te stellen, om de status-quo in stand te houden. Het voorstel om dat te doen is ‘verbruikt’, dat wil zeggen het totstandbrengen van een andersluidend, positief besluit vereist het opnieuw doorlopen van het besluitprocédé.15 Soms heeft het wegstemmen meer betekenis. Als bijvoorbeeld het bestuur onverplicht een kwestie neerlegt bij de algemene vergadering, en die wijst het voorstel af, dan heeft dat negatieve besluit tot gevolg dat het bestuur niet langer zelfstandig over de voorgelegde kwestie kan beslissen.16
Telkens bepaalt het besluit de wil van de rechtspersoon. Telkens komt bindend vast te staan welke kant het met de rechtspersoon op moet. Dit geldt zelfs voor besluiten die materieel weinig of niets inhouden, zoals het besluit om een gewezen voorzitter te danken voor bewezen diensten.17 Het geldt ook voor besluiten die op een nadere rechtshandeling naar buiten voorbereiden,18 voor besluiten die louter de interne verhoudingen regelen19 of – als gezegd – voor besluiten om iets na te laten. In al die besluiten komt de wil van de rechtspersoon tot uitdrukking. Al die besluiten berusten erop dat een bepaald besluitvormingstraject is gevolgd waarvan het resultaat rechtens wordt toegerekend aan de rechtspersoon. De enige voorwaarden zijn dat het besluit is genomen door het daartoe bevoegde orgaan, dat het besluit betrekking heeft op zaken die de rechtspersoon aangaan en dat überhaupt een besluit voorligt.20
De Bindungswirkung van elk besluit volgt naar Duits recht noodzakelijkerwijs uit de functie van besluitvorming, die eruit bestaat de wil van de rechtspersoon vast te stellen. Zonder verbindende kracht zou besluitvorming geen zin hebben en zou een besluit geen betekenis toekomen.21 Uit de rechtskracht vloeien dikwijls concrete, afdwingbare rechten en plichten voort, maar als gezegd is dat voor een besluit niet noodzakelijk. Het besluit verandert per definitie de rechtsbetrekkingen binnen de rechtspersoon, doordat het besluit de wil van de rechtspersoon vastlegt. Die vastlegging werkt bindend, in die zin dat vanaf dan niet langer relevant is wat de betrokken individuen willen. Eenieder is gebonden aan de wil van de rechtspersoon zoals neergelegd in het besluit.22