Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/1.4
1.4 Doel en onderzoeksvragen
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192633:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Westerman & Wissink 2008 schrijven dat rechtswetenschappers “in de eerste plaats [beogen] een zodanige beschrijving en interpretatie te geven van nieuwe juridische of maatschappelijke ontwikkelingen dat deze kunnen worden ingepast in het systeem van het recht. Consistentie en coherentie van het systeem als zodanig staat daarbij voorop.” Vgl. over het streven naar ‘inpassing’ van nieuwe ontwikkelingen ook Smits 2017, §2; Vranken 2010, p. 319.
Zie voor definities en beschrijvingen van dit type onderzoek: Vranken 2010, p. 319; Asser/Vranken Algemeen deel **** 2014/8; Jansen 2015, p. 3-4; Jansen 2016, p. 157-158; Smits 2017.
Zie over de vloeiende en logische overgang van het descriptieve naar het normatieve karakter van juridisch-dogmatisch onderzoek: Smits 2017, §3.2.
Vranken pleit voor een wijze van argumenteren waarbij expliciet aandacht wordt besteed aan achterliggende argumenten en feiten: Vranken 2010, p. 321; Asser/Vranken Algemeen Deel *** 2005, hoofdstuk III.
Deze praktijkgerichtheid is een belangrijk kenmerk van juridisch-dogmatisch onderzoek, zie Asser/Vranken Algemeen deel **** 2014/8; Jansen 2015, p. 3-4; Jansen 2016, p. 157-158.
6. Dit onderzoek beoogt in de eerste plaats de WHOA kritisch te beschouwen, mede tegen de achtergrond van de mogelijkheden die het Amerikaanse en Engelse recht bieden om de problematische schuldenlast van ondernemingen te saneren. Ook de Europese Herstructureringsrichtlijn wordt in de analyse van de Nederlandse pre-insolventieakkoordprocedure betrokken. De wettelijke regeling bevat verschillende materiële en processuele waarborgen om de gerechtvaardigde belangen van betrokkenen in concrete gevallen te beschermen. Onderzocht wordt of de Nederlandse wetgever een evenwichtige regeling heeft ontworpen waarin voldoende aandacht is besteed aan de diverse uiteenlopende en mogelijk onderling tegenstrijdige belangen die op het spel kunnen staan bij een pre-insolventieakkoord.
Om te kunnen beoordelen of de WHOA een uitgebalanceerde regeling bevat is het noodzakelijk eerst een aantal uitgangspunten te formuleren. Omdat het wetgevingstraject en ook het academische debat over het pre-insolventieakkoord gedurende de gehele duur van het onderzoek gaande was, kan bij een analyse van de pre-insolventieakkoordregeling niet worden teruggegrepen op door de wetgever geformuleerde uitgangspunten voor een wettelijke regeling. Er zijn geen volledig uitgekristalliseerde onderliggende waarden, veronderstellingen en beginselen voorhanden. De door mij geformuleerde uitgangspunten voor een pre-insolventieakkoord bieden op de eerste plaats houvast bij een kritische beschouwing van de wettelijke regeling. Steeds zal worden bezien in hoeverre de wettelijke regeling in lijn is met de geformuleerde uitgangspunten. In §1.5.1 komt aan bod hoe ik tot deze uitgangspunten ben gekomen.
Daarnaast hoop ik met dit onderzoek bij te dragen aan de inpassing van het nieuwe instrument in het Nederlandse (insolventie)recht.1 Het onderzoek is – alhoewel het betrekking heeft op toekomstig recht – juridisch-dogmatisch van aard.2 In het tweede deel van dit onderzoek breng ik namelijk de toekomstige regeling in kaart en poog ik samenhang aan te brengen tussen de nieuwe bepalingen en reeds bestaande regels, leerstukken en beginselen. Door tevens aandacht te besteden aan de manier waarop in de bestudeerde buitenlandse rechtsstelsels wordt omgegaan met bepaalde kwesties, probeer ik de in de Nederlandse regeling opgenomen oplossingen nader te duiden. Daar waar de pre-insolventieakkoordregeling leemtes bevat doe ik suggesties voor verbetering, geïnspireerd op buitenlandse oplossingen en reeds bestaande regels, beginselen en dogma’s van het Nederlandse recht.3 Ik besteed daarbij ook aandacht aan eventuele achterliggende rechtspolitieke overwegingen, waarden en belangen.4 Aldus streef ik naar de bevordering van de coherentie en de consistentie van het wettelijk systeem, waardoor het pre-insolventieakkoord kan worden ingepast in het Nederlandse (insolventie)recht. Met deze systematische analyse beoog ik de rechtspraktijk ondersteuning te bieden.5
De onderzoeksvragen luiden als volgt:
Welke plaats neemt het pre-insolventieakkoord in binnen het scala van instrumenten om een reorganisatie te bewerkstelligen?
Aan welke uitgangspunten moet een wettelijke regeling voor het pre-insolventieakkoord voldoen?
In hoeverre is de Wet Homologatie Onderhands Akkoord in overeenstemming met deze uitgangspunten en hoe kan de wettelijke regeling worden ingepast in het Nederlandse (insolventie)recht?