Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.2.5
II.5.2.5 Tussenconclusie
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS625084:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook paragraaf 5.2.2.5 ‘Tussenconclusie en de hypothese met betrekking tot art. 4:115 BW’.
Zie paragraaf 5.2.3 ‘Hypothese en delegatie ten aanzien van de erfgenamen’.
Van Mourik 2009, p. 481.
Dit was vroeger anders. Asser/Perrick 2013 (4), nr. 560 merkt op dat de Hoge Raad in de 19e eeuw in een tweetal arresten (het betrof HR 19 april 1861, W 2268 en HR 4 maart 1881, W 462) had beslist dat de legataris door de enkele kracht van het testament eigenaar van het gelegateerde goed wordt.
HR 11 mei 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4808, NJ 1985/374 ( Verhoeven-Peters ).
De aard van de erfstelling, zoals neergelegd in art. 4:115 BW, brengt mee dat de erfgenamen door de erflater zelf moeten worden bepaald en niet na erflaters overlijden door een ander kunnen worden aangewezen. Hiermee is wilsdelegatie ten aanzien van de erfgenamen verboden. De woorden ‘daarbij aangewezen’ en het hierin gelegen vereiste van onmiddellijke identificeerbaarheid van de ingestelde erfgenamen, steken hier een stokje voor. Voor het aanwijzen van de erfgenamen geldt zodoende een strikt bepaaldheidsvereiste dat geen ruimte biedt voor subjectieve elementen van een ander. In paragraaf 5.2.2.4 liet ik evenwel doorschemeren dat dit strikte bepaaldheidsvereiste betwistbaar is.1 Staat de rechtvaardiging van het vereiste van onmiddellijke identificeerbaarheid namelijk wel zo sterk in haar schoenen? Zorgt het systeem van ons erfrecht niet sowieso ervoor dat de rechtszekerheid steeds voldoende is gewaarborgd, doordat het als vangnet de versterferfgenamen kent? En kan de delegatie dan niet worden opgevat als een opschortende voorwaarde, waarbij erflaters versterferfgenamen de primaire erfgenamen onder ontbindende voorwaarden zijn, zodat erflaters rechtsopvolgers steeds bekend zijn en van ‘zwevend vermogen’ geen sprake is? Met deze zogenoemde ‘voorwaarden-constructie’ is de rechtszekerheid mijns inziens voldoende gewaarborgd. Ik zie dan ook geen bezwaren tegen een erfstelling met keuzemogelijkheid ten aanzien van de erfgenamen.2 Te meer niet vanwege het besef dat de testeervrijheid in ons erfrecht een centrale plaats inneemt en dat erflaters wil, ook als deze wilsdelegatie inhoudt, beslissend is (vgl. hoofdstuk 1).
Voor wat de erfdelen betreft, lijkt een soepeler bepaaldheidsvereiste te gelden dan voor de erfgenamen. Art. 4:115 BW, waarin de erfstelling is gedefinieerd, spreekt namelijk slechts over het nalaten van de gehele nalatenschap of een aandeel daarin. Er wordt anders gezegd niet gesproken over een ‘bepaald’ aandeel of een ‘daarbij aangewezen’ aandeel. Dit biedt ruimte voor een zekere bepaalbaarheid, waarbij bijvoorbeeld de omvang van het erfdeel afhankelijk wordt gesteld van objectieve ‘externe’ factoren, zoals het vrijgestelde bedrag voor de heffing van erfbelasting.3 Gelet op de aard van de erfstelling, zullen de erfdelen op het moment van erflaters overlijden steeds objectief duidelijk moeten zijn. De erfstelling heeft immers betrekking op de nalatenschap als vermogenseenheid en met haar zijn goederenrechtelijke belangen gemoeid. Vanuit dit oogpunt dient dan ook een goederenrechtelijk bepaaldheidsvereiste met objectieve maatstaf te worden gehanteerd. Deze maatstaf wordt impliciet ook onderstreept door art. 4:182 lid 2 BW, dat geen redelijke zin lijkt te hebben indien de erfdelen bij erflaters overlijden nog niet zijn bepaald.
Tegen de opvatting van een goederenrechtelijk bepaaldheidsvereiste met objectieve maatstaf voor de omvang van de erfdelen, kan evenwel worden ingebracht dat de onzekerheid omtrent de omvang van de erfdelen in feite slechts een verbintenisrechtelijke onzekerheid betreft. En voor verbintenisrechtelijke verhoudingen kan een soepel bepaaldheidsvereiste met subjectieve elementen, zoals het oordeel van een derde, voldoen (vgl. art. 6:227 BW).
Een andere veel voorkomende uiterste wilsbeschikkingen is het legaat. Door het maken van een legaat kan erflater eveneens eigendom doen overgaan. Anders dan de erfstelling, houdt het legaat evenwel geen eigendomsovergang van rechtswege in.4 Het legaat betreft slechts een verbintenis tot levering.5 Welk bepaaldheidsvereiste behoort bij de aard van het legaat? Kan een derde bepalen wie als legataris optreedt (paragraaf 5.3.2) en wat de inhoud van het vorderingsrecht is (paragraaf 5.3.3)?