Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/11.3.0
11.3.0 Introductie
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS451755:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Hoewel enigszins buiten het onderwerp van deze studie merk ik ten overvloede op dat in geval van emigratie van de aanmerkelijkbelanghouder als tijdstip van genieten van het vervreemdingsvoordeel wordt aangemerkt het tijdstip dat onmiddellijk voorafgaat aan het ophouden van de binnenlandse belastingplicht (art. 20h, derde lid. Wet IB) .
Zie onder meer HR 11 december 1957, BNB 1958/23, HR 13 november 1968, BNB 1969/7, HR 21 maart 1990, BNB 1990/135, HR 17 oktober 1990, BNB 1990/335 en na verwijzing HR 18 maart 1992, BNB 1992/188.
Is een voorlopige prijs overeengekomen die slechts pro forma en dus zonder werkelijke betekenis is vermeld, dan is (nog) geen sprake van een vervreemding. Zie HR 26 september 1984, BNB 1984/297. Vgl. tevens de (verdeelde) jurisprudentie HR 13 november 1968, BNB 1969/7, Hof's-Hertogenbosch 11 februari 1972, BNB 1973/19 en Hof Arnhem 8 september 1973, BNB 1974/255 betreffende situaties waarin de (partijen bindende) prijsvaststelling aan een derde was opgedragen. Zie tevens HR 17 oktober 1990, BNB 1990/335, waarin mede een tussen partijen bepaalbare koopprijs (waarbij geen derde in het spel was) aan de orde was. J.E.A.M. van Dijck acht de beslissing van de Hoge Raad in HR 26 september 1984, BNB 1984/297 echter onjuist, J.E.A.M. van Dijck, Verkoop tegen een voorlopige prijs. Vervreemding?, WFR 1984/5664, blz. 1673 e.v.
Onder het sedert 1 januari 1992 geldende (nieuwe) BW bepaalt art. 7:4 BW echter dat wordt uitgegaan van een redelijke prijs als een bepaalde prijs ontbreekt. Niet duidelijk is of deze regeling ook voor de aanmerkelijkbelangregeling geldt, zodat alsdan sedert 1 januari 1992 reeds sprake is van een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling op het moment van het aangaan van de overeenkomst en niet pas op het moment van de prijsvaststelling. Zie uitgebreider J. Ganzeveld, Vervreemding van inkomsten in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, Fiscale monografie nr. 70, blz. 397, Kluwer, Deventer, 1994. De Vakstudie meent in aantekening 23 op art. 20h Wet IB dat het er (wellicht) op moet worden gehouden dat deze kwestie via een gewijzigde interpretatie van art. 20h, derde lid, Wet IB en een verschuiving binnen de jurisprudentie wordt ondervangen. Zie voorts T. Blokland, Winst uit aanmerkelijk belang. Fiscale monografie nr. 29, blz. 120, Kluwer, Deventer, 1993 en J.C.K.W. Bartel, FED IB '64: art. 41, aantekening 5.
Vgl. HR 1 december 1976, BNB 1979/4.
Zie tevens het Besluit van 29 september 1997, nr. DB97/2742M, V-N 1997, blz. 4101 e.v. (vraag C.7.), waarin de staatssecretaris van Financiën opmerkt dat het tijdstip van vervreemding niet wordt bepaald door de notariële leveringsakte, maar door de obligatoire overeenkomst. Zo vond in geval van vermaking van aanmerkelijkbelangaandelen bij testamentaire beschikking volgens Hof Amsterdam 12 juni 1967, BNB 1967/241 de vervreemding plaats toen de aandelen aan de weduwe waren afgegeven en niet pas bij de boedelscheiding, waarbij de vordering wegens afgifte bij de legataris (tevens erfgenaam) werd verrekend.
HR 21 maart 1990, BNB 1990/135, in welk arrest de vergoede rente werd belast als inkomsten uit vermogen in plaats van als winst uit aanmerkelijk belang. Zie tevens M.J. Feskens, Rente of (ver)koopprijs aandelen?, WFR 1983/5587, blz. 449 e.v.
Nota naar aanleiding van het verslag Eerste Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 62d, blz. 1.
HR 22 juni 1960, BNB 1960/266. Zie voor een bijzondere situatie HR 20 december 1989, BNB 1990/55.
In deze zin T. Blokland, Winst uit aanmerkelijk belang, Fiscale monografie nr. 19, blz. 128, Kluwer, Deventer, 1994; J.C.M. van Sonderen, Fiscale aspecten van opties, Fiscale monografie nr. 64, blz. 217-221, Kluwer, Deventer 1993 en J.W. Zwemmer, Fiscale aspecten van optierechten en verblijvensbedingen. Fiscale monografie nr. 45, blz. 20, Kluwer, Deventer. Anders J.EA.M. van Dijck, De aanmerkelijk-belangregeling, Fed fiscale brochures, blz. 122-123, Fed, Deventer, 1995.
Vervreemdingsvoordelen worden ingevolge art. 20h, derde lid, Wet IB beschouwd te zijn genoten op het tijdstip van vervreemding. Dit is vergelijkbaar met het vroegere art. 41 (oud) Wet IB.1 Dit is het moment waarop de obligatoire overeenkomst tot overdracht perfect is geworden, zodat geen belemmeringen meer aanwezig zijn om tot uitvoering van de overeenkomst over te gaan.2 Aan de essentiële elementen tot uitvoering van een overeenkomst, t.w. voldoende bepaalbaarheid van het object alsmede voldoende bepaalbaarheid van de overeengekomen prijs, moet zijn voldaan. Wordt de prijs op een later tijdstip vastgesteld, dan vindt de vervreemding van de aanmerkelijkbelangaandelen plaats op het moment waarop de koopprijs bepaalbaar is aan de hand van een objectieve, aan de invloed van partijen onttrokken maatstaf.3'4
Van een vervreemding is nog geen sprake zolang de voor de overdracht noodzakelijke overheidsvergunning niet wordt verkregen.5 Het tijdstip van daadwerkelijke betaling is niet van belang, evenmin als dat van de levering.6 Dit is ook het geval als bij een uitgestelde levering rente wordt vergoed over de koopprijs.7
In geval van (gedeeltelijke) aflossing van schuldvorderingen is het moment van de (gedeeltelijke) aflossing het moment waarop de eventuele aanmerkelijkbelangheffing plaatsvindt. Worden aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen in het vermogen van een onderneming gebracht, dan wordt het vervreemdingsvoordeel beschouwd te zijn genoten op het moment van de inbreng.
Tijdens de behandeling in de Eerste Kamer is voorts duidelijk geworden dat het heffingsmoment in geval van liquidatie van de vennootschap het tijdstip is dat is besloten tot het betaalbaar stellen van een liquidatie-uitkering. Het heffingsmoment ten aanzien van de juridische fusie is het tijdstip dat de juridische fusie bij notariële akte tot stand komt (art. 2:318 BW).8 Naar ik aanneem geldt dit laatste op dezelfde wijze voor het heffingsmoment in geval van een juridische splitsing (art. 2:334n BW). Dit bindt ook eventuele afwezige of tegen de fusie of splitsing stemmende aandeelhouders.
Schijnhandelingen worden ter zijde gesteld. Dat daarvan niet snel sprake zal zijn, leert HR 17 april 1991, BNB 1991/180 in welke situatie een vader zijn aandelenpakket in een failliete BV overdroeg aan zijn minderjarige zoon voor de werkelijke waarde van ƒ 1 om aldus toegang te verkrijgen tot de aanmerke-lijkbelangverliesregeling van art. 60 Wet IB (zie over dit arrest uitgebreider hoofdstuk 10, onderdeel 10.2.4).
Het verlenen van een koopoptie is nog geen vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling, noch onder opschortende voorwaarde noch onder ontbindende voorwaarde, ook al verliest de eigenaar van de aandelen het economische belang bij de waardestijging van de aandelen boven de uitoefenprijs. Het optierecht is in wezen niets anders dan een onherroepelijk aanbod van de bezitter van de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen aan een ander om onder de in de optie-overeenkomst genoemde voorwaarden de onderliggende aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen te verwerven of te kopen; van wilsovereenstemming tussen partijen is nog geen sprake. Voor het daadwerkelijk tot stand brengen van een overeenkomst is nog een afzonderlijke wilsuiting vereist van de optiehouder. Van een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling is dan ook pas sprake als de optiehouder van zijn optierecht gebruik maakt.9 Vervreemdt de optiehouder het optierecht aan derden dan wel maakt hij van het optierecht geen gebruik, dan is in beginsel geen sprake van een voor de aanmerkelijkbelangregeling belastbare transactie.10 Dit is echter anders als het optierecht bij de optiehouder deel uitmaakt van een aanmerkelijk belang op grond van art. 20a, derde lid, vijfde volzin, vierde of vijfde lid, Wet IB (zie hoofdstuk 5, onderdeel 5.2.2.1, 5.3 en 5.4).