Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/11.3.1
11.3.1 Vervreemding onder voorwaarden
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS456559:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voorts Hof Arnhem 18 februari 1976, BNB 1976/221. Hof Amsterdam nam in zijn uitspraak van 13 mei 1997, V-N 1997, blz. 3237 geen vervreemding onder opschortende voorwaarde aan. Zie uitgebreider J. Ganzeveld, Vervreemding van inkomsten in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, blz. 388 e.v., Kluwer, Deventer, 1994.
Zie vooreen vervreemding onder tijdsbepaling Hof's-Hertogenbosch 6 april 1983, BN B 1984/294. Met ingang van de inwerkingtreding van het nieuw BW per 1 januari 1992 wordt ingevolge art. 3:85, tweede lid, BW een verbintenis strekkende tot overdracht van een goed onder opschortende tijdsbepaling aangemerkt als een verbintenis tot onmiddellijke overdracht van het goed met gelijktijdige vestiging van een vruchtgebruik op het goed ten behoeve van de vervreemder voor de gestelde tijd. Voor de aanmerkelijkbelangregeling moet dan worden aangenomen dat reeds ten tijde van het ontstaan van een verbintenis uit een zodanige overeenkomst sprake is van een vervreemding ex art. 20h, derde lid, Wet IB. In deze zin T. Blokland/M. van Olffen, uitgifte, verkoop en levering van (beperkte rechten op) aandelen op naam, blz. 125-126, Law & Practice Publishers, Deventer, 1992.
HR 26 september 1984, BNB 1984/297 en na verwijzing Hof's-Gravenhage 21 juni 1985, BNB 1987/121, Hof Amsterdam 5 maart 1990, FED 1990/402 en hetzelfde Hof 15 april 1994, FED 1994/321. Zie tevens T. Blokland, Over (ir)regulier bij deelneming en aanmerkelijk belang, WFR 1997/6265. blz. 1501.
Het lijkt dan tevens redelijk om als verkrijgingsprijs voor de terugontvangen aandelen tevens de oorspronkelijke verkrijgingsprijs zoals die gold vóór de ontbonden overeenkomst in aanmerking te nemen. In deze zin J. Ganzeveld, Vervreemding van inkomsten in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, Fiscale Monografie nr. 70, blz. 390 e.v., Kluwer, Deventer, 1994, en overige t.a.p. door haar genoemde schrijvers. Zie tevens T. Blokland, Over (ir)regulier bij deelneming en aanmerkelijk belang, WFR 1997/6265, blz. 1500-1501.
In deze zin H. Mobach/L.W. Sillevis, Cursus Belastingrecht (Inkomstenbelasting), onderdeel 2.4.5(oud), Gouda Quint, Deventer. Zie uitgebreider J. Ganzeveld, Vervreemding van inkomsten in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, Fiscale Monografie nr. 70, blz. 395 e.v., Kluwer, Deventer, 1994.
T. Blokland, Winst uit aanmerkelijk belang, Fiscale monografie nr. 19, blz. 277 e.v., Kluwer, Deventer, 1993, alsmede dezelfde: Aanmerkelijk belang bij zwarigheden na verkoop, bundel Belastingbeschouwingen, blz. 123 e.v., Kluwer, Deventer, 1989. Zie tevens J. van Soest, Preadvies Candidaat-Notarissen, 1971, blz. 25 die op grond van een redelijke wetstoepassing concludeert tot het in aanmerking nemen van een verlies uit aanmerkelijk belang bij de oorspronkelijke verkoper.
T. Blokland acht HR 15 juni 1977, BNB 1977/179, in welk arrest de Hoge Raad oordeelde dat de tegenprestatie voor de aandelen tevens de grondwaarde bevatte, ook al was de waarde van de grond ten tijde van de vervreemding ƒ nihil als gevolg van beschikkingsonbevoegdheid bij de koper van de aandelen, dan ook juist, nu partijen bij het sluiten van de overeenkomst ontbinding van de overeenkomst wegens wanprestatie reeds bij voorbaat hadden uitgesloten. De latere ongedaanmaking van de overeenkomst speelde zich voor de oorspronkelijke verkoper, nu koper volledig af in de (onbelaste) vermogenssfeer. Anders echter J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijk-belangregeling, Fed fiscale brochures, blz. 113, Fed, Deventer, 1995, en J. Ganzeveld, Vervreemding van inkomsten in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, Fiscale monografie nr. 70, blz. 393 e.v., Kluwer, Deventer, 1994.
Nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 7, blz. 69-70.
Worden de aanmerkelijkbelangaandelen verkocht onder een opschortende voorwaarde, dan vindt de vervreemding plaats op het moment waarop de voorwaarde is vervuld.1-2 Dit was zo onder de oude aanmerkelijkbelangregeling en is onder de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling niet anders geworden. Bij vervreemding onder ontbindende voorwaarde vindt de vervreemding en daarmee de aanmerkelijkbelangheffing plaats op het tijdstip waarop de overeenkomst is gesloten. Komt na het perfect worden van de obligatoire overeenkomst een wijziging in de verkoopprijs, dan betekent dat niet dat de oorspronkelijke vervreemding met terugwerkende kracht ter zijde wordt geschoven. De herziening is een op zichzelf staande aangelegenheid.3 Blijkens HR 12 september 1990, BNB 1991/251 betekent dit bijvoorbeeld dat het intreden van een in de vervreemdingsovereenkomst gemaakte ontbindende voorwaarde voor de oorspronkelijke vervreemder op grond van een redelijke wetstoepassing een 'terugkoop' tegen de oorspronkelijke prijs inhoudt, waarop destijds de aan-merkelijkbelangverliesregeling van art. 60 Wet IB van toepassing was.4 Zo ook ten aanzien van rechtshandelingen die absoluut of relatief nietig zijn. Alsdan wordt in het jaar waarin de nietigheid wordt ingeroepen, de aanvankelijke belastingheffing ongedaan gemaakt door het constateren van een aanmerkelijkbelangverlies dat op de voet van art. 60 Wet IB in aanmerking wordt genomen.5 T. Blokland is van mening dat bovenvermeld systeem van HR 12 september 1990, BNB 1991/251 eveneens van toepassing is, indien de overeenkomst wordt ontbonden op grond van wanprestatie (art. 6:265 e.v. BW).6 Is in de overeenkomst de werking van art. 6:265 e.v. BW uitgesloten, dan vormt de ongedaanmaking naar het oordeel van T. Blokland een afzonderlijke verkrijging door de oorspronkelijke verkoper.7 Dit onder de oude aanmerkelijkbelangregeling geldende systeem in geval van opschortende en ontbindende voorwaarden en (relatieve en absolute) nietigheden is mijns inziens onder de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling onverkort van kracht gebleven.8