Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/2.4.6.1
2.4.6.1 Enkele verschillen als gevolg van de keuze voor bestuursrecht of strafrecht
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270160:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Advies sanctiestelsels, onderdeel 3.
Zie bijv. ook Veldhuis en Veldhuis 2016 over verschillen over de rol van de rechter en bewijsrecht.
Andere verschillen die in het Advies sanctiestelsels 2015 van de Afdeling Advisering van de Raad van State worden besproken zijn: de straftoemeting en bewijsvoering, de hoorplicht en rechtsbijstand, en de beroepstermijn. Vanwege de omvang van dit onderzoek wordt niet bij alle punten uitbreid stilgestaan. Het staat vast dat er verschil bestaat tussen de gevolgen van strafrechtelijke en bestuursrechtelijke bestraffinng. Deze verschillen vormen eerder een aanleiding voor dit onderzoek dan een object van onderzoek, om welke reden voor een summiere bespreking gekozen is.
In het bestuursrecht is procederen zonder risico, in verband met het verbod op reformatio in peius.
Advies sanctiestelsels 2015, p. 14.
Nader rapport bestuurlijke boetestelsels 2018, p. 36.
Nader rapport bestuurlijke boetestelsels 2018, p. 36 en 37.
Bröring e.a. 2020, aanleiding.
Het is de vraag in hoeverre de mogelijkheid van het aanvragen van een voorlopige voorziening bij de bestuursrechter in dit soort gevallen soelaas kan bieden. Uit de jurisprudentie blijkt dat de bestuursrechter in dergelijke situaties niet gauw spoedeisendheid van het belang aanneemt.
Advies sanctiestelsels 2015, p. 15.
Advies sanctiestelsels 2015, p. 15 en 16.
Nader rapport bestuurlijke boetestelsels 2018, p. 39.
Bröring e.a. 2020.
Advies sanctiestelsels 2015, p. 18.
Advies sanctiestelsels 2015, p. 18.
Nader rapport bestuurlijke boetestelsels 2018, p. 45.
Van ’t Zand e.a. 2020.
Nader rapport bestuurlijke boetestelsels 2018, p. 9.
Nader rapport bestuurlijke boetestelsels 2018, p. 18-23.
Nader rapport bestuurlijke boetestelsels 2018, p. 25.
Kamerstukken II 2018/2019, 29 279, nr. 503, p. 4 en 5.
Nader rapport bestuurlijke boetestelsels 2018, p. 9.
Ook uit het Advies sanctiestelsels van de Afdeling Advisering van de Raad van State uit 2015 blijkt dat het criterium op grond waarvan de keuze voor bestuursrecht of strafrecht wordt gemaakt in de loop der tijd steeds meer ruimte bood voor de invloed van efficiëntie.1 Dit is volgens de Afdeling ongewenst als geen rekening wordt gehouden met het verschil in positie van de belastingplichtige in het strafrecht of in het bestuursrecht. Het verschil in positie is in beschreven ontwikkelingen onderbelicht geraakt. Enkele verschillen tussen het punitieve bestuursrecht en het strafrecht in de rechtsbescherming en in rechtsgevolgen voor de justitiabele betreffen griffierechten, de schorsende werking van rechtsmiddelen, verjaringstermijnen, de hoorplicht, en justitiële documentatie.2/3 Een korte verkenning is op zijn plaats.
Griffierecht
Ten eerste hoeft de justitiabele in het strafrecht geen griffierecht te betalen. Het is immers de OvJ die verdachte voor de rechter daagt. Dit is het geval zowel indien sprake is van een dagvaarding, als wanneer het OM een strafbeschikking heeft uitgevaardigd (verzet).
In het bestuursrecht daarentegen geldt een algemene verplichting tot betaling van griffierecht voordat de belanghebbende een beroep kan doen op de bestuursrechter. Griffierechten in het bestuursrecht zijn ingevoerd om ervoor te zorgen dat een (eventuele) belanghebbende goed nadenkt, alvorens hij besluit om te gaan procederen (vanzelfsprekend met het beginsel van het verbod van reformatio in peius in het achterhoofd).4 Daarbij wordt geen uitzondering gemaakt voor de punitieve bestuurlijke boetebesluiten, ook niet wanneer deze boetes zeer hoge bedragen betreffen. Kortom:
“zowel in het geval van de ‘gewone’ bestuurlijke boete als in het geval van de (boete via de) strafbeschikking gaat het om punitieve overheidsbesluiten die zonder tussenkomst van de rechter zijn genomen. In het geval van een strafbeschikking wordt geen griffierecht geheven bij verzet terwijl in het bestuursrecht enkel beroep op de bestuursrechter mogelijk is als griffierechten betaald worden. Gelet op dezelfde punitieve aard van de besluiten is er geen goede reden voor dit verschil.”, aldus de Afdeling Advisering van de Raad van State (hierna ook: de Afdeling).5
De Afdeling geeft aan dat er in feite twee oplossingsmogelijkheden zijn: griffierechten invoeren in het ene traject en of griffierechten afschaffen in het andere traject. Over deze laatste variant is in het Besluit bestuurlijke boetestelsels 2018 te lezen:
“Met betrekking tot het voorstel van de Afdeling advisering om griffierecht te heffen bij verzet tegen een strafbeschikking is, zoals de Afdeling advisering zelf ook onderkent, van belang dat het kabinet deze optie reeds expliciet van de hand heeft gewezen bij de invoering van de strafbeschikking in de Wet OM-afdoening. Het eventueel invoeren van griffierechten in het strafrecht is een algemenere kwestie waarvoor het niet voor de hand ligt om de discussie daarover specifiek te voeren in het kader van afdoening met een strafbeschikking die wordt gevolgd door verzet.”6
Hetzelfde argument wordt door het kabinet aangehaald, wanneer het beargumenteert dat invoering van griffierechten in het bestuursrecht geen goed idee is: dit levert te grote verschillen op binnen dat rechtsgebied (denk aan: andere behandeling herstelsancties en bestraffende sancties). Bovendien is de vraag of (potentieel) belanghebbenden in dit geval niet te makkelijk de gang naar de rechter vinden. Het kabinet vindt dus dat de verschillen als het aankomt op griffierechten niet moeten worden aangepakt, omdat ze passen bij de eigenaardigheden van de betreffende rechtsgebieden.7
Schorsende werking
Ten tweede heeft het aanwenden van een rechtsmiddel (bezwaar of beroep) in het bestuursrecht geen schorsende werking (art. 6:16 Awb). Het ontbreken van schorsende werking betekent dat ondanks het instellen van bezwaar of beroep de verplichting tot betaling van de boete blijft bestaan.
In het strafrecht daarentegen, heeft het instellen van een rechtsmiddel in beginsel wel schorsende werking (art. 557 WvSv). Bröring schrijft:
“De betalingsverplichting is in het strafrecht dus in beginsel het resultaat van de rechtsbeschermingsprocedure en niet de inzet ervan, zoals bij de bestuurlijke boete mogelijk wel het geval is.”8
Schorsende werking gaat ook in bij het middel verzet tegen de strafbeschikking (art. 257g lid 2 WvSv) en voor het aanwenden van rechtsmiddelen tegen de uitspraak in de verzetprocedure.
Aldus kan worden vastgesteld dat sprake is van een verschil in rechtspositie. Er lijkt geen rechtvaardiging voor dit verschil te bestaan. Dit is problematisch in het licht van de ingrijpend gewijzigde context waarin de bestuurlijke boete tegenwoordig functioneert, zo meent de Afdeling Advisering van de Raad van State.9 Hoge bestuurlijke boetes kunnen een ingrijpend karakter hebben en tot een onevenredige financiële last leiden.10
In het bestuursrecht geldt thans, ook voor punitieve sancties, dat zowel griffierechten worden geheven als dat schorsende werking – behoudens enkele uitzonderingen – wordt onthouden aan het instellen van bezwaar en beroep. In het strafrecht is daarentegen sprake van een tegenovergestelde situatie: geen griffierechten en wél schorsende werking indien verzet wordt gedaan of hoger beroep en cassatie wordt ingesteld. Geconcludeerd kan worden dat de justitiabele in deze situatie twee keer moet betalen, indien hij wil ageren tegen een sanctie die wordt opgelegd in de bestuursrechtelijke context. Deze in het bestuursrechtelijk systeem optredende cumulatie van griffierechten en onthouding van schorsende werking kan ook zijn uitwerking hebben op de draagkrachtproblematiek. Voor minder draagkrachtigen zou eerder een situatie kunnen ontstaan dat het heffen van griffierechten onevenredig bezwarend is. Dat zou onder bijzondere omstandigheden een ongeoorloofde belemmering van de toegang tot de rechter kunnen opleveren, zo meent de Afdeling.11
De regering heeft in het Nader rapport bestuurlijke boetestelsels 2018, aangegeven een onderzoek te willen laten doen naar de voor- en nadelen van het eventueel verlenen van schorsende werking in bezwaar aan (bepaalde) boetebesluiten.12 Dit onderzoek is in 2020 gepubliceerd door onderzoekers van de Rijks Universiteit Groningen. De conclusie is – grofweg – dat het ontbreken van schorsende werking in de bezwaar- en beroepsfase geen strijd oplevert met de onschuldpresumptie van art. 6 lid 2 EVRM. Wel zouden de onderzoekers schorsende werking in de bezwaarfase aanbevelen.13
Aantekening in de justitiële documentatie
Ten derde, zo beschrijft de Afdeling Advisering van de Raad van State in het Advies Sanctiestelsels 2015, volgt een aantekening in justitiële documentatie vanaf het moment dat iemand wordt verdacht van een misdrijf en de zaak in behandeling is genomen door het OM:
“Wanneer de zaak vervolgens is afgedaan, wordt de wijze van afdoening of de uitspraak vermeld in de justitiële documentatie. Indien een strafbeschikking is uitgevaardigd wordt ook deze geregistreerd. Voor overtredingen ligt het anders. Een aantekening in de justitiële documentatie volgt dan vanaf het moment dat het OM een beslissing heeft genomen over de afdoening van de zaak. Hierop zijn drie uitzonderingen: (i) er wordt een strafbeschikking opgelegd van minder dan 100 euro, (ii) de zaak wordt geseponeerd zonder bijzondere voorwaarden, (iii) de rechter legt een geldboete op van minder dan 100 euro. De ratio achter de aantekening is onder andere het belang van criminaliteitspreventie en goede rechtspleging. De ernst van de overtredingen speelt daarbij een rol.”14
De bestuurlijke boete wordt niet aangemerkt als justitieel gegeven. Zelfs een zeer hoge bestuurlijke boete kan er niet toe leiden dat een verklaring omtrent het gedrag wordt geweigerd. Er is geen goede reden voor dit verschil, zo meent de Afdeling. Indien een bestuurlijke boete uitsluitend bij lichte, massale overtredingen mogelijk zou zijn, zou er geen behoefte zijn om bestuurlijke boetes op te nemen in de justitiële documentatie. Inmiddels is duidelijk dat niet meer alleen bij lichte feiten voor de bestuurlijke boete wordt gekozen. Dan valt het verschil tussen het bestuursrecht en het strafrecht volgens de Afdeling moeilijk te rechtvaardigen.15
In het Nader rapport bestuurlijke boetestelsels 2018 wordt een onderzoek aangekondigd naar de (on)mogelijkheden om (bepaalde) bestuurlijke boetes op termijn te betrekken bij bepaalde VOG-screenings.16 Dit onderzoek is op 16 juni 2020 gepubliceerd door onderzoekers van de Universiteit Leiden. Zeer kort samengevat, concluderen de onderzoekers dat er nu te veel bezwaren zijn tegen het betreffen van bestuurlijke boetes bij VOG-screenings, zonder de wenselijkheid ervan ‘onderuit te halen’. Nader onderzoek naar de systematiek van de VOG-screenings is eerst geboden.17
Uniformering boetehoogte
Het kabinet heeft in het Nader rapport bestuurlijke boeten 2018 aangegeven onder andere de hiervoor omschreven verschillen in rechtsbescherming binnen het strafrecht en het bestuursrecht niet als een wezenlijk probleem te zien.18 Het problematische karakter van de bestuurlijke boete hangt daarentegen wel samen met drie samenhangende ontwikkelingen binnen het boetebestel.19 Ten eerste heeft de bestuurlijke boete een enorme vlucht genomen in het ordeningsrecht (zie paragraaf 2.4.5.5.). Ten tweede konden steeds hogere bestuurlijke boetes worden opgelegd voor ernstiger overtredingen. En ten derde zijn het punitieve bestuursrecht en het strafrecht steeds meer naar elkaar toegegroeid, waardoor de onderlinge verschillen steeds geringer werden. De boetehoogten in het strafrecht en het bestuursrecht leiden op dit moment te veel een eigen leven. De manier waarop deze wordt vastgesteld verschilt aanzienlijk, terwijl in beide situaties wel hele hoge boetes kunnen worden opgelegd.
Het kabinet wil de uniformiteit en de onderlinge afstemming op het gebied van de maximumhoogte van boetes dan ook nadrukkelijker stimuleren door te bewerkstelligen dat de wettelijke maximale boetehoogtes zich logischer tot elkaar gaan verhouden, zodat er meer eenheid en evenwicht in het boetebestel ontstaat. In het bijzonder geldt dit voor het ordeningsrecht, waar zogenoemde duale handhaving mogelijk is. Volgens het kabinet is het in voorkomende gevallen niet uit te leggen dat de boete die de strafrechter dan kan opleggen, lager is dan die welke het bestuursorgaan kan opleggen.20
In de brief van 18 april 2019 (over bestuurlijke boeten, het bewijsrecht, en rechtsbescherming) worden de volgende maatregelen aangekondigd:
“(…) 1. In de Awb zal worden geregeld dat bij de keuze voor de wettelijke maximumhoogte van een bestuurlijke boete wordt aangesloten bij de boetecategorieën in het strafrecht. Daarbij wordt ook bezien in hoeverre de huidige strafrechtelijke boetecategorieën verhoging of verfijning behoeven. Bestaande boetestelsels waarvan de boetemaxima niet geënt zijn op de strafrechtelijke boetecategorieën zullen worden aangepast, tenzij voor die afwijking een bijzondere rechtvaardiging bestaat. 2. Als dezelfde overtreding kan worden afgedaan met een bestuurlijke boete, maar in plaats daarvan ook strafrechtelijk kan worden gesanctioneerd, dan mag de wettelijke maximumhoogte van de bestuurlijke boete niet hoger zijn dan de maximale financiële strafbedreiging in het strafrecht. Bestaande duale stelsels die niet voldoen aan die eis, worden aangepast. Ook hierbij zal worden bezien in hoeverre de huidige strafrechtelijke boetecategorieën verhoging of verfijning behoeven om zo deze afstemming met de bestuurlijke-boetehoogtes te faciliteren. 3. Verjaringstermijnen in de Awb worden in lijn gebracht met termijnen in het strafrecht. Wij willen hiervoor nog dit jaar een wetsvoorstel in consultatie brengen. Bij de voorbereiding van dat wetsvoorstel zal nog worden bezien of de onder 1 en 2 bedoelde aanpassing van bestaande boetestelsels wordt opgenomen in dat wetsvoorstel of in een aparte aanpassingswet.”21
Onder andere Mein en Van der Vorm zijn positief gestemd over deze ontwikkeling:
“Immers, de trend naar steeds hogere boetes in het (financieel-economisch) bestuursrecht dient wat ons betreft te worden omgebogen. Die boetes zijn vooral symboolpolitiek, ingegeven door een sterk geloof in de afschrikkingsgedachte en een beeld van calculerende overtreders.”22