Einde inhoudsopgave
De notaris en gelijk oversteken (AN nr. 184) 2024/4.1.0
4.1.0 Introductie
mr. T.J. Bos, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T.J. Bos
- JCDI
JCDI:ADS941644:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HC (Ch. D.) 17 March 1876, ChD 499 (Lysaght v Edwards).
De VPCT vormt bepaald geen eenvoudig leerstuk. Anglo-Amerikaanse academici (andere Anglo-Amerikaanse jurisdicties kennen dit leerstuk ook) hebben dikwijls opgemerkt dat de doctrine verwarrend is (D.W.M. Waters, The Constructive Trust: The Case for a New Approach in English Law (University of London Legal Series 8), London: Athlone 1964, p. 74 - 87) en zelfs moet worden afgeschaft (W. Swadling, ‘The Vendor-Purchaser Constructive Trust’, in: S. Degeling & J. Edelman (red.), Equity in Commercial Law, Sidney: Lawbook co. 2005, p. 488). De behandeling van het leerstuk in deze paragraaf kent daarom soms een vereenvoudigde weergave van de gecompliceerde dogmatische werkelijkheid. Voor een meer volledige behandeling, zie: P.G. Turner, Equitable Rights Arising from Specifically Enforceable Contracts (diss. Cambridge), 2010.
Zie ook C. Æ. Uniken Venema & W.J. Zwalve, Common Law & Civil Law, Den Haag: Boom juridisch 2008, p. 298 e.v.
Echter, zelfs indien op deze wijze de aanspraak van de beneficiary tenietgaat, staat de beneficiary nog een ander instrument ten dienste: de (in het geval van een koopovereenkomst) koopprijs die de trustee ontvangt in ruil voor het verkopen van het goed, is dankzij het leerstuk genaamd tracing mogelijkerwijs (afhankelijk van de omstandigheden van het geval) onderhevig aan een goederenrechtelijke aanspraak van de beneficiary. In hoeverre de aanspraak een goederenrechtelijk karakter heeft is afhankelijk van de vraag in hoeverre het in de plaats getreden goed (de koopprijs) (nog) identificeerbaar is. Zie hierover D. Fox, Property Rights in Money, Oxford: Oxford University Press 2008 en S. Worthington, Equity, Oxford: Oxford University Press 2006, p. 88.
Overigens dient de VPCT veel meer doelen dan het beschermen van B’s recht op levering tegen derden. Het leerstuk wordt bijvoorbeeld ook gebruikt om B aanspraak te geven op de opbrengst van huurvorderingen, in het geval deze opbrengst eigenlijk al aan B had moeten toekomen maar dit niet het geval is omdat A verzuimd heeft het verhuurde goed op tijd over te dragen.
De figuur van de VPCT is gegrond op het gegeven dat men in Engeland, naast de common law, ook equity als rechtsbron kent. Equity functioneert door middel van zogenaamde maxims of equity. In 1876 werd, aan de hand van de maxim “equity considers as done which ought to be done”, de basis gelegd voor de VPCT-doctrine. In het arrest Lysaght v Edwards werd namelijk bepaald dat:1
“(…) the moment you have a valid contract for sale the vendor becomes in equity a trustee for the purchaser of the estate sold, and the beneficial ownership passes to the purchaser (…)”
Om de betekenis van deze zinsnede te doorgronden, is het belangrijk om eerst kort stil te staan bij het instrument van de trust.2 De trust komt voort uit het equity recht en wordt traditioneel aangeduid als een instrument dat een onderscheid maakt tussen macht en belang. De persoon die de macht over het goed heeft en de eigenaar in formele zin is, heet de trustee. De persoon die het belang heeft, heet de beneficiary. De beneficiary kan zijn aanspraken op een goed geldend maken naar equity recht: in die zin vloeit het bestaan van de trust dus voort uit deze rechtsbron. Van de trustee wordt wel gezegd dat deze de legal title tot het goed heeft, terwijl de equitable title aan de beneficiary toebehoort. Trusts kunnen worden ingesteld door partijen, maar kunnen ook ontstaan van rechtswege: laatstgenoemde trusts worden aangeduid als constructive trusts. Het bijzondere van de trust-figuur is dat zij goederenrechtelijke trekken kent.3 Zo hoeft de beneficiary zich niets aan te trekken van schuldeisers van de trustee: deze kunnen zich niet verhalen op de goederen die onder het trust vermogen van de trustee vallen. Bovendien kent de aanspraak van een beneficiary zaaksgevolg: ook al draagt de trustee de trust goederen over aan een derde, de beneficiary kan zijn equitable interest ook doen gelden jegens deze derden, tenzij deze derde een bona fide verkrijger is die for valuable consideration (een redelijke tegenprestatie) het goed overneemt: in dat geval verkrijgt deze derde het goed zonder dat daarop nog de equitable interest ten behoeve van de beneficiary rust.4
Inmiddels beginnen wij de contouren te zien van een afwijking of transactiezekerheid. Omdat A had moeten leveren aan B maar dit niet heeft gedaan, beschermt equity B door – gevolg gevend aan het principe dat equity doet alsof de levering reeds heeft plaatsgevonden omdat dit eigenlijk al had moeten gebeuren – B een equitable (trust) interest toe te kennen in het verkochte goed. Deze trust heeft goederenrechtelijke trekken en beschermt B zodoende tegen aanspraken van derden zoals andere verkrijgers en verhaal zoekende schuldeisers.5 Hiermee zijn we er echter nog niet: alvorens sprake kan zijn van een equitable interest ten gunste van B, dient voldaan te zijn aan het vereiste van specific performance. Een tweede belangrijke vaststelling is dat de bescherming voor bona fide verkrijgers in de praktijk anders werkt bij verschillende typen goederen. Ten derde verdient aandacht dat de VPCT een sterker recht verschaft tegen verhaal zoekende schuldeisers dan tegen andere verkrijgers. De volgende drie subparagrafen staan kort stil bij deze elementen.