Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VI.5.1
VI.5.1 Non-verbale bejegening als schuldige in het algemeen
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS598628:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
§ IV.4.1.1.
Zie § IV.4.1.3-4.1.6.
Zie bijv. expliciet ECieRM 4 december 1978, nr. 8239/78, dec. (X./Nederland). Anders: Harris, O’Boyle e.a. 2014, p. 460. Zij stellen dat in dergelijke situaties art. 6 lid 2 EVRM “does not apply”.
Zo uitdrukkelijk ECieRM 9 oktober 1985, nr. 10282/83, rep., par. 49 (Englert/Bondsrepubliek Duitsland).
Zie op die manier expliciet ECieRM 5 oktober 1978, nr. 6903/75, rep., par. 63 (Deweer/ België).
Zie bijv. ECieRM 5 oktober 1978, nr. 6903/75, rep., par. 63 (Deweer/België) (voorlopige winkelsluiting); ECieRM 4 december 1978, nr. 8239/78, dec. (X./Nederland) (afstaan bloed/urine); ECieRM 9 oktober 1985, nr. 10282/83, rep., par. 49 (Englert/Bondsrepubliek Duitsland) (verhoor, doorzoeking en inbeslagneming); EHRM 15 juni 1999, nr. 43486/ 98, dec. (Tirado Ortiz en Lozano Martin/Spanje) (verplicht ondergaan ademalcoholanalyse); EHRM 4 maart 2003, nrs. 27215/95 en 36194/97 (Yaşar Kemal Gökçeli/Turkije) (verbod van publicatie); EHRM 22 november 2011, nr. 20286/08 (Tehanciuc/Roemenië) (schorsing uit publiek ambt); CRM 28 oktober 2008, nr. 1514/2006 (Casanovas/Frankrijk) (verplichte storting van aan opgelegde boete gelijk bedrag voor toegang tot beroep).
ECieRM 3 oktober 1978, nr. 7986/77, dec. (Krause/Zwitserland); ECieRM 29 februari 1988, nr. 11497/85, dec. (D./Zwitserland); ECieRM 14 december 1989, nr. 12846/87 (Z./ Frankrijk); ECieRM 4 mei 1993, nr. 13616/88, rep. (Hentrich/Frankrijk); ECieRM 12 oktober 1993, nr. 15175/89, rep. (Allenet de Ribemont/Frankrijk); ECieRM 9 september 1998, nr. 34604/97, dec. (Pewinski/Frankrijk).
Zie bijv. EHRM 12 juli 1988, nr. 10862/84 (Schenk/Zwitserland); EHRM 21 september 2006, nr. 13583/02 (Pandy/België); EHRM 14 mei 2013, nr. 23603/05, dec. (Hinov/Bulgarije). Ook de Grote Kamer hanteerde die formulering, maar beperkt het verbod op behandeling als schuldige tot de periode na afloop van de strafprocedure, EHRM (GK) 12 juli 2013, nr. 25424/09, EHRC 2013, 219, par. 94, m.nt. Bemelmans (Allen/Verenigd Koninkrijk).
Zie over deze bejegeningswijzen in het bijzonder hierna § VI.5.2VI.5.3.
EHRM (GK) 28 oktober 1998, nr. 23452/94, par. 121 (Osman/Verenigd Koninkrijk). Vgl. tevens EHRM 27 november 2007, nr. 32457/04, par. 71 (Brecknell/Verenigd Koninkrijk).
EHRM (GK) 4 december 2008, nr. 30562/04, NJ 2010, 410, m.nt. Alkema, NTM 2009, 391, m.nt. Van der Staak, par. 122.
Zo Corstens & Pradel 2002, p. 453; Trechsel 2005, p. 539-540; Gerards 2011, p. 133 e.v.; Harris, O’Boyle e.a. 2014, p. 509-510.
In dat verband is relevant dat “het Hof een inhoudelijke beoordeling van het nagestreefde doel probeert te vermijden, omdat het gevoelig ligt als een staat wordt beticht van het nastreven van illegitieme doelstellingen”. Aldus Gerards 2011, p. 134. Vgl. in die zin ook Harris, O’Boyle e.a. 2014, p. 510.
Het EHRM heeft het in de op de behandelingsdimensie betrekking hebbende standaardoverwegingen over public statements en judicial decisions die een schuldoordeel tot uitdrukking brengen. Hiervoor ging het louter over public statements. Van deze verbale bejegeningswijzen is vaak eenvoudig vast te stellen of zij uiting geven aan een schuldoordeel. De historische oorsprong van de behandelingsdimensie is echter vooral gelegen in de beperking van de non-verbale bejegening van verdachten als schuldigen, meer in het bijzonder in de beperking van de toepassing van dwangmiddelen tijdens het vooronderzoek en van onnodige vernederingen ter zitting.
In hoofdstuk IV kwam naar voren dat van zulke non-verbale bejegeningswijzen minder eenvoudig is vast te stellen of zij een voorbarige bejegening als schuldige opleveren. De in de vorige paragraaf ook genoemde fundamental distinction tussen behandeling als verdachte en behandeling als schuldige maakt dat de gevolgen van een inbreuk op het betrokken individu niet beslissend kunnen zijn.1 Wel stelt de onschuldpresumptie mijns inziens grenzen aan de wijze waarop bejegeningswijzen kunnen worden gerechtvaardigd. Zowel de na te streven doelen als de in proportionaliteits- en subsidiariteitsafwegingen te betrekken omstandigheden vinden in het onschuldvermoeden beperking.2
De vraag is in hoeverre de onschuldpresumptie ook in positiefrechtelijke zin grenzen stelt aan inbreuken op de fundamentele rechten van niet-veroordeelden. In het algemeen bevestigen het EVRM en het IVBPR het door mij geschetste uitgangspunt. Anders dan Harris, O’Boyle e.a. menen, is de presumptie van onschuld op non-verbale bejegeningswijzen als de hantering van dwangmiddelen van toepassing.3 Zolang de verdachte charged with a criminal offence is, normeert het onschuldvermoeden de handelingen en beslissingen van overheidsautoriteiten. Evenmin kan een zekere mate van verdenking het onschuldvermoeden ontkrachten of terzijde stellen.4 Wel autoriseren verschillende bepalingen uit het EVRM en het IVBPR expliciet tot inbreuken op de fundamentele rechten van de verdachte op grond van de tegen hem gerezen verdenking. Zo biedt artikel 5 lid 1 sub c EVRM de mogelijkheid op grond van die verdenking iemand zijn vrijheid te ontnemen en artikel 8 lid 2 EVRM staat allerlei in het privéleven van de betrokkene diep ingrijpende opsporingsmethoden toe.5 Uit de verenigbaarheid van die ingrijpende inbreuken met het vermoeden van onschuld, volgt dat ook minder ingrijpende inbreuken in beginsel met de behandelingsdimensie verenigbaar moeten zijn.6 Diverse onderzoeksmethoden en voorlopige maatregelen hebben de toets aan artikel 6 lid 2 EVRM of die aan artikel 14 lid 2 IVBPR dan ook doorstaan. Niet echter omdat de onschuldpresumptie erop niet van toepassing is, maar omdat zij geen bejegening als schuldige opleveren aan een strafbaar feit.7
De meeste strafvorderlijke inbreuken op de rechten van nog niet veroordeelden vinden plaats in de sfeer van het recht op een persoonlijke levenssfeer. Aan de rechtspraak van zowel het VN Mensenrechtencomité als die van het EHRM over dergelijke inbreuken valt op dat de onschuldpresumptie daarin nauwelijks zelfstandige betekenis heeft. Bij de beoordeling van dwangmiddelen op grond van artikel 8 EVRM noemt het Europese Hof de onschuldpresumptie zelden als relevant gezichtspunt. Zolang de motivering van een beslissing geen blijk geeft van een schuldoordeel, en dus van verbale bejegening als schuldige geen sprake is, komt de onschuldpresumptie niet aan de orde. De richtlijn wijdt dienovereenkomstig geen bepaling aan de toepassing van dwangmiddelen in het algemeen. Ik zie hiervoor een tweetal mogelijke verklaringen.
Op de eerste plaats is denkbaar dat het EHRM en/of het VN Mensenrechtencomité ten aanzien van non-verbale bejegening van een verdachte niet hetzelfde verbod op bejegening als schuldige hanteren als voor verbale uitlatingen heeft te gelden. Daarvoor zou kunnen pleiten dat woordelijke bejegening als schuldige makkelijker is vast te stellen, de reputatie van de verdachte mogelijk directer of ernstiger schade toebrengt en de uitkomst van de procedure wellicht eerder beïnvloedt. De standaardjurisprudentie van het Comité kan men op die manier lezen. Vaste overweging van het Comité is dat de onschuldpresumptie “requires that persons accused of a criminal act must be treated in accordance with this principle. It is a duty for all public authorities to refrain from prejudging the outcome of a trial, e.g. by abstaining from making public statements affirming the guilt of the accused.” Bedoeld zou kunnen zijn dat de onschuldpresumptie verplicht tot behandeling overeenkomstig het beginsel, uitsluitend omdat invloed op het strafproces moet worden voorkomen en dat daarom is verboden uitlatingen te doen over de verdachte welke diens schuld veronderstellen.
Er pleit echter meer tegen deze verklaring. Naast de historische betekenis en functie van de behandelingsdimensie, verzet grammaticale interpretatie van de algemene overwegingen van de diverse organen zich daartegen. De hierboven geciteerde standaardoverweging van het Comité houdt in dat verdachten in overeenstemming met het onschuldvermoeden moeten worden behandeld. Dat verbale bejegening is verboden, behelst een voorbeeld (“e.g.”). Ook de ECieRM pleegde na te gaan of de verdachte als schuldige was behandeld (“treated” of “traité”).8 Onder verwijzing naar die Commissierechtspraak heeft het EHRM ervan gemaakt dat juridische beslissingen niet de opvatting mogen weerspiegelen dat de verdachte schuldig is. Dat lijkt niet als een inhoudelijk nuanceverschil te moeten worden begrepen, aangezien ook het Hof met enige regelmaat wel spreekt van een verbod op behandeling als schuldige.9 Zowel het Comité als het Hof ziet bovendien wél een nauw verband tussen de voorlopige hechtenis en het onschuldvermoeden. Ook voor de wijze waarop de verdachte ter zitting mag worden gepresenteerd heeft de onschuldpresumptie gevolgen.10
Voorts wijst een tweetal uitspraken van de Grote Kamer van het EHRM over sterk uiteenlopende onderwerpen erop dat het onschuldvermoeden toch ook voor de beslissing tot het aanwenden van dwangmiddelen in het algemeen betekenis heeft. In Osman/Verenigd Koninkrijk overwoog het Hof over de reikwijdte van de positieve verplichtingen die voortvloeien uit artikel 2 EVRM dat de politie “cannot be criticised for attaching weight to the presumption of innocence or failing to use powers of arrest, search and seizure having regard to their reasonably held view that they lacked at relevant times the required standard of suspicion to use those powers or that any action taken would in fact have produced concrete results”.11 In S. en Marper/Verenigd Koninkrijk ging het weliswaar om bejegening als schuldige na afloop van de charge, maar ook die zaak laat zien dat het onschuldvermoeden voor de toepassing van strafrechtelijke onderzoeksmethoden in de sfeer van artikel 8 EVRM toch eveneens tot terughoudendheid oproept.12 Terwijl de DNA-profielen van niet-verdachten moesten worden vernietigd, werden in het Verenigd Koninkrijk de DNA-profielen van vrijgesprokenen bewaard met die van veroordeelden. Volgens het Hof kon dat bij de betrokkenen de indruk wekken dat zij in strijd met het onschuldvermoeden werden bejegend en vergrootte een dergelijke wijze van aanwending van dwangmiddelen bovendien het gevaar van stigmatisering van vrijgesproken verdachten. De geconstateerde schending van artikel 8 was mede gebaseerd op het uit de onschuldpresumptie voortvloeiende gebod vrijgesprokenen niet als schuldigen te bejegenen.
Een tweede, gelet op het bovenstaande wellicht meer voor de hand liggende, verklaring voor de geringe betekenis van het onschuldvermoeden in de rechtspraak over het gebruik van dergelijke dwangmiddelen tegen verdachten, is dat de rol die de onschuldpresumptie in de normering ervan kan vervullen, nauwelijks een aanvulling vormt op de normering die van artikel 8 EVRM reeds uitgaat. Artikel 8 EVRM omvat de eisen al die het onschuldvermoeden aan non-verbale bejegeningswijzen stellen kan. Het door de behandelingsdimensie voorgeschreven verbod op punitieve inbreuk op de rechten van een nog slechts verdachte ligt besloten in en is minder concreet dan de opsomming van de wel toelaatbare gronden voor inbreuk in artikel 8 lid 2 EVRM. Opvallend is wel dat volgens het Hof een legitiem doel zelden ontbreekt.13 Men zou verwachten dat in het licht van de onschuldpresumptie in elk geval vergeldend (of normbevestigend) bedoelde inbreuken verboden zijn. Het is nochtans denkbaar dat zich nooit een zaak heeft voorgedaan waarin de lidstaat voor het retributieve karakter van een privacy-inbreuk uitkwam.14 Dat bij de vraag of de inbreuk noodzakelijk is in een democratische samenleving de belangen van de verdachte niet mogen worden gebagatelliseerd met het oog op zijn vermoedelijke schuld, is wellicht zo vanzelfsprekend dat het EHRM het niet nodig vindt het toetsingskader met betrekking tot zulke inbreuken door middel van het onschuldvermoeden te compliceren.