Einde inhoudsopgave
De invloed van het EVRM op het ondernemingsrecht (IVOR nr. 91) 2012/4.2.4.2
4.2.4.2 Algemeen belang (the public interest-test)
mr. A.J.P. Schild, datum 06-11-2012
- Datum
06-11-2012
- Auteur
mr. A.J.P. Schild
- JCDI
JCDI:ADS386440:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 13 juni 1979, appl. nr. 6833/74 (Marckx t. België).
Vaste jurisprudentie sinds EHRM 21 februari 1986, appl. nr. 8793/79 (James e.a. t. Verenigd Koninkrijk). Zie bijv. EHRM 15 november 2005, J. A. Pye (Oxford) Ltd. t. Verenigd Koninkrijk, appl. nr. 44302/02, § 44. In EHRM 15 maart 2007, appl. nrs. 43278/98, 45437/ 99, 48014/99, 48380/99, 51362/99, 53367/99, 60036/00, 73465/01, en 194/02 (Velikovi e.a. t. Bulgarije) is overwogen (in § 169) dat in beginsel het oordeel van de wetgever wordt gevolgd over wat het in het algemeen belang is, “unless that judgment is manifestly without reasonable foundation. (…)”. Vergeleken met de Pye-uitspraak is het woordje ‘reasonable’ toegevoegd.
Zie bijvoorbeeld EHRM 19 juni 2001, appl. nr. 34049/96 (Zwierzynski t. Polen). Aan de orde was een geval waarin land was onteigend door de Poolse staat, onder toekenning van een vergoeding van de waarde. Nadat de hoogste administratieve rechter het besluit tot onteigening ongeldig had bevonden, werd verzoeker vervolgens door de civiele rechter het recht op zijn perceel onthouden. In deze context overwoog het EHRM (§ 72): “It cannot discern in the present case any genuine“public interest” that would justify a deprivation of possessions.”
Zie EHRM 14 februari 2012, appl. nr. 35430/05, EHRC 2012, 86 m.nt. Tjepkema (Tkachevy t. Rusland), met in de noot van Tjepkema een overzicht van de verdere jurisprudentie.
Zie bijv. EHRM 15 november 2005, appl. nr. 44302/02 (J.A. Pye (Oxford) Ltd. t. Verenigd Koninkrijk), §43: “The notion of “public interest” in the second sentence of the first paragraph is necessarily extensive. In particular the decision to enact property laws will commonly involve consideration of political, economic and social issues. The taking of property in pursuance of legitimate social, economic or other policies may be in the public interest even if the community at large has no direct use or enjoyment of the property.”
EHRM 22 september 1994, appl. nr. 13616/88 (Hentrich t. France) § 39, waarin werd betoogd dat het recht van de Franse fiscus om het huis te mogen kopen voor de verkoopprijs (met als doel overdrachtsbelastingontduiking te bestrijden) zo ruim was dat het niet geacht kon worden ‘in the public interest’ te zijn. Het EHRM verwierp dat beroep met de overweging dat: “The Court reiterates that the notion of “ public interest ” is necessarily extensive and that the States have a certain margin of appreciation to frame and organise their fiscal policies and make arrangements – such as the right of pre-emption – to ensure that taxes are paid. It recognises that the prevention of tax evasion is a legitimate objective which is in the public interest. It does not have to decide in the instant case whether the right of pre-emption could legitimately be designed also to regulate the property market.”
EHRM 29 april 1999, appl. nr. 25088/94, 28331/95 & 28443/95 (Chassagnou e.a. t. Frankrijk), § 89.
Een inmenging in het recht op een ongestoord genot van eigendom dient niet alleen te zijn voorzien bij wet, de inmenging dient ook noodzakelijk te zijn voor het algemene belang. In de eerste zaken waarin werd geklaagd over art. 1 EP huldigde het EHRM nog het standpunt dat de vraag of een bepaald doel als ‘van algemeen belang’ had te gelden, zich aan de beoordeling van het EHRM onttrok. De verdragsstaten werden door het EHRM beschouwd als de sole judges bij beoordeling van de vraag of een inbreuk noodzakelijk was in het algemeen belang.1
Inmiddels veroorlooft het EHRM zich iets meer ruimte. Bij de beoordeling van de vraag wat nodig is in het algemeen belang, refereert het EHRM zich in beginsel aan het oordeel van de nationale wetgever, tenzij dit oordeel zonder redelijke grond is.2 Alleen indien evident is dat het doel waarvoor inbreuk wordt gemaakt het algemeen belang niet kan dienen, wordt een klacht op dit onderdeel gegrond geacht.3 In de gevallen waarin het EHRM op deze grond de klacht toewijst is veelal sprake van (de schijn van) détournement de pouvoir.4 Voor het overige acht het EHRM de nationale autoriteiten beter in staat om te beoordelen wat nodig in het algemeen belang is.5 Het begrip public interest is aangemerkt als een begrip dat necessarily extensive is.6
Over de vraag in hoeverre het treffen van een bepaalde op een grondrecht inbreuk makende maatregel necessary is, in het licht van het algemene belang dat wordt nagestreefd heeft het EHRM in de Chassagnou e.a. t. Frankrijk uitspraak als volgt overwogen:7
“The Court reiterates that in assessing the necessity of a given measure a number of principles must be observed. The term “necessary” does not have the flexibility of such expressions as “useful” or “desirable”. In addition, pluralism, tolerance and broadmindedness are hallmarks of a “democratic society”. Although individual interests must on occasion be subordinated to those of a group, democracy does not simply mean that the views of a majority must always prevail: a balance must be achieved which ensures the fair and proper treatment of minorities and avoids any abuse of a dominant position. Lastly, any restriction imposed on a Convention right must be proportionate to the legitimate aim pursued (see the Young, James and Webster v. the United Kingdom judgment of 13 August 1981, Series A no. 44, p. 25, § 63).”
Bij het voorgaande kan nog worden aangetekend dat het de raison d ’être van de staat is, om het algemeen belang te dienen in al zijn handelen. Indien een daartoe gelegitimeerd orgaan een besluit neemt om een bepaald doel na te streven, betreft de controle op hetgeen wordt nagestreefd in een democratische rechtsorde in beginsel geen juridische maar een politieke vraag. Het EHRM zal zijn handen daaraan niet snel willen branden. Wel zal het EHRM bij beoordeling van de vraag of voldaan is aan het vereiste van een fair balance tussen het nagestreefde doel en de mate waarin inbreuk wordt gemaakt op een eigendomsrecht, de urgentie van het algemeen belang dat wordt nagestreefd met de inbreuk makende handeling mee kunnen wegen.