Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/IV.4.4
IV.4.4 Schorsing en ontslag in een gerechtelijke procedure
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242805:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 2:349a lid 2 BW. Dat onmiddellijke voorzieningen slechts tijdelijk van aard mogen zijn, volgt met zoveel woorden uit HR 19 oktober 2001, NJ 2002, 92 m.nt. Maeijer; JOR 2002/5 m.nt. Van den Ingh (Skygate).
Voor de volledigheid wijs ik nog op Hof Amsterdam (OK) 16 juni 2010, JOR 2010/229 m.nt. De Nijs Bik (Cascal). In deze zaak werd de Ondernemingskamer verzocht drie niet-uitvoerende bestuurders bij wege van onmiddellijke voorziening te schorsen. De Ondernemingskamer wees het verzoek af. Zij achtte geen termen aanwezig voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen.
Zie § IV.2.2.2.b. Zoals gezegd, kan de rechtbank een (uitvoerend) bestuurder van een failliete rechtspersoon een civielrechtelijk bestuursverbod opleggen. Is de bestuurder jegens wie een procedure tot het opleggen van een civielrechtelijk bestuursverbod loopt, tevens niet-uitvoerend bestuurder bij een andere vennootschap, dan kan de rechtbank hem als niet-uitvoerend bestuurder bij die andere vennootschap schorsen.
Kreileman & Bulten, Ondernemingsrecht 2016/109. Dat de term ‘beletsel’ voor ‘ontslag’ staat, leid ik af uit de wettekst en de parlementaire geschiedenis. Ik wijs bijvoorbeeld op art. 106c lid 3 Fw in combinatie met Kamerstukken II 2013/14, 34 011, 3, p. 28 (MvT) en Kamerstukken I 2015/16, 34 011, D, p. 2 (NMvA). In gelijke zin Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/255.
Idem Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/255; en Kreileman & Bulten, Ondernemingsrecht 2016/109.
De hiervoor besproken wettelijke regelingen vormen niet de enige mogelijkheden tot schorsing en ontslag van de niet-uitvoerende bestuurder. Zo komt de bevoegdheid tot schorsing en ontslag ook de Ondernemingskamer toe. Zij kan de nietuitvoerende bestuurder schorsen en ontslaan bij wijze van eindvoorziening in een enquêteprocedure, zo volgt uit art. 2:356 sub b BW. Schorsing van de niet-uitvoerende bestuurder kan overigens ook bij wijze van onmiddellijke voorziening geschieden, aangezien schorsing een tijdelijke maatregel is.1 Tot nog toe heeft de Ondernemingskamer deze bevoegdheden niet gebruikt.2
Tot slot is de rechtbank bevoegd de niet-uitvoerende bestuurder op verzoek van het openbaar ministerie of op vordering van de curator te schorsen wanneer jegens hem – in de hoedanigheid van bestuurder van een andere rechtspersoon – een procedure tot het opleggen van een civielrechtelijk bestuursverbod in de zin van art. 106a Fw loopt. Art. 106c lid 4 Fw biedt daar een grondslag voor.3 Deze schorsing geldt ten hoogste voor de duur van het geding, aldus art. 106c lid 5 Fw.
Legt de rechter de bestuurder uiteindelijk een bestuursverbod op, dan vormt dat op grond van art. 106b lid 2 Fw tevens een ‘beletsel’ voor de uitoefening van zijn functie als niet-uitvoerend bestuurder bij een andere vennootschap, tenzij de rechter anders bepaalt. Zoals ik eerder al met Bulten betoogde, meen ik dat ‘beletsel’ staat voor ontslag.4 Wordt de niet-uitvoerende bestuurder in hoedanigheid van bestuurder bij een andere rechtspersoon een bestuursverbod opgelegd, dan defungeert hij dus in beginsel ook als niet-uitvoerend bestuurder. Het bestuursverbod kan derhalve worden aangemerkt als een ‘rechterlijk ontslag’.5