Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/V.D.2
V.D.2. Wie handelt in de zin van art. 1:345 BW?
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS407164:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dit is anders als hij bijvoorbeeld nog de toestemming van de rechthebbende nodig heeft. Deze dient dan verleend te worden door de wettelijke vertegenwoordiger, die op zijn beurt weer machtiging van de kantonrechter nodig heeft op grond van art. 1:345 BW. Hoewel wij het in de basis met elkaar eens lijken te zijn, is mij toch niet duidelijk waarom PERRICK, De boedelnotaris en de bewindvoerder, WPNR (2006) 6672, p. 503 e.v. nog een onderscheid maakt of de 'achterman' minderjarig is of niet. Art. 3:183 lid 1 BW spreekt toch van'in andere gevallen' zijnde onder meer andere gevallen dan die waarbij een (testamentair) bewindvoerder als vertegenwoordiger optreedt in de zin van lid 1.Wellicht gaan wijuit van een andere interpretatie van de woorden 'dan wel'. Over de kwestie 'Huijgen' is Perrick in zijn bijdrage overigens zeer stellig: 'Er kan naar mijn overtuiging geen enkele twijfel bestaan dat een bewindvoerder aan wie de bevoegdheid om de verdeling zelfstandig tot stand te brengen, is toegekend, deze verdeling rechtsgeldig zonder toestemming van de rechthebbende(n) of machtiging van de kantonrechter, tot stand kan brengen.'
BGH NJW 1971, 1805, 1807, MAYER/BONEFELD/WALZHOLZ/WEIDLICH, Testa-ments-vollstreckung, Angelbachtal: Zerb 2005, p. 199.
Vraag- en antwoordspel KNB, De meest gestelde vragen over het nieuwe erfrecht, deel 5(2003), vraag nr. 6.
Alvorens ik specifiek in ga op de vraag of bij een verdeling door een afwikkelingsbewindvoerder voor de rechter een goedkeurende rol is weggelegd, eerst een voorvraag.
Hoe verhoudt de regeling van art. 1:345 lid 1 letter a BW zich tot art. 4:171 BW met betrekking tot beschikkingshandelingen in het algemeen door de testamentair bewindvoerder over het vermogen van de minderjarige dat onder de klem van het testamentair bewind valt? Hierover kan ik kort zijn. Art. 1:345 lid1 letter a BW is niet van toepassing, omdat het niet de wettelijk vertegenwoordiger is in de zin van deze regeling die handelt, doch de testamentair bewindvoerder die beschikt. En die heeft zijn eigen spelregels waaraan hij zich moet houden, zijnde met name aan hetgeen erflater op grond van art. 4:171 BW testamentair gekneedheeft.1 In het Duitse recht is overigens ook uitdrukkelijk door het Bundesgerichtshof beslist dat er geen 'familien-oder vormundschaftsgerichtlichen Genehmigung in de zin van § 1821 BGB', het zusje van ons artikel 1:345 BW, nodig is als deTestamentsvollstrecker optreedt. Dit omdat de wettelijk vertegenwoordiger zelf niet aan handelen toe-komt.2 Dezelfde filosofie zien wij derhalve hier terug. In het verlengde hiervan merk ik op dat het Notarieel Juridisch Bureau van de KNB 3het standpunt inneemt dat art. 1:345 BWook niet van toepassing is voor de executeur die handelt op grond van art. 4:147 BW. Ook hier ligt dezelfde gedachte als door het Bundesgerichtshof uitgedragen aan ten grondslag. Het is de executeur die onder omstandigheden bevoegd is de betreffende minderjarige erfgenamen te vertegenwoordigen, waardoor men in beginsel niet meer aan de wettelijk vertegenwoordiger toekomt. Een visie die ik van harte onderschrijf.