Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/6.2.2
6.2.2 Moment van betrokkenheid
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zo ook de Algemene Rekenkamer: Kamerstukken II 2013/14, 33 670, nr. 2, p. 2 (Input voor het rondetafelgesprek modernisering Comptabiliteitswet).
Voorlichting Raad van State 2013, p. 14. Het kabinet is echter niet van mening dat de politieke besluitvorming naar het voorjaar verschuift, Kamerstukken II 2012/13, 33 551, nr. 1, p. 10 (Staat van de Europese Unie 2013).
Handelingen I 2012/13, nr. 18. De vaste commissie voor de Rijksuitgaven in de Tweede Kamer oordeelt in haar rapport in ieder geval dat er ‘absoluut’ geen noodzaak is voor het verplaatsen van Prinsjesdag of de algemene politieke of financiële beschouwingen naar het voorjaar, Rapport commissie voor de Rijksuitgaven 2014, p. 21.
Dit volgt uit het beginsel van periodiciteit. Zie paragraaf 3.2.4.
Uitgangspunt van het Europees Semester is dat de besluitvorming uit het Europees Semester wordt meegenomen bij de formulering van de concrete begrotingsplannen in het nationaal semester. De nationale voorjaarsrapportages zijn gebaseerd op de jaarlijkse groeianalyse, het waarschuwingsmechanismeverslag, de aanbevelingen voor de eurozone, de economische prioriteiten en het landrapport. Deze rapportages worden vervolgens geëvalueerd in het kader van deze analyses, prioriteiten en aanbevelingen van de (Europese) Raad en de Commissie, op grond waarvan de Commissie en de Raad aanbevelingen doen, waarmee rekening moet worden gehouden bij het opstellen van de ontwerpbegroting. Dit betekent dat de besluitvorming in het voorjaar, in het kader van het Europees Semester, van belang is voor de besluitvorming over de ontwerpbegroting in het najaar. Wanneer het parlement pas betrokken is bij de besluitvorming over de begroting in de fase van de implementatie van de in het Europees Semester gemaakte afspraken in de ontwerpbegroting in het najaar, kan het parlement nog maar beperkt invloed uitoefenen op dat beleid.1 Betrokkenheid bij de besluitvorming over de begroting(splannen) in het voorjaar is in het licht van het budgetrecht dan ook van belang.
De Raad van State constateert in zijn voorlichting aan de Eerste Kamer over de democratische betrokkenheid bij het Europees economisch bestuur dat de politieke besluitvorming in toenemende mate naar het voorjaar verschuift.2 In het parlement is vervolgens de vraag opgeworpen of deze constatering betekenis heeft voor Prinsjesdag en of Prinsjesdag naar voren zou moeten worden geschoven.3
Dat de politieke besluitvorming over de begroting in toenemende mate naar het voorjaar verschuift betekent niet dat de betekenis van de presentatie van de begrotingsvoorstellen op Prinsjesdag afneemt. Dit moment in het najaar blijft van belang omdat de regering in de ontwerpbegroting voor het eerst haar uitgewerkte begrotingsplannen tegelijkertijd met de Miljoenennota presenteert. In de Miljoenennota en de ontwerpbegrotingen worden de begrotingsplannen uit het Stabiliteitsprogramma concreet uitgewerkt aan de hand van de meest actuele cijfers.4 Bij de opstelling van de begroting dient immers gebruik te worden gemaakt van de meest recente cijfers. Hiermee kan een actueel en integraal beeld worden gegeven van de begroting, wat de controle door het parlement ten goede komt. Daarnaast zijn de uitgewerkte begrotingsplannen in het najaar het uitgangspunt voor de formele besluitvorming over de begroting. Het verplaatsen van Prinsjesdag naar het voorjaar zou overigens betekenen dat de ontwerpbegroting al in het eerste semester zou moeten worden opgesteld. Niet alleen is dit niet in overeenstemming met het beginsel dat de begroting moet worden opgesteld aan de hand van de meest recente cijfers, maar ook komt dit niet overeen met de uitgangspunten van het Europees Semester en de Europese tijdlijn. Nederland dient namelijk in oktober haar Ontwerpbegrotingsplan aan de Commissie te sturen en haar ontwerpbegrotingen openbaar te maken.