Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/8.3.2.2
8.3.2.2 Cammer- en Krogman-factoren in de rechtspraak
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655937:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor dit onderscheid onder meer Hartzmark, Schipani & Seyhun 2011, p. 663-666.
Zie over deze factor in de Nederlandse literatuur reeds De Jong 2010, p. 233.
Cammer v. Bloom 711 F. Supp. 1264, 1286 (D.N.J. 1989); O’Neil v. Appel, 165 F.R.D. 479, 501 (W.D.Mich. 1996); Serfaty v. Int’l Automated Systems, 180 F.R.D. 418, 421 (D.Utah 1998); Krogman v. Sterritt, 202 F. R.D. 467, 474 (N.D. Tex. 2001); In re Xcelera.com Securities Litigation 430 F.3d 503, 514 (1st Cir. 2005); In re Polymedica Securities Litigation 453 F. Supp. 2d 260, 266-267 (D. Mass. 2006).
Cammer v. Bloom 711 F. Supp. 1264, 1286 (D.N.J. 1989); In re Polymedica Securities Litigation 453 F. Supp. 2d 260, 266-267 (D. Mass. 2006).
Zie over deze factor in de Nederlandse literatuur reeds De Jong 2010, p. 233-234.
Cammer v. Bloom 711 F. Supp. 1264, 1286 (D.N.J. 1989); O’Neil v. Appel, 165 F.R.D. 479, 501 (W.D.Mich. 1996); Serfaty v. Int’l Automated Systems, 180 F.R.D. 418, 422 (D.Utah 1998); Krogman v. Sterritt, 202 F. R.D. 467, 475 (N.D. Tex. 2001); In re Xcelera.com Securities Litigation 430 F.3d 503, 514-515 (1st Cir. 2005); In re Polymedica Securities Litigation 453 F. Supp. 2d 260, 267 (D. Mass. 2006).
Ik benadruk dat het van groot van belang is om niet alleen te kijken naar de mate waarin op meer traditionele wijze over het litigieuze aandeel wordt gerapporteerd (waarbij natuurlijk in de eerste plaats kan worden gedacht aan officiële analistenrapporten), maar ook – en misschien wel vooral – naar de mate waarin het aandeel wordt geanalyseerd en daarover wordt gerapporteerd op (serieuze) online-beleggersfora, en/of naar de mate waarin over het aandeel wordt gediscussieerd via de social media. Zie over dit aspect onder meer Brooks & Hu 2013.
Zoals uitgelegd in § 2.2.2, zijn arbitrageurs professionele beleggers die door middel van het aan- of verkopen van effecten door hen opgespoorde marktinefficiënties proberen uit te winnen. Zie over (de werkzaamheden van) arbitrageurs onder meer de uitspraken In re PolyMedica Securities Litigation, 432 F.3d 1, 10 (1st Cir. 2005); In re Xcelera.com Securities Litigation 430 F.3d 503, 516 (1st Cir. 2005); In re Polymedica Securities Litigation 453 F. Supp. 2d 260, 273 (D. Mass. 2006).
Zie ook Barber, Griffin & Lev 1994, p. 291.
Cammer v. Bloom 711 F. Supp. 1264, 1286-1287 (D.N.J. 1989); Serfaty v. Int’l Automated Systems, 180 F.R.D. 418, 422 (D.Utah 1998); Krogman v. Sterritt, 202 F.R.D. 467, 476 (N.D. Tex. 2001); In re Xcelera.com Securities Litigation 430 F.3d 503, 515-516 (1st Cir. 2005); Cheney v. Cyberguard Corporation, 213 F.R.D. 484, 500 (S.D.Fla. 2003); In re Polymedica Securities Litigation 453 F. Supp. 2d 260, 267-268 (D. Mass. 2006).
O’Neil v. Appel, 165 F.R.D. 479, 501-502 (W.D.Mich. 1996); In re Xcelera.com Securities Litigation 430 F.3d 503, 516 (1st Cir. 2005); In re PolyMedica Securities Litigation, 432 F.3d 1, 10 (1st Cir. 2005).
Zie onder meer de uitspraken O’Neil v. Appel, 165 F.R.D. 479, 502 (W.D.Mich. 1996); Serfaty v. Int’l Automated Systems, 180 F.R.D. 418, 422 (D.Utah 1998); Griffin v. GK Intelligent Systems, 196 F.R.D. 298, 304 (S.D. Tex. 2000); In re Polymedica Securities Litigation 453 F. Supp. 2d 260, 268 (D. Mass. 2006); Bennett v. Sprint Nextel Corp., 298 F.R.D. 498, 508-509 (D. Kan. 2014); Unger v. Amedisys Inc., 401 F.3d 316, 324 (5th Cir. 2005); Bell v. Ascendant 422 F.3d 307, 315 (5th Cir. 2005).
Zie in dit verband ook de uitspraak Teamsters Local 445 Freight Division Pension Fund v. Bombardier Inc., 546 F.3d 196, 206 (2d Cir. 2008) waarin wordt gerefeerd aan de door de SEC gehanteerde definitie van market makers: ‘We begin with the SEC’s definition of a “market maker” as a dealer who, with respect to a particular security, (i) regularly publishes bona fide, competitive bid and offer quotations in a recognized interdealer quotation system; or (ii) furnishes bona fide competitive bid and offer quotations on request; and, (iii) is ready, willing and able to effect transactions in reasonable quantities at his quoted prices with other brokers or dealers.’
Zie voor de bevoegdheid tot Form S-3 Registration 17 C.F.R § 239.13.
Cammer v. Bloom 711 F. Supp. 1264, 1287 (D.N.J. 1989); O’Neil v. Appel, 165 F.R.D. 479, 502 (W.D.Mich. 1996); Serfaty v. Int’l Automated Systems, 180 F.R.D. 418, 422 (D.Utah 1998); Krogman v. Sterritt, 202 F. R.D. 467, 476 (N.D. Tex. 2001); Griffin v. GK Intelligent Systems, 196 F. R.D. 298, 304 (S.D. Tex. 2000); In re Polymedica Securities Litigation 453 F. Supp. 2d 260, 268 (D. Mass. 2006).
Zie 17 C.F.R § 239.13.
O’Neil v. Appel, 165 F.R.D. 479, 503 (W.D.Mich. 1996); Krogman v. Sterritt, 202 F.R.D. 467, 478 (N.D. Tex. 2001).
Vgl. Cammer v. Bloom 711 F. Supp. 1264, 1287 (D.N.J. 1989).
Vgl. Krogman v. Sterritt, 202 F.R.D. 467, 478 (N.D. Tex. 2001).
Zie over de bid-ask spread in de financieel-econom(etri)sche literatuur onder meer Campbell, Lo & MacKinlay 1997, p. 99-107.
Vgl. Barber, Griffin & Lev 1994, p. 291-292.
Krogman v. Sterritt, 202 F.R.D. 467, 478 (N.D. Tex. 2001).
De term is ontleend aan Hong & Stein 1999.
Vgl. Barber, Griffin & Lev 1994, p. 292.
Vgl. Local 703, I.B. of T. Grocery and Food Employees Welfare Fund v. Regions Financial Corp., 762 F.3d 1248, 1258 (11th Cir. 2014); In re Enron Corp. Sec., Derivative & ERISA Litigation, 529 F. Supp. 2d 644, 750 (S.D.Tex. 2006).
Daarnaast zal het in het algemeen zo zijn dat naarmate een groter deel van de public float wordt gehouden door institutionele beleggers, er voor short sellers meer aandelen beschikbaar zullen zijn om te lenen en deze vervolgens (short) te verkopen. Een groter percentage aandelen gehouden door institutionele beleggers werkt daarmee bevorderend voor (de werking van) het arbitrageproces, hetgeen de markefficiëntie eveneens ten goede komt. Zie in dit verband ook Boettrich 2013, p. 16-17 onder verwijzing naar Asquith, Pathak & Ritter 2005, p. 243-276.
Zie de hierboven sub 6 besproken operationele factor ‘public float’.
In de Freddie Mac-uitspraak wordt dit als volgt verwoord: ‘(…) evidence of a cause-and-effect relationship between unexpected news and market price (…) is (…) the sine qua non of efficiency’, Freddie Mac Securities Litigation, 281 F.R.D. 174, 182 (S.D.N.Y. 2012). Zie over deze koersgerelateerde factor verder onder meer de volgende uitspraken: Cammer v. Bloom 711 F. Supp. 1264, 1287 (D.N.J. 1989); O’Neil v. Appel, 165 F.R.D. 479, 502 (W.D.Mich. 1996); Krogman v. Sterritt, 202 F.R.D. 467, 477 (N.D. Tex. 2001); In re Lehocky v. Tidel Technologies, Inc., 220 F.R.D. 491, 506-508 (S.D. Tex. 2004); In re Polymedica Securities Litigation 453 F. Supp.2d 260, 269-270 (D. Mass. 2006); In re Xcelera.com Securities Litigation 430 F.3d 503, 512-514 (1st Cir. 2005); In re DVI, Inc. Securities Litigation, 639 F.3d 623, 634-635 (3d Cir. 2011); Bell v. Ascendant 422 F.3d 307, 316 (5th Cir. 2005); Unger v. Amedisys Inc., 401 F.3d 316, 325 (5th Cir. 2005).
En zie over de vraag hoe de operationele factoren zich verhouden tot deze koersgerelateerde factor bij het beantwoorden van de vraag of aan het vereiste van marktefficiëntie is voldaan, onder meer de uitspraken Waggoner v. Barclays PLC, 875 F.3d 79, 97-99 (2d Cir. 2017) (het certiorari-verzoek tegen deze uitspraak is afgewezen, zie 138 S. Ct. 1702 (2018)); In re Petrobras Securities Litigation, 862 F.3d 250, 276-279 (2d Cir. 2017); Carpenters Pension Trust Fund of St. Louis v. Barclays PLC, 310 F.R.D. 69, 82-86 (S.D.N.Y. 2015); Första AP-Fonden v. St. Jude Medical, Inc., 312 F.R.D. 511, 520-522 (D. Minn. 2015).
Zie hierover ook De Jong 2010, p. 235.
Aldus Cammer v. Bloom 711 F. Supp. 1264, 1287 (D.N.J. 1989); In re Xcelera.com Securities Litigation 430 F.3d 503, 512-514 (1st Cir. 2005); Teamsters Local 445 Freight Division Pension Fund v. Bombardier Inc., 546 F.3d 196, 207 (2d Cir. 2008).
Vgl. Krogman v. Sterritt, 202 F.R.D. 467, 477 (N.D. Tex. 2001).
Met ‘abnormaal rendement’ wordt hier bedoeld het geobserveerde rendement gecorrigeerd voor het effect van markt- en/of sectorspecifieke factoren.
Dit lijkt door de Third Circuit enigszins te worden veronachtzaamd, aangezien dit circuit in het kader van materiality eist dat naar aanleiding van het bekend worden van de misleiding een (significante) koersreactie wordt gemeten (zie hierover § 3.5.3.1). Verder lijkt de Second Circuit in het kader van (het bewijs van) marktefficiëntie te eisen dat komt vast te staan dat naar aanleiding van de corrigerende mededeling een (significante) koersreactie wordt gemeten, zie de uitspraak Teamsters Local 445 Freight Division Pension Fund v. Bombardier Inc., 546 F.3d 196, 210 (2d Cir. 2008).
Zie § 3.5.3.1.
Zie in dit verband Gariety v. Grant Thornton, 368 F.3d 356, 368 (4th Cir. 2004); Bell v. Ascendant 422 F.3d 307, 316 (5th Cir. 2005).
Een tijdreeks is niets anders dan een serie data die volgens het verloop van de tijd zijn geordend. Tijdreeksanalyse is het via statistische methoden analyseren van tijdreeksdata om te kijken of de desbetreffende tijdreeks bepaalde statistische kenmerken bevat.
Zie in dit verband onder meer de uitspraken In re Lehocky v. Tidel Technologies, Inc., 220 F.R.D. 491, 506-507 (S.D. Tex. 2004); In re Polymedica Securities Litigation 453 F. Supp. 2d 260, 276-277 (D. Mass. 2006); In re REMEC Inc. Securities Litigation, 702 F. Supp. 2d 1202, 1274-1275 (S.D. Cal. 2010); Carpenters Pension Trust Fund of St. Louis v. Barclays PLC, 310 F.R.D. 69, 93 (S.D.N.Y. 2015). Zie hierover ook Hartzmark, Schipani & Seyhun 2011, p. 666.
Zie echter kritisch over de rechtspraak waarin een autocorrelatietest wordt uitgevoerd om te testen of de markt waarop de litigieuze effecten worden verhandeld al dan niet efficiënt is Hu & Marcus 2012; Isaacson 2015, p. 965-966. Zie in dit verband ook de kritiek in de empirische studie van Bhattacharya & O’Brien 2015, p.667. En zie voor kritiek op Hu & Marcus 2012 het betoog van Bajaj, Mazumdar & McLaughlin 2014, p. 198-199, voetnoot 77.
Zie in dit verband ook reeds § 2.2.3.
De variantie is een statistische grootheid die de spreiding van een variabele rond zijn gemiddelde meet.
Vgl. Barber, Griffin & Lev 1994, p. 291-292 en Ferrillo, Dunbar & Tabak 2004, p. 118.
De Cammer- en Krogman-factoren kunnen worden onderscheiden in enerzijds operationele factoren en anderzijds koersgerelateerde factoren.1 Beide categorieën behandel ik achtereenvolgens.
a. Operationele factoren
1. Handelsvolume
De eerste relevante factor voor het beoordelen van de marktefficiëntie is het gemiddelde wekelijkse handelsvolume gemeten over het tijdvak van de misleiding (uitgedrukt in een percentage van het totaal aantal uitstaande aandelen).2 Een groot handelsvolume betekent dat er veel in het litigieuze aandeel wordt gehandeld, en dat er veel belangstelling voor het aandeel bestaat.3 Deze belangstelling maakt het op haar beurt aannemelijk dat veel beleggers handelen op basis van nieuw beschikbare informatie. Dat duidt op een grote mate van marktefficiëntie. In de rechtspraak is geoordeeld dat een gemiddeld wekelijks handelsvolume van 1 à 2 procent van het totaal aantal uitstaande aandelen het vermoeden rechtvaardigt van (het bestaan van) een efficiënte markt.4
2. Aantal analisten
De tweede relevante factor is het aantal analisten dat het litigieuze aandeel volgt en dat daarover rapporteert.5 In het algemeen geldt dat hoe meer analisten het aandeel volgen, hoe groter de kans dat het beleggende publiek (indirect) zal afgaan op de informatie die door de vennootschap wordt gepubliceerd.6,7 De aanwezigheid van een groot aantal analisten betekent namelijk dat deze informatie door een groot aantal (veelal professionele) marktpartijen nauwlettend in de gaten wordt gehouden en wordt geanalyseerd. Deze marktpartijen verwerken die informatie vervolgens in hun aan- en verkoopadviezen aan cliënten. Op deze wijze wordt nieuwe informatie op korte termijn in de beurskoers verwerkt, hetgeen de marktefficiëntie ten goede komt.
3. Aantal market makers en aantal arbitrageurs
Een volgende factor die van belang is voor de marktefficiëntie, is het aantal market makers en het aantal arbitrageurs dat actief in het litigieuze aandeel handelt.8 Market makers zijn professionele tussenpersonen die zich opwerpen als tegenpartij voor marktpartijen die willen kopen of verkopen. Hun dienstverlening bestaat primair uit het verschaffen van liquiditeit. Aangezien market makers de vraag- en aanbodcondities omtrent het litigieuze aandeel (de zogenoemde ‘order flow’) nauwlettend in de gaten houden, worden zij doorgaans meteen ‘gealarmeerd’ wanneer nieuwe informatie over het aandeel bekend wordt.9 Zij zullen hierop meteen hun bied- en laatprijzen aanpassen, waardoor – via de zogenoemde ‘bid-ask spread’ (zie hieronder sub 7) – de nieuwe informatie op korte termijn in de beurskoers zal worden verwerkt. In algemene zin geldt dat hoe meer market makers in het aandeel actief zijn, hoe sneller (en efficiënter) de markt over nieuw beschikbare informatie zal worden ‘gealarmeerd’, en dus ook hoe sneller de informatie door de koers zal worden geabsorbeerd.10 Ook voor arbitrageurs geldt zij dat alle informatie die over het litigieuze aandeel wordt gepubliceerd, nauwlettend in de gaten houden, en dat zodra nieuwe informatie beschikbaar komt, zij hierop meteen zullen gaan handelen.11 De beurskoers zal zich hierdoor meteen naar de nieuwe informatie richten, hetgeen bijdraagt aan een grotere mate van marktefficiëntie. Wederom kan in algemene zin worden gesteld dat hoe meer arbitrageurs in het aandeel actief zijn, des te sneller nieuwe informatie in de koers wordt verwerkt.
Overigens is in latere uitspraken het belang van de factor ‘aantal market makers’ genuanceerd.12 In deze uitspraken werd geoordeeld dat louter het aantal market makers dat in het litigieuze aandeel actief is, op zichzelf niet indicatief hoeft te zijn voor de mate waarin de desbetreffende markt efficiënt kan worden geacht. Waar het om gaat, is dat deze market makers daadwerkelijk bereid zijn om een substantieel aantal aan- en verkooptransacties aan te gaan tegen de door hen afgegeven bied- en laatprijzen.13 Zij moeten met andere woorden daadwerkelijk (bereid zijn om) een bijdrage te leveren aan het vergroten van de liquiditeit van de markt. De factor ‘aantal market makers’ mag daarom alleen in de marktefficiëntie-analyse worden betrokken, wanneer aan de laatstgenoemde eis is voldaan.
4. Bevoegdheid van de vennootschap om een Form S-3 Registration Statement in te dienen
De vierde factor is de bevoegdheid van de vennootschap om een zogenoemde ‘Form S-3 Registration Statement’ te mogen indienen bij de SEC. Form S-3 is een verkort prospectus waarmee een vennootschap die reeds een beursnotering heeft onder omstandigheden mag volstaan bij een nieuwe uitgifte van effecten.14 De reden dat een daarvoor in aanmerking komende vennootschap met zo’n verkort prospectus mag volstaan, is dat de door haar uitgegeven effecten reeds op een open en ontwikkelde markt (lees: efficiënte markt) worden verhandeld, zodat het niet nodig wordt geacht om bij een nieuwe uitgifte het beleggende publiek van uitgebreide informatie te voorzien.15 Om voor de bevoegdheid tot Form S-3 Registration in aanmerking te komen, moet aan twee voorwaarden zijn voldaan.16 Ten eerste moet de vennootschap een marktkapitalisatie hebben van meer dan 75 miljoen dollar. Daarnaast moet zij over een aaneengesloten periode van ten minste twaalf maanden verslagen hebben ingediend bij de SEC. De effecten uitgegeven door een vennootschap die aan deze voorwaarden voldoet, zullen naar verwachting op grote schaal worden verhandeld en door een groot publiek actief worden gevolgd, en daarmee is de bevoegdheid tot Form S-3 Registration een belangrijke indicator voor het bestaan van een efficiënte markt.
5. Marktkapitalisatie
De vijfde factor die van belang is voor de marktefficiëntie, is de marktkapitalisatie van de vennootschap (deze kan worden berekend door het aantal uitstaande aandelen te vermenigvuldigen met de actuele beurskoers). Deze factor is van belang, omdat de marktkapitalisatie een maatstaf vormt voor de mate waarin er voor marktpartijen financiële prikkels (‘economic incentives’) bestaan om marktinefficiënties in het litigieuze aandeel op te sporen en om deze vervolgens uit te winnen.17 Bij een hoge marktkapitalisatie zal de ‘pay off’ van iedere euro die wordt gespendeerd aan marktonderzoek immers groter zijn dan bij een lage marktkapitalisatie. In het algemeen geldt dat hoe groter de marktkapitalisatie, des te meer zal worden geïnvesteerd in het opsporen van marktinefficiënties, des te meer marktinefficiënties naar verwachting zullen worden gevonden (en vervolgens uitgewonnen), en dus hoe efficiënter de markt. Overigens kan men zich wel afvragen of aan de hiervoor genoemde factor ‘bevoegdheid tot Form S-3 Registration’ naast de factor ‘marktkapitalisatie’ nog wel zelfstandige betekenis toekomt. De bevoegdheid van een vennootschap om een Form S-3 Registration Statement te mogen indienen is immers mede afhankelijk van haar marktkapitalisatie, zodat beide factoren nauw samenhangen.18
6. ‘Public float’ (versus percentage aandelen gehouden door ‘insiders’)
De volgende relevante factor is het percentage aandelen dat daadwerkelijk vrij verhandelbaar is op de beurs (de ‘public float’ of ‘free float). Dit percentage moet worden bezien in relatie tot het percentage aandelen dat wordt gehouden door insiders. In het algemeen geldt dat hoe groter de public float, des te meer er door beleggers zal worden gehandeld op basis van publiek beschikbare informatie, en dus hoe groter (naar verwachting) de (mate van) marktefficiëntie.19 Omgekeerd geldt dat hoe hoger het percentage aandelen dat wordt gehouden door insiders, des te minder zal worden gehandeld op basis van publiek beschikbare informatie, en dus hoe kleiner naar verwachting de (mate van) marktefficiëntie. In dit laatste geval zal relatief veel inside information aan het beleggende publiek worden onthouden.
7. Breedte van de ‘bid-ask spread’
De zevende factor is de breedte van de zogenoemde ‘bid-ask spread’.20 De bid-ask spread is het verschil tussen enerzijds de koers waartegen market makers bereid zijn aandelen te kopen (de ‘biedkoers’) en anderzijds de koers waartegen zij bereid zij aandelen te verkopen (de ‘laatkoers’). De bid-ask spread is om twee redenen – die overigens in elkaars verlengde liggen – van belang voor de marktefficiëntie.21 In de eerste plaats vormt de bid-ask spread een maatstaf voor de mate van informatieasymmetrie in een bepaalde markt. Met informatieasymmetrie bedoel ik dat de informatie die over het desbetreffende aandeel beschikbaar is, niet in gelijke mate over het beleggende publiek is verdeeld, zodat de ene groep beleggers over meer informatie beschikt dan de andere groep. Wanneer informatieasymmetrie in een bepaalde markt toeneemt, bete kent dit dat minder informatie omtrent het desbetreffende aandeel publiekelijk (in zin van: voor iedereen) beschikbaar is, waardoor naar verwachting minder informatie in de koers wordt verwerkt. In de tweede plaats is de bid-ask spread een maatstaf voor de mate van liquiditeit van het litigieuze aandeel, en daarmee voor de kosten om in het aandeel te handelen.22 Bij een toenemende bid-ask spread is het minder aantrekkelijk om in het aandeel te handelen, waardoor het wederom zo is dat minder informatie in de koers wordt verwerkt. Voor de twee genoemde elementen geldt in algemene zin dat hoe groter de informatieasymmetrie en hoe kleiner de liquiditeit, hoe minder efficiënt de markt naar verwachting zal zijn.
8. Percentage aandelen gehouden door institutionele beleggers
De achtste en laatste operationele factor is het percentage aandelen dat wordt gehouden door institutionele beleggers. Institutionele beleggers zijn doorgaans fanatieke ‘newswatchers’.23 Daarmee bedoel ik dat zij alle informatie die beschikbaar komt over aandelen die zij in hun portefeuille houden of die zij overwegen daaraan toe te voegen, nauwlettend in de gaten houden.24 De verkregen informatie wordt meestal ook grondig geanalyseerd, en daarmee leveren institutionele beleggers een belangrijke bijdrage aan de marktefficiëntie. In het algemeen geldt dat hoe meer door institutionele beleggers in het litigieuze aandeel wordt gehandeld, des te groter (naar verwachting) de marktefficiëntie.25,26 Het percentage aandelen gehouden door institutionele beleggers houdt overigens ook op een meer indirecte wijze nog verband met de marktefficiëntie. Een groter percentage aandelen dat wordt gehouden door institutionele beleggers, betekent doorgaans namelijk een grotere public float en een kleiner percentage aandelen dat wordt gehouden door insiders.27
b. Koersgerelateerde factoren
1. (Snelheid van de) koersreactie naar aanleiding van de publicatie van nieuwe (en onverwachte) informatie
De belangrijkste koersgerelateerde factor voor het beoordelen van marktefficiëntie is het bestaan van een structurele oorzaak-gevolgrelatie (‘cause and effect relationship’) tussen enerzijds de publicatie van onverwacht bedrijfsspecifiek nieuws en anderzijds een daaruit voortvloeiende (onmiddellijke) reactie van de beurskoers.28,29 Kan een dergelijke structurele relatie worden aangetoond, dan is dat een zwaarwegend argument om aan te nemen dat inderdaad sprake is van een efficiënte markt.30 Het snel reageren van de beurskoers op nieuwe (en onverwachte) informatie, is immers de essentie van de efficiënte markthypothese.31 Het bestaan van een oorzaak-gevolgrelatie tussen nieuws en koersreactie is overigens niet het enige kenmerk waarmee een efficiënte markt kan worden gekarakteriseerd.32 De keerzijde van dit kenmerk is dat in principe geen (abnormaal) rendement wordt gemeten als geen sprake is van nieuws.33 Worden op een bepaalde markt dus zowel op nieuwsdagen als op dagen waarop geen nieuws wordt gepubliceerd abnormale rendementen gemeten, dan moet ernstig aan de efficiëntie van deze markt worden getwijfeld.
Ik benadruk dat bij het antwoord op de vraag of sprake is van de hier bedoelde structurele oorzaak-gevolgrelatie, niet louter mag worden gekeken naar de koersreactie die wordt gemeten naar aanleiding van de mededeling die de eerdere misleiding corrigeert. Zo is het enerzijds goed mogelijk dat de markt waarop de litigieuze effecten worden verhandeld wel efficiënt is, maar dat – desondanks – op het moment van de corrigerende mededeling toch geen koersreactie wordt gemeten.34 Voor mogelijke verklaringen van dit fenomeen verwijs ik naar mijn commentaar op de benadering van de Third Circuit van het materiality-vereiste.35 En zo is het anderzijds ook goed mogelijk dat de desbetreffende markt niet efficiënt is, maar dat – desondanks – op het moment van de corrigerende mededeling toch ‘gewoon’ een koersreactie wordt gemeten.36 Ook op een relatief inefficiënte markt is het immers goed denkbaar dat de koers binnen kort tijdbestek zal reageren op berichtgeving over mogelijke fraude. Of al dan niet sprake is van een koersreactie naar aanleiding van de corrigerende mededeling, is daarom niet meer dan slechts een gezichtspunt bij het antwoord op de vraag of is voldaan aan het vereiste van een structurele oorzaak-gevolgrelatie tussen de publicatie van nieuws en een daaruit (onmiddellijk) voortvloeiende koersreactie. In § 8.3.2.3 sub b bespreek ik een methodologie waarmee kan worden getoetst of aan dit vereiste is voldaan.
2. Statistische kenmerken op basis van tijdreeksanalyse
Een andere belangrijke koersgerelateerde factor is het antwoord op de vraag of in de tijdreeks37 van aandelenkoersen en/of aandelenrendementen bepaalde statistische patronen zijn te ontdekken. Een voor de hand liggende test om in dit verband uit te voeren is de zogenoemde ‘autocorrelatietest’ (ook wel genoemd ‘seriële correlatietest’).38 Aan de hand van deze test kan worden getoetst – het woord zegt het eigenlijk al – of de tijdreeks van dagelijkse aandelenrendementen zogenoemde ‘autocorrelatie’ bevat. Autocorrelatie (of seriële correlatie) is een maatstaf voor de (statistische) relatie tussen het aandelenrendement op tijdstip t en het rendement op datzelfde aandeel op tijdstip t-i, waarbij t-i staat voor een bepaald tijdstip in het verleden, en i refereert aan de orde van de correlatie die wordt onderzocht. Er is sprake van zogenoemde ‘eerste orde autocorrelatie’ als er een statistisch significant verband bestaat tussen het aandelenrendement van gisteren en het aandelenrendement van vandaag. Men zou dit ook aldus kunnen zien dat de aandelenkoers van gisteren voorspellende waarde heeft voor de aandelenkoers van vandaag. Op een efficiënte markt zou de tijdreeks van aandelenrendementen in principe geen enkele autocorrelatie mogen bevatten.39 Op een efficiënte markt wordt nieuwe informatie immers zodanig snel in de koers verwerkt, dat de koers van vandaag geen enkele voorspellende waarde heeft voor de koers van morgen (of voor de koers van overmorgen, etc.).40 De koers op een efficiënte markt volgt met andere woorden een ‘random walk’.
Een andere test die in het kader van de tijdreeksanalyse van aandelenrendementen in de praktijk nogal eens wordt uitgevoerd, is de zogenoemde ‘variance of returns test’. Aan de hand van deze test kan worden onderzocht of de tijdreeks van varianties van (abnormale) aandelenrendementen – bekeken over het tijdvak van de misleiding – bepaalde statistische kenmerken bevat.41 Worden dergelijke kenmerken inderdaad gevonden, dan is dat op zichzelf een indicatie voor marktinefficiëntie.42 Op een efficiënte markt zou historische koersinformatie in principe immers geen enkele voorspellende waarde mogen hebben voor de variantie van het aandelenrendement van vandaag.