Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.7.3:4.7.3 Het eigendomsrecht van het afgescheiden bestanddeel
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.7.3
4.7.3 Het eigendomsrecht van het afgescheiden bestanddeel
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644854:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover: Jansen, GrOM/2012, p. 69-88.
Wichers (2002), p. 273 en 320; Spath, AA 2004/02, p. 94; Snijders & Rank-Berenschot (2017), p. 33; Schuijling (2016), p. 111.
Booms, NTBR 2015/44; Suijling V (1940), p. 241-242.
Spath, AA 2004/02, p. 99; Fikkers, WPNR 1987/5844, p. 534-535.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als een bestanddeel door afscheiding een zelfstandige zaak wordt, dan zijn drie scenario’s denkbaar wat betreft het eigendomsrecht. Allereerst kan de oorspronkelijke eigenaar van vóór de verbinding het eigendomsrecht herkrijgen. Een motor van A wordt een bestanddeel van de boot van B. Na de verwijdering van de motor herkrijgt A zijn eigendomsrecht. In dat geval gebeurt hetzelfde als wat er naar Romeins recht gebeurde. Het Romeinse recht kende immers slapende of sluimerende eigendomsrechten (dominium dormiens). Nadat een zaak was afgescheiden, kon een zakelijke actie zoals bijvoorbeeld de revindicatie weer ingesteld worden. Hierboven is echter al aangegeven dat het Nederlandse wettelijke systeem geen slapende of sluimerende eigendomsrechten kent. Na de afscheiding herleven geen oorspronkelijke eigendomsrechten van vóór de verbinding. Er bestaat geen wettelijke grondslag die een eigendomsrecht toewijst aan de oorspronkelijke eigenaar van vóór de verbinding. Dit Romeinse scenario past derhalve niet in het vaderlandse wettelijke systeem, hoewel het in bepaalde gevallen een aantrekkelijk scenario zou zijn. Als leverancier A zijn motor onder eigendomsvoorbehoud aan B had geleverd, dan zou A graag zijn eigendomsrecht op de motor na de afscheiding willen herkrijgen als B niet heeft betaald en dit zou ook niet onlogisch zijn.
Een tweede scenario is dat het afgescheiden bestanddeel een zaak is die aan niemand toebehoort (res nullius). Ook dit scenario is niet aannemelijk. Een stuur dat van de fiets wordt afgescheiden, de banden die van de auto worden losgemaakt of de motor die is verwijderd uit een boot, zijn geen zaken die aan niemand toebehoren. Was dit wel het geval, dan zou de dief gemakkelijk door inbezitneming de eigendom kunnen verkrijgen van bijvoorbeeld andermans zadel door een simpele afscheiding. Dit is een onwenselijk resultaat. Iemand pleegt diefstal als hij takken wegneemt van andermans grond zonder dat de grondeigenaar daarvoor toestemming heeft gegeven. Dit zou geen diefstal zijn als de afgewaaide tak een res nullius is, want zaken die aan niemand toebehoren kunnen niet gestolen worden.1 Kortom, als algemene regel geldt niet dat het afgescheiden bestanddeel een res nullius is. De eigendom van deze zaken kan derhalve niet verkregen worden door toe-eigening in de zin van art. 5:4 BW, aangezien dat slechts mogelijk is bij zaken die aan niemand toebehoren.2 Uiteraard kunnen afgescheiden zaken wel res nullius worden, maar de afscheiding zelf bewerkstelligt dit nog niet. Een zaak wordt pas een res nullius bijvoorbeeld door prijsgeving.3
Een derde scenario is dat de eigenaar van de hoofdzaak ook eigenaar wordt van de afgescheiden bestanddelen. Dit is als algemene regel logisch. In de literatuur wordt daarom aangenomen dat, behoudens wettelijke uitzonderingen die later ter sprake komen, de eigenaar van de hoofdzaak eveneens eigenaar wordt van het afgescheiden bestanddeel dat met de afscheiding een nieuwe zaak is geworden.4 De eigenaar van de fiets wordt ook eigenaar van het afgescheiden zadel. Hetzelfde geldt als iemand een tak van zijn boom afzaagt: hij is daarvan ook eigenaar.
Wat voor type eigendomsrecht verkrijgt de eigenaar van de hoofdzaak op de nieuwe zaak? Twee scenario’s zijn denkbaar: het eigendomsrecht op de afgescheiden zaak is óf niet óf wel een nieuw eigendomsrecht. In het eerste geval is het recht te beschouwen als een afscheiding van het eigendomsrecht van de hoofdzaak, zoals het bestanddeel afgescheiden is van die zaak.5 In dat geval heeft het dezelfde eigenschappen als het recht waarvan het is afgescheiden. Is de hoofdzaak bezwaard met een pandrecht, dan is de afgescheiden zaak dat ook.
Is het eigendomsrecht een nieuw eigendomsrecht, dan bestaan wederom verschillende scenario’s. Het eigendomsrecht kan gezien worden als een “volledig nieuw, maagdelijk recht”, zoals het eigendomsrecht van de zaaksvormer.6 Het recht is dan onbezwaard, hetgeen betekent dat de beperkte rechten die rusten op de hoofdzaak niet komen te rusten op het nieuwe eigendomsrecht. Een ander scenario is dat het nieuwe eigendomsrecht wél bezwaard kan zijn met beperkte rechten. Hoewel het eigendomsrecht nieuw is, heeft het toch dezelfde kenmerken als het eigendomsrecht van de hoofdzaak. Dezelfde (type) beperkte rechten die daarop rusten, rusten ook op de afgescheiden zaak.
Om erachter te komen of hier sprake is van een “oud” of een “nieuw” eigendomsrecht en of dit recht al dan niet bezwaard is, dient gekeken te worden op welke wettelijke grondslag het eigendomsrecht wordt verkregen.